Waarom Tunesië de thuishaven is van veel jihadisten

Op het strand in het Tunesische Sousse worden de slachtoffers van de aanslag herdacht met bloemen. Beeld afp
Op het strand in het Tunesische Sousse worden de slachtoffers van de aanslag herdacht met bloemen.Beeld afp

Dat er gisteren in de Tunesische badplaats Sousse een terroristische aanval werd gepleegd, is eigenlijk niet zo vreemd. In het geboorteland van de 23-jarige Saifeddine Rezgui die zeker 39 mensen het leven ontnam, is terrorisme een groot probleem. Elke Tunesiër kent wel iemand die naar Syrië of elders is vertrokken om als jihadist te sterven, stellen mensenrechtenorganisaties. Correspondent Trouw-Marijn Kruk schreef er op 2 april over.

Met tienduizenden waren ze afgelopen zondag in Tunis bij de protestmars tegen terrorisme, niet met miljoenen zoals in Parijs. Ook het aantal internationale hoogwaardigheidsbekleders was beduidend minder dan op 11 januari, de dag dat een 'Republikeinse mars' werd gehouden in reactie op de aanslag op de redactie van het satirische weekblad Charlie Hebdo. De Franse president Hollande, de Italiaanse premier Renzi, 'onze' minister van buitenlandse zaken Bert Koenders, dat was het wel zo'n beetje in Tunis. Toch vormt terrorisme in Tunesië een aanzienlijk groter probleem dan in Frankrijk.

De aanslag op het Bardomuseum, waarbij in maart 24 mensen omkwamen (onder wie 21 buitenlandse toeristen), was een aanval op de jonge en fragiele democratie die in Tunesië gestalte krijgt. Voor de Tunesiërs kwam ze allerminst onverwacht. Al veel langer kampt het land met gewelddadige moslimgroeperingen. Ze zijn actief in buitenwijken van de grote steden, in het onherbergzame gebied op de grens met Algerije, en in buurland Libië natuurlijk, prooi van een onoverzichtelijke burgeroorlog.

Zo is inmiddels duidelijk dat een van de daders van die aanslag daar een maand in een trainingskamp voor jihadisten heeft doorgebracht. Bovendien zijn zeker 3000 Tunesiërs richting Islamitische Staat vertrokken. Aangenomen wordt dat honderden van hen inmiddels alweer terug zijn, al dan niet broedend op aanslagen in eigen land.

undefined

Wirwar

De vorig jaar gekozen president Beji Caïd Essebsi heeft bezworen het gewelddadige jihadisme met alle middelen te bestrijden. Daar krijgt hij nog een harde dobber aan. Uit rapporten en gesprekken met internationale terrorisme experts doemt een wirwar op van regionaal opererende groepen die luisteren naar namen als Ansar Al-Sharia, Al-Qaida in de islamitische Maghreb of Ondertekenaars in bloed. Klinkende namen die strakke organisatie, gestaalde doctrines en heldere doelen doen vermoeden. De werkelijkheid blijkt er vooral een van improvisatie, opportunisme en rekkelijkheid.

Nadat een volksopstand in 2011 een eind maakte aan het dictatoriale regime van Zine El Abidine Ben Ali hadden moslimextremisten enige tijd vrij spel. Pas nadat pogingen tot dialoog waren mislukt en aanhangers van de ultraorthodoxe organisatie Ansar al-Sharia de Amerikaanse ambassade bestormden, zetten de nieuwe autoriteiten de jacht op gewelddadige extremisten voort.

"Naarmate deze strijd succesvoller wordt, grijpen de jihadistische groepen naar extremere middelen. Ze voelen dat ze in de knel zitten", zegt Michaël Ayari, onderzoeker bij International Crisis Group, een non-gouvernementele organisatie die regeringen in conflictgebieden adviseert. Ayari wijst op de Gewapende Islamitische Groep (GIA), een van de terreurgroepen die gedurende de jaren negentig actief waren in Algerije. "Het geweld dat de GIA gebruikte werd extremer naarmate de autoriteiten hun greep op de situatie versterkten." Deze organisatie moordde eind jaren negentig hele Algerijnse dorpen uit.

Op de ochtend van de protestmars, afgelopen zondag, maakte de Tunesische premier Habib Essid bekend dat er in het uiterste zuiden van het land negen terroristen waren omgekomen in een vuurgevecht met ordetroepen. Onder hen zou ook Khaled Chaieb zijn, het vermoedelijke brein van de aanslag in het Bardomuseum.

Chaieb is een Algerijn en dat is geen toeval. Groepen als de Algerijnse GIA hielden nooit op te bestaan, zelfs niet toen de geweldsgolf na 1999 begon te luwen en het uiteindelijk tot een amnestieregeling kwam. Ze gingen onder een andere naam verder, trokken zich terug in het onherbergzame Kabilië, in het noordwesten van Algerije of verdwenen in de onmetelijke zandbak van de Sahara. Daar groeiden ze uit tot magneten voor jihadstrijders uit de hele regio: Libië, Tunesië, Marokko, Mali, Mauretanië. De belangrijkste ging vanaf 2007, onder de 'merknaam' van Al-Qaida, verder als Aqim.

undefined

Opportunisme

Volgens Luiz Martinez, Algerije- en Libië-specialist bij het Parijse Institut d'études politiques, zegt dat iets over opportunisme van deze groepen. "Het was een makkelijke manier om mee te liften op het 'succes' van beweging van Osama bin Laden", zegt hij. "Zo zet je je beweging in één klap internationaal op de kaart waardoor je eenvoudiger geld en rekruten kunt aantrekken."

De oprichting van Aqim ging gepaard met een serie uiterst dodelijke aanslagen in Algiers. Sinds die tijd is de organisatie verwikkeld in een vrijwel permanente strijd met de Algerijnse autoriteiten. "Er gaat geen week voorbij of ergens is een controlepost van het leger of een politiebureau doelwit van een aanslag", zegt Martinez.

In het voorjaar van 2012 was Aqim de drijvende kracht achter de machtsovername in het noorden van Mali, waar ogenblikkelijk een primitieve vorm van sharia werd ingevoerd. Na een schrikbewind van negen maanden maakte een Franse militaire interventie hieraan tenslotte een eind, maar strijders van de organisatie laten zich nog steeds met regelmaat in het gebied zien.

Aqim financiert zijn strijd hoofdzakelijk met drugs- en wapensmokkel en met ontvoeringen van westerlingen. "De organisatie haalde afgelopen tien jaar vele miljoenen aan losgeld op, betaald door Europese regeringen", zegt Alaya Allani, een historicus verbonden aan de universiteit van Tunis en gespecialiseerd in regionaal terrorisme.

Berucht in dat verband is de Algerijn Mokhtar Belmokhtar, verantwoordelijk voor een reeks van ontvoeringen in de regio. De eenogige ex-Afghanistanganger geldt bovendien als een belangrijke leverancier van wapens en als smokkelaar van sigaretten. Dat leverde hem de bijnaam 'Mr. Marlboro' op.

Vanwege zijn eigenzinnige koers werd hij eind 2012 door Aqim aan de kant gezet. Prompt richtte Belmokhtar zijn eigen beweging op : Ondertekenaars in bloed. Op 16 januari 2013 zette hij deze op spectaculaire wijze op de kaart met de gijzeling in Ameinas, een Algerijns oliecomplex nabij de grens met Libië. Bij de bestorming door het leger kwamen 36 (veelal westerse) gijzelaars en 29 gijzelnemers om het leven.

Volgens Martinez zegt de samenstelling van de groep gijzelnemers veel over het grensoverschrijdende karakter van het terroristisch jihadisme in Noord-Afrika : "Elf van hen hadden de Tunesische nationaliteit, daaraan zie je dat het terrorisme geen nationale, maar een regionale aangelegenheid is."

Belmokhtar wordt regelmatig gesignaleerd op de gigantische wapenbazaar die het zuiden van Libië geworden is en recent werd zijn naam genoemd in verband met de aanslag vorige maand in de Malinese hoofdstad Bamako, waarbij vijf mensen omkwamen, waaronder een Fransman en een Belg.

undefined

null Beeld afp
Beeld afp

Schimmig

Het gemak waarmee iemand als Belmokthar van rol (jihadist, smokkelaar, gijzelnemer) en land (Algerije, Mali, Libië) kan veranderen werpt ook licht op de schimmige wereld van smokkelaars, jihadisten en criminelen in de grensgebieden van Tunesië. In een rapport voor zijn International Crisis Group (ICG) waarschuwde Ayari in 2013 al dat het steeds lastiger werd onderscheid te maken tussen geweld dat was gelieerd aan drugs- en wapenhandel en geweld van moslimextremisten. "Bewoners van de grensgebieden vertelden me dat jihadi's de steile bergwegen controleren die Tunesië met Algerije verbinden", zegt hij. "Ze zeggen dat terroristen de aandacht van soldaten en douaniers proberen af te leiden zodat smokkellaars, die vaak deel uitmaken van dezelfde tribale clans, hun gang kunnen gaan." Hebben we dan van doen met streng gelovige jihadisten of eerder met ordinaire smokkelaars?

Naar schatting is 40 procent van de Tunesische economie zwart. Het aantal mensen dat in de steden en aan de grenzen bij de smokkelindustrie betrokken is, loopt in de tienduizenden. "De grens tussen jihadisme en smokkel is vaak dun. Dat heeft consequenties voor de aanpak van het probleem", zegt de Tunesische historicus Allani. De Tunesische autoriteiten zouden, volgens hem, duidelijker onderscheid moeten maken tussen ideologie gedreven terrorisme, zoals de aanslag in het Bardomuseum, en het grijze gebied van 'islamo-gangsterisme' dat je in de buitenwijken en langs de grenzen aantreft.

"Niet alle groepen zijn religieus geïnspireerde extremisten", vult Michaël Ayari aan. "Tegelijk kunnen extremisten die wél religieus gedreven zijn, zich via smokkel van een territorium voorzien van waaruit ze hun ideologie verspreiden." Volgens de onderzoeker is het belangrijk dat de regering de bevolking in deze gebieden, die economisch vaak afhankelijk is van smokkel, niet van zich vervreemdt. "Dat risico loop je wanneer je een blinde oorlog tegen het terrorisme afkondigt en geen verschil maakt tussen ideologisch geïnspireerd terrorisme en georganiseerde criminaliteit."

undefined

Troefkaart

Politicoloog Luiz Martinez wijst erop dat de Tunesische regering in de strijd tegen terrorisme een belangrijke troefkaart heeft: democratische legitimiteit. "Algerije is een dictatuur die de bevolking onverschillig laat. In Tunesië beseffen de mensen dat de democratie waarvoor ze hebben gestreden op het spel staat. Dat betekent dat ze veel eerder geneigd zijn de kant van de autoriteiten te kiezen."

Ayari erkent dat verschil, maar wijst erop dat de economische frustratie in Tunesië nog steeds erg groot is, zeker in het achterland. Volgens hem is het voornaamste probleem dat de snelheid waarmee de overheid sociaal-economische problemen in de grensstreek aanpakt de radicalisering niet kan bijbenen. "Mensen zijn arm en voelen zich gemarginaliseerd. Dat zorgt ervoor dat ze ontvankelijk blijven voor het discours van de jihadisten."

Maar zelfs al slagen de Tunesische autoriteiten erin deze tendens te keren, zolang het conflict in buurland Libië voortduurt, blijft ook het terrorismegevaar bestaan, denkt Alaya Allani. "Veel leden van Ansar Al-Sharia zijn inmiddels opgepakt, maar een groot deel is uitgeweken naar Libië." Daar sloten ze zich aan bij de Libische tak van hun organisatie of bij Islamitische Staat, sinds kort actief in en rond de havenstad Sirte, bastion van de in 2012 vermoorde Moammar Kadafi.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden