Waarom Trumps ruimteprogramma eigenlijk heel goed is

De Marsverkenner InSight - hier nog in opbouw - werd een week geleden gelanceerd. De Nasa wil op Mars nu eens niet speuren naar water of sporen van leven. Beeld Patrick H. Corkery/Lockheed Martin

Op de grond gebeuren er tussen Amerika en Rusland dingen die doen denken aan de Koude Oorlog. Hoe vergaat het die twee in de ruimte? Een tweeluik, met in dit eerste deel aandacht voor de Amerikanen.

Amerika schrok zich wild toen in 1957 opeens een Russische satelliet om de aarde draaide, de Spoetnik 1. Het leidde tot de oprichting van de National Aeronautics and Space Administration, de Nasa, een jaar later. Maar daar kan John Logsdon zich niets van herinneren, al was hij toen al 20 jaar oud. “Mijn eerste ruimtevaartherinnering was de parade door Manhattan, in 1962, van John Glenn, nadat die als eerste Amerikaan in een baan om de aarde had gevlogen. Ik was erbij daar in New York. Het was een van de dingen die me motiveerden iets met ruimtevaart te gaan doen.”

Sindsdien volgt Logsdon de ruimtevaart, als politicoloog en historicus. Hij zag de Nasa hoogtepunten beleven en door diepe dalen gaan, soms dankzij de prestaties van astronauten, soms vanwege het falen van de techniek, maar vaak ook door politieke mee- of tegenwind.

“De reden voor Nasa’s bestaan was een politiek oordeel: dat het antwoord op de uitdaging van Spoetnik een civiel ruimtevaartagentschap moest zijn, niet militair. Dat was vooral omdat het dan zijn activiteiten in de publiciteit kon brengen. Het succes met Spoetnik toonde volgens de Sovjet-Unie aan dat zij nu de leiding had in de wereld en de VS wilden die uitdaging beantwoorden. Daarvoor moest je kunnen zeggen: kijk eens wat wij doen. Een andere reden was dat de wetenschappers die je nodig had om de race te winnen, veel meer bereid waren voor een civiel agentschap te werken dan voor de krijgsmacht.”

In het begin mochten ingenieurs en wetenschappers de tijd nemen bij het ontwikkelen van de raketten die voor de ruimtevaart nodig waren. “President Dwight Eisenhower zei: we gaan de ruimtevaart gebruiken als een instrument voor de concurrentie met de Sovjet-Unie, maar we doen dat solide wetenschappelijk, niet overhaast. Hij geloofde niet in het idee van een ruimterace. Kennedy duidelijk wel. Die wilde de uitdaging beantwoorden van de eerste bemande ruimtevlucht van de Sovjet-Unie, van Joeri Gagarin. Kennedy schreef een klassiek geworden memorandum waarin hij zijn adviseurs vroeg om een project dat dramatische resultaten beloofde en waarmee de VS konden winnen. En het antwoord kwam: stuur mensen naar de maan.”

Kennedy kondigde het in mei 1961 aan: ‘vóór het einde van dit decennium’. En zo gebeurde het. En al maakte hij dat zelf niet meer mee, hij ging daardoor de geschiedenis in als de ruimtevaartpresident bij uitstek. Maar in zekere zin had een andere president een veel grotere invloed, denkt Logsdon. “Toen Richard Nixon in 1970 het post-Apollo-beleid presenteerde, zei hij dat het niet meer moest gaan om een serie sprongen die enorm veel energie kosten. ‘Wat we in de ruimte doen, moet voortaan een normaal en regelmatig onderdeel zijn van ons nationale leven en moet dus gepland worden in samenhang met alle andere dingen die we belangrijk vinden.’ Dat is 48 jaar lang de aanpak gebleven.”

Kennedy-moment

Niet dat presidenten na Nixon niet hebben gezocht naar een aansprekend doel dat hen een Kennedy-moment kon geven. “Maar dat is nooit gelukt. Waarom? Omdat er geen politieke steun voor een Apollo-achtig initiatief er niet was. Het land werd niet uitgedaagd, zoals in de tijd van Gagarin. En er was geen dwingende binnenlands-politieke reden voor. De steun van het publiek voor ruimtevaart is breed, maar niet erg diep. Mensen staan er sympathiek tegenover, maar ze zijn niet bereid hun Congresleden te vertellen dat er meer belastinggeld naartoe moet.”

Daar staat tegenover dat de VS ook niet zomaar met bemande ruimtevaart kunnen stoppen. “Dat is ook een kwestie van politiek. Het publiek vindt het mooi en dus is er steun voor een ‘best wel goed’ ruimtevaartprogramma. Er is geen georganiseerde anti-ruimtevaartlobby. Als de regering voorstelt er 20 miljard dollar per jaar aan uit te geven, protesteert niemand. En dan zijn er de belanghebbenden: de ruimtevaartindustrie, de regio’s waar de Nasa en die industrie hun vestigingen hebben. Dat biedt genoeg politieke steun voor die 20 miljard. Maar waarschijnlijk niet genoeg voor 30 miljard.”

Tekst gaat verder onder de afbeelding

Buzz Aldrin in 1969 als tweede man op de maan gefotografeerd door Neil Armstrong, die kort daarvoor als eerste mens voet op de aarde zette. Beeld SSPL via Getty Images

Nixons besluit over te gaan van een ruimterace naar een meer regelmatig schema was dus niet onlogisch. Maar inhoudelijk was het een dieptepunt in de geschiedenis van de Nasa, wat Logsdon betreft: “Net na het hoogtepunt in 1969, toen mensen op de maan landden in Apollo 11, werd het budget een stuk kleiner. En er kwam een einde aan de productie van de maanraket, Saturnus V. Daarmee verloor de Nasa het vermogen om bemand de ruimte te verkennen, net toen ze er succesvol in waren. Nixon koos voor de ontwikkeling van de space shuttle. Dat beperkte het bemande ruimtevaartprogramma tot een lage baan om de aarde voor de volgende 47 jaar.”

Een ander dieptepunt was de regering van Jimmy Carter, vindt Logsdon. “In de vier jaar van zijn presidentschap naderde de space shuttle zijn voltooiing en hij besliste dat er daarna geen ander groot project zou komen. Reagan draaide dat terug: hij stemde in met de bouw van het ruimtestation. Maar hij trok er niet veel geld voor uit. Na hem overwoog Bill Clinton serieus dat ruimtestation te schrappen. Maar ze hebben hem weten om te praten. Daarna nodigde hij de Russen uit om mee te doen.”

Twee gelegenheden waarvan je zou denken dat het in politiek opzicht dieptepunten waren, het verongelukken van de space shuttles Challenger in 1986 en Columbia in 2003, waren dat juist niet. “De steun voor de Nasa nam toe, bij het publiek en in het Congres. Ik denk dat de politieke leiders daaruit opmaakten dat het land echt een bemand ruimtevaartprogramma wilde. Dat de optie om daarmee op te houden en alleen maar onbemande vluchten te doen, politiek niet haalbaar was.”

Dieptepunt

“En dat is nu nog zo, denk ik. Maar wat dat bemande programma precies moet doen, daar is veel onzekerheid over, en dat is eigenlijk ook een dieptepunt, van het langdurige soort. In 1989 zei George H.W. Bush: laten we teruggaan naar de maan. Maar daar kwam niets van terecht. In 2004 herhaalde zijn zoon, president George W. Bush: laten we teruggaan naar de maan. Dat leverde een paar jaar actie op. Maar toen kwam president Obama en die zei: dat doen we niet, we gaan naar Mars. Nu hebben we president Trump en hij zegt: dat doen we niet, we gaan eerst naar de maan. Die lange periode van onzekerheid over wat er van de Nasa gevraagd wordt, is moeilijk geweest voor de organisatie.

“De onbemande vluchten voor wetenschappelijk onderzoek zijn over het algemeen heel succesvol, dat deel van het programma is kerngezond. Maar de bemande vluchten, het bouwen van de benodigde grote raketten, daarover is de onzekerheid zo groot en die duurt al zo lang dat het functioneren van Nasa zelf erdoor in gevaar komt.”

Volgens Logsdon moet er nodig een eind komen aan die onzekerheid. “Een president kan, net als Kennedy deed, het agentschap een duidelijke missie geven, leiderschap tonen en het Congres overtuigen het de fondsen te geven die er voor nodig zijn.”

Misschien - hij zegt het hoorbaar met tegenzin - zit die president nu in het Witte Huis. “Ik denk dat het huidige programma, als je wegdenkt dat het van Trump is, eigenlijk heel goed is. Het ‘Ruimtevaartbesluit 1’ dat hij afgelopen december tekende, zegt: de VS moeten een samenwerkingsverband leiden met andere landen en bedrijven op het gebied van ruimteverkenning, te beginnen met de maan en dan Mars. Daar is niks mis mee. Sinds 2004 wordt er al gewerkt aan de grote raketten die daarvoor nodig zijn en inmiddels wordt er gesproken over een klein ruimtestation in een baan om de maan. De onderdelen voor dat plan zijn de afgelopen veertien jaar vrij constant gebleven. Dus ik ben voorzichtig optimistisch dat het daarvan gaat komen.”

Daarmee zou voor Logsdon een wens in vervulling gaan. “De allereerste lancering die ik meemaakte, was die van Apollo 11. Ik stond die dag heel vroeg op, ik had toegang met een perskaart en ik heb de bemanning langs me zien lopen op weg naar de maan. Dat wil ik nog wel eens meemaken: een groep mensen die een ruimteschip in gaat en ergens naartoe vliegt, in plaats van alleen maar rondjes te draaien op 200 mijl hoogte.”

Nieuwe baas NASA is politicus met klimaattwijfels

Zonder de Nasa hadden we veel minder geweten over het klimaat en de rol die het verbranden van fossiele brandstoffen daarin speelt. Maar de man die de Nasa de komende jaren gaat leiden, had tot voor kort zijn twijfels over die rol.

Jim Bridenstine was tot voor kort Republikeins lid van het Huis van Afgevaardigden. En daarmee staat de Nasa voor het eerst in zijn zestigjarige bestaan onder leiding van een politicus.

Dat leidde tot twijfels in de Senaat, die de benoeming moest goedkeuren. Bridenstine heeft geen wetenschappelijke achtergrond en evenmin ervaring in het besturen van een grote organisatie. Liefde voor de lucht- en ruimtevaart koestert hij wel: hij was piloot bij de marine en voordat hij in 2012 in het Congres werd gekozen, leidde hij het Tulsa Air and Space Museum in Oklahoma.

De bezwaren van de Democraten in de Senaat golden vooral Bridenstines politieke opvattingen, die hem minder geschikt zouden maken als baas van ruim 17.000 werknemers. Hij is tegenstander van het homohuwelijk en vindt dat transgenders niet zelf mogen kiezen of ze een mannen- of een vrouwentoilet gebruiken.

Daarnaast kreeg zijn gebrek aan kennis over wetenschappelijke onderwerpen, en dan vooral klimaatverandering, de nodige aandacht. In 2013 beweerde Bridenstine dat de aarde al tien jaar niet meer warmer was geworden. “Wereldwijde temperatuurveranderingen, als ze er al zijn, houden verband met de kracht van de zon en cycli in de oceanen”, zei hij. Tijdens de hoorzitting over zijn benoeming was hij daar overigens niet meer zo stellig over.

Dat een politicus aan het hoofd van de Nasa staat, kan de organisatie helpen bij het verdedigen van zijn budget. Dit jaar lijkt dat nog niet nodig: in februari stelde president Trump het Congres voor om de organisatie 19,9 miljard dollar te geven, 370 miljoen meer dan vorig jaar.

Maar binnen die begroting zijn er opvallende verschuivingen. De regering-Trump wil meer geld uitgeven aan onbemande missies voor onderzoek naar planeten en sterren, ten koste van satellieten die de aarde bestuderen, onder andere voor klimaatonderzoek. Uiteindelijk beslist het Congres over de begroting en daar staat wetenschap er goed op. Vorig jaar weigerde het de forse bezuinigingen door te voeren die Trump had voorgesteld voor de uitgaven voor onderzoek.

Wie is John Logsdon?

John Logsdon (81) is emeritus hoogleraar politiek en internationale betrekkingen aan de George Washington Universiteit. Hij was van 1987 tot 2008 directeur van het door hem opgerichte Space Policy Institute daar. Hij was lid van vele adviescommissies op het gebied van ruimtevaart, waaronder de commissie die in 2003 het ongeluk onderzocht met de space shuttle Columbia. Hij schreef verscheidene boeken over de ruimtevaartgeschiedenis, waaronder ‘John F. Kennedy and the Race to the Moon’ en ‘After Apollo? Richard Nixon and the American Space Program’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden