Onvrede

Waarom toch dat onbehagen?

IllustratieBeeld Johan Kleinjan

Wat heerlijk dat het economisch weer beter gaat, dat de werkloosheid daalt en de koopkracht stijgt. Maar het lijkt alsof de gunstige economische cijfers alleen maar over anderen gaan. Ouderen, veertigplussers, jongeren; ze klagen dat het almaar minder wordt. Waarom?

De huidige economie heeft iets gemeen met de criminaliteit. Bij beide lopen feiten en perceptie niet synchroon. Vraag een willekeurige voorbijganger maar eens of de criminaliteit in Nederland stijgt of daalt. De kans is groot dat het antwoord 'stijgt' is terwijl de criminaliteitscijfers juist dalen. In de economie lijkt het net zo te gaan. Het nationaal inkomen groeit, de werkloosheid daalt en de koopkracht stijgt. Om met koning Willem-Alexander te spreken: "Nederland heeft de laatste jaren weer vaste grond onder de voeten gekregen." Dat mag zo zijn, maar dan wel onder een sluier van onbehagen.

We wachten op meer
Hans Stegeman, de hoofdeconoom bij de Rabobank, heeft wel een idee waar dat onrustige gevoel vandaag komt. "Dat ligt aan het ontbreken van economisch perspectief", zegt hij. "Ondanks het feit dat grote groepen het best goed hebben, zit er weinig vooruitgang in hun financiële situatie. Zij wachten op meer. En dan niet op enkele tienden procenten aan koopkrachtstijging. Nee, ze willen echt materieel ervaren dat het beter gaat. Dat is de afgelopen vijftien jaar nauwelijks gebeurd. Voor die tijd waren we gewend aan een hogere economische groei en lonen die stegen met een paar procent. Dat is voorbij."

De trage inkomensgroei treft volgens Stegeman vooral werknemers en zelfstandigen met een inkomen tussen de 30.000 en 40.000 euro per jaar. Dat is meer dan de helft van de Nederlandse beroepsbevolking.

Daar komt nog eens bij dat de inflatie laag is, wat ook het humeur kan temperen. "Lage inflatie geeft mensen het idee dat alles stilstaat", zegt Stegeman. "De prijzen stagneren, wat niet verkeerd hoeft te zijn want je koopkracht blijft op peil, maar het doet iets met het gevoel van mensen."

Onzekerheid
Directeur bij economisch onderzoeksbureau SEO Bas ter Weel beaamt dat. "Als alles duurder wordt, stijgen de lonen mee. Dan krijg je het idee dat je meer hebt. Nu dat achterwege blijft, groeit de onzekerheid en daarmee het onbehagen."

Dat ligt volgens Ter Weel ook aan verwachtingen. "De financiële crisis heeft een hap uit het inkomen genomen. Mensen hadden verwacht dat we de schade later wel in zouden halen, maar daar is geen sprake van."

"Na een periode van kwakkelen gaat het normaal gesproken aanmerkelijk beter", zegt Stegeman. "En dat is nu niet zo. Je ziet het ook terug in het nieuws. Het gaat beter, maar... Er is altijd wel iets."

Dat 'maar' kan gaan over de Brexit die ondanks goede voornemens kan ontaarden in een vechtscheiding, of over de Italiaanse banken die op omvallen staan. En de Grieken, hoe gaat het daar eigenlijk mee?

Het crisistrauma is niet verwerkt
Economische onzekerheden zijn niet iets van de laatste jaren. Maar sinds de crisis reageren mensen wel anders. Minister van financiën Jeroen Dijsselbloem ziet het terug in de hele Europese Unie. Hij spreekt van een trauma. "Het kleinste zuchtje tegenwind wordt meteen neergezet als het begin van de volgende crisis", zei hij eerder dit jaar.

Dat maakt mensen onzeker, waarmee direct de kern is genoemd van het onbehagen. Werk, loon, carrière en pensioen, niets lijkt meer zeker. "Dat doet iets met ons welzijn", zegt Stegeman. "We willen zekerheid en dat ontlenen we deels aan de vastheid van ons inkomen. Het onbehagen zegt dus niets over de hoogte van het inkomen, maar over de toegenomen onzekerheid over dat inkomen."

Bij geen enkele groep is die onzekerheid zo groot als onder jongeren. Zij krijgen maar geen houvast omdat bedrijven nauwelijks mensen in vaste dienst nemen. Een gevolg van de 'doorgeschoten flexibilisering', zeggen vakbonden, economen en minister Lodewijk Asscher van sociale zaken.

Het politiek neutrale Centraal Planbureau (CPB) nam de term 'doorgeschoten' niet in de mond, maar was vorige week in de Macro Economische Verkenning (Mev) toch vrij duidelijk in zijn oordeel. Op zich is er niets mis met flexibilisering, stelde het CPB, mits werkgever en werknemer dat allebei willen. Dat is niet het geval. Van de werknemers met een tijdelijk contract, uitzendbaan of payrollcontract 'vindt 80 à 90 procent een vast contract belangrijk of heel belangrijk', zo is te lezen in de Mev.

Verlies van vertrouwen
Flexibilisering is ook te rechtvaardigen als de orderportefeuille van bedrijven sterk wisselt. Maar dat is geen uniek Nederlands verschijnsel. Bedrijven in het buitenland hebben daar net zo goed mee te maken, en zij nemen nog wel personeel in vaste dienst aan.

Een derde reden om vooral te werken met tijdelijke krachten is de economische crisis. Maar zelfs nu deze voorbij is, neemt het aantal tijdelijke krachten nog altijd toe. Dit alles is niet het gevolg van een onzichtbare hand die iedereen de flex in duwt. Het zijn beleidskeuzes waardoor dit gebeurt, zo stelt het CPB vast.

Een belangrijke constatering, want "dit soort ontwikkelingen zorgt ervoor dat mensen vertrouwen verliezen in de politiek", zegt Stegeman. "Vooral de jongeren die van het ene flexibele contract naar het andere gaan, kunnen dus terecht boos zijn op politici."

Daar komt nog eens bij dat werkgevers minder investeren in tijdelijk personeel, zegt Ter Weel. "Ook dat leidt tot ontevredenheid bij jongeren."

IllustratieBeeld Johan Kleinjan

Een tijdelijke baan is voor altijd
Nu kwamen jongeren vroeger evenmin terecht in een gespreid bedje. De starters die in de jaren tachtig op zoek gingen naar hun eerste baantje kregen te horen dat ze tot de 'verloren generatie' hoorden. Niet alleen was de werkloosheid in die tijd hoog, ook was het lastig om ergens een voet tussen de deur te krijgen. Uitzendbaantjes boden de makkelijkste toegang tot de arbeidsmarkt, maar zo alom aanwezig als nu waren de uitzendbureaus 35 jaar geleden niet. Zo bezien boffen de jongeren van nu maar met al die mogelijkheden om flexibel de arbeidsmarkt te betreden.

Dat zou kloppen als de vooruitzichten van flexwerkers niet waren veranderd, zegt Bas ter Weel. "Een flexbaan was altijd een opstap naar een vast contract. Wat je nu ziet is dat werknemers in tijdelijke contracten blijven hangen."

Dat gevaar dreigt ook voor de grote middengroep, zeg maar de werknemers vanaf 35 tot en met 55 jaar. Zij zien dat robots en geavanceerde software het werk veel sneller doen dan zijzelf. De baas ziet dat ook, weten tienduizenden administratief medewerkers. Deze beroepsgroep van middelbaar en hoger opgeleiden verdwijnt en ziet geen kans meer nog iets met hun vaardigheden te doen. Dat geldt ook voor veel werknemers in de financiële sector en de industrie. Zelfs als zij hun baan nog hebben, is het maar de vraag of zij ook hun pensioen halen.

"Een deel van de huidige banen verdwijnt", zegt Ter Weel die als oud-directeur van het CPB veel onderzoek heeft gedaan naar automatisering. "Maar er komt ook nieuw werk voor terug. We zitten middenin een transitie, wat de onzekerheid over behoud van werk vergroot. Mensen die door automatisering overbodig worden, moeten op zoek naar ander soort werk. Dat is lastig voor een 45-plusser. Net als de jongeren zal ook hij of zij vaak terechtkomen in flexbanen."

De inkomenszekerheid daalt
Het gevoel zegt dat de onzekerheid over werk en inkomen toeneemt. Anders dan bij de koopkracht loopt het gevoel ditmaal wel synchroon met de cijfers. Eerder dit jaar hield Cok Vrooman van de Universiteit Utrecht een oratie bij zijn aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap sociale zekerheid en participatie. Hij sprak over het 'lange afscheid van Drees', de oud-premier die wordt gezien als de grondlegger van de verzorgingsstaat. Vrooman toonde zijn publiek grafieken die duidelijk maken dat de inkomenszekerheid sinds 1980 met maar liefst 34 procent is afgenomen. De daling begint rond 1990 toen de kabinetten Lubbers en Kok allerlei regelingen voor vervroegde uittreders, werklozen en arbeidsongeschikten afschaften of versoberden.

Versobering van uitkeringen is niet erg, zolang daar werkzekerheid tegenover staat, zo verkondigen politici geregeld. Maar ook de werkzekerheid daalt: sinds 1980 met 23 procent. Dan heeft Vrooman het alleen over werknemers in loondienst. Telt hij de zzp'ers mee, dan daalt de werkzekerheid met 27 procent. Wat opvalt is dat de zekerheid vooral sinds 2007 een duikvlucht neemt.

Onbegrip
Nu is er een groep die tegen de trend in wel meer inkomenszekerheid heeft gekregen. De ouderen. Voor 65-plussers is er dus alle reden om met een goed humeur van het pensioen te genieten.

Dat pakt toch iets anders uit. Juist de ouderen etaleren hun onbehagen. Dat leidt nogal eens tot onbegrip. Waarom klagen juist de ouderen terwijl nergens de armoede zo gering is en de vermogens zo hoog.

"Het is de generatie die het meest heeft geprofiteerd van de huizenprijzenstijging", zegt Stegeman. "Maar in de pensioendiscussie draait het deels om perceptie. De generatie die nu met pensioen gaat, dacht dat ze meer zou krijgen dan ze nu ontvangt, terwijl ze het toch al beter hebben dan een generatie daarvoor."

Geen zekerheid
Dat ouderen er inderdaad op achteruitgaan, is terug te zien in de grafieken van Vrooman. De stijgende lijn van inkomenszekerheid vertoont in 2015 een klein knikje naar beneden. Ook de koopkrachtcijfers van het CPB laten zien dat over de afgelopen vijftien jaar alleen de ouderen met een aanvullend pensioen van 10.000 euro of meer aan koopkracht hebben ingeleverd.

"Wat ook speelt", zegt Stegeman, "is dat de generatie die nu rond de 65 is niets anders kent dan progressie. Het ging almaar beter. Ze rekenen erop dat het met hun pensioen ook zo zal zijn. Het is niet zo dat ze het slecht hebben, maar ja, als dat aanvullend pensioen wordt gekort, komt dat hard aan."

Ter Weel begrijpt best dat ouderen ontevreden zijn. "Als je naar absolute getallen kijkt, hebben ze over inkomen en vermogen niks te klagen. Maar als wordt ingegrepen in hun pensioenen, kunnen ze daar niets tegen doen. Ze hebben geen manieren om hun inkomen aan te vullen. Dat leidt tot onzekerheid. En zekerheid over koopkracht is belangrijker dan de koopkracht zelf."

Hoe groot is de onvrede?
Een grootschalig onderzoek naar het economisch onbehagen in Nederland is er niet. Wel zijn er kleinere onderzoeken, zoals dat van Ipsos. Vorige week maakte het onderzoekbureau bekend dat zes van de tien Nederlanders nog niets merken van enige economische voorspoed. Sterker: het aantal mensen dat goed kan rondkomen, is dit jaar zelfs lager dan vorig jaar.

Ook ING heeft recentelijk nog onderzoek laten uitvoeren waarbij ontevredenheid over de economische situatie een onderdeel was. Daarin komt naar voren dat een op de drie Nederlanders met een laag of middeninkomen het gevoel heeft dat zij de afgelopen vijf jaar hebben ingeleverd.

In 2014 verscheen een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) over maatschappelijk ongenoegen. Dat leeft volgens het SCP onder een op de vijf volwassenen. Nu is maatschappelijk ongenoegen breder dan economie alleen, maar het heeft wel degelijk te maken met werk en inkomen. De meeste wrevel zit namelijk bij Nederlanders die zien dat hun sociale bescherming afneemt. Dat gebeurt vooral bij uitkeringsgerechtigden, werknemers in laagbetaalde (flex)banen en de werkende middengroep.

Ook de 'comfortabel gepensioneerden', zoals het SCP de AOW'ers met een goed aanvullend pensioen noemt, zijn vaker dan gemiddeld ontevreden. Dat hoeft niet alleen te maken te hebben met pensioenkortingen. Het SCP keek ook naar andere oorzaken, zoals de Europese integratie en verschillen in normen en waarden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden