Waarom toch ben ik een oude kerkblijver?

De jonge kerkverlaters hebben met hun openhartige stukjes bij mij de vraag opgeroepen: 'En jij, waarom bleef en blijf jij meedoen binnen de kerk?' Het is niet voor het eerst dat die vraag bij me opkomt. Wel de eerste keer dat ik me verplicht voel duidelijk te antwoorden. De jonge kerkverlaters hebben daar recht op.

Toen ik in 1926 geboren werd waren mijn ouders lid van het Hersteld verband. Dat hield in dat zij in de typisch gereformeerde kerkstrijd over een vreemde leerstellige kwestie de zijde van de 'ketter' gekozen hadden: ook zij geloofden niet dat de slang in het paradijs een voor Eva verstaanbare taal gesproken moest hebben, zoals de synode volhield. Na verhuizing en enkele jaren zoeken in kerkelijk mozaïek keerden ze in de plaatselijke gereformeerde kerk terug. En zo doorstond ik in mijn jeugd de lange kerkdiensten, zonder kindernevendienst, met lange dogmatische preken, onbegrijpelijke liederen en de kwelling van het lange stilzitten. Catechisaties waren leerstellige lessen: de rechte leer moest je kennen en beamen. In 1944 weer een scheuring waarvan je niets begreep. Ondertussen begon je vragen te stellen. Ik herinner me hoe ik genoot van de lessen van onze leraar biologie, dr. Otto, op het gymnasium in Sneek. Bijna een heel jaar ging het over de evolutietheorie. Thuis vertelde ik wat ik gehoord had, maar mijn vader reageerde heel anders dan ik had verwacht: afwijzend in de strengste bewoordingen. Aan het bijbelse scheppingsverhaal viel niet te tornen, alles wat je daarover anders zou gaan 'geloven' was een gevaar voor het geloof, daarbij pasten geen vraagtekens, zoals eerder wel bij dat spreken van de slang. Voor mij was dat niet erg begrijpelijk.

Weer later, 1948: de gereformeerde kerken deden niet mee bij de oprichting van de Wereldraad van Kerken in Amsterdam. Niets begreep ik er van. Wat weerhield me ervan uit ergernis weg te lopen?

Er zijn meer momenten geweest dat ik mezelf niet zo overtuigd lid van de kerk voelde. Vragen genoeg, twijfel dikwijls. En ook enige keren het gevoel dat er toch wel erg snel en hard geoordeeld werd over sommige theologen die eens als opnieuw, met frisse blik, over leer en geloof schreven. Aanleiding te over om de kerk te verlaten en het verder zelf uit te zoeken. En weer: wat hield me tegen?

Er was op de achtergrond, maar soms toch dringend de vraag: 'weet je het zelf dan allemaal zo goed?' En ook de wens om binnen die gereformeerde kerken ooit als zendingsarts te kunnen werken. Dat werd op Sumba, Indonesië. Daar leerde je de kerk en het daarvan lid zijn anders te beleven. Je las de bijbel op den duur met andere ogen. Je beleefde je geloof met anderen, van heel andere cultuur. En in 1970 teruggekomen merkte je al gauw dat er iets in de gereformeerde kerken aan het veranderen was. Voor onze opgroeiende zoons was de kerkgang nog steeds een zware opgave. Maar voor mijzelf was de verandering goed merkbaar. Iets minder nadruk op de rechte leer, de dogmatiek. Iets meer voorzichtigheid bij het beoordelen van andermans mening? Niet altijd was dat laatste duidelijk. En het is nog steeds geen algemeen goed. Toch gaf het je een gevoel van opluchting. Je hoefde niet meer al je vragen en twijfels te verstoppen. Iets van het krampachtige was aan het verdwijnen. De houding ten opzichte van wereldraad en oecumene was veranderd en vermoedelijk hielden al die veranderingen met elkaar verband. Ik kon me er beter bij thuis voelen dan tevoren. En toen we thuis van onze zoons de ernstigste vragen over geloof en kerk te beantwoorden kregen - we hadden lang niet altijd antwoorden - maakten we in Leiden kennis met de studentengemeente LSE. Meer nieuwe geluiden, andere liederen, liedjes die je niet los lieten. Leerhuizen en gespreksgroepen waar je merkte hoe veel anderen met dezelfde vragen leefden. Waar je samen antwoorden zocht.

We woonden en werkten nog een paar jaar in een Afrikaans land, temidden van baptisten. Weer een andere sfeer, weer uitdagingen op gebied van kerk en geloof. Maar ook weer nieuwe vrienden, een nieuwe gemeenschap. En nu, in Leusden, wordt het gevoel alleen maar sterker: je mag leven in een gemeenschap waar men naar elkaar omziet.

Er is nog iets. Verhalen zijn aan ons doorgegeven. We lezen en herlezen ze. Je blijft bezig met vragen en zoeken en je hoopt, dat er binnen de kerkelijke gemeenschap zo nu en dan zinnig over gepreekt en gepraat wordt. Zó dat je er spirit door opdoet. Anders gezegd, je blijft schatten zoeken. En die liggen niet altijd aan de oppervlakte.

Misschien moet ik het nog anders zeggen. Misschien ben ik gewoon een religieus dier, zit het in de genen van mijn ziel. Ik zie geen andere mogelijkheid dan binnen de kerk mee te blijven doen met dat zoeken en graven naar iets dat voor mijn besef van grote waarde moet zijn. Dat zoeken doe je samen, in een levende gemeenschap, waarin je ook voor elkaar verantwoordelijk bent.

Charles Harvey, Canadees missionair predikant binnen de baptistengemeenschap van Bas-Congo, vertelde me dit verhaal. Hij had eens gepreekt tijdens een kerkdienst in een afgelegen oord. In de preek, mogelijk over de tekst waar Jezus zijn gehoor benoemt als moeder, zuster, broeder, had Harvey de gemeente vergeleken met de familie van Jezus. Terwijl iedereen napraatte na de dienst, kwam een oude man op hem af. 'Dominee, u hebt de gemeente vergeleken met de familie van Jezus. Weet u dat dat voor mij heel pijnlijk is? Toen ik zo'n jaar of vijf was heeft mijn familie me naar hier verkocht als slaafje. Mijn twee ogen van verschillende kleur moesten wel op hekserij wijzen. Zo'n kind konden ze alleen maar doden óf naar elders verkopen.' De man draaide zich om, richtte zich tot de omstanders: 'Ik ben nu oud, ik zal over een paar jaar wel sterven. Ik heb hier geen familie. Als ik dood ga, wie zal mij dan begraven? Dat is toch de plicht van je familie.' Er werd fluisterend gesproken, tot iemand het woord nam en verzekerde: 'Als jij sterft zullen wij je begraven. Wij zijn hier je familie.' Tot twee keer toe werd de vraag herhaaald, twee keer klonk hetzelfde antwoord. Toen brak bij het oude gemeentelid een lach van geluk door. Hij wist dat hij bij zijn baptisten-broers en -zusters thuis was.

Geeft zo'n verhaal niet weer wat we van elkaar binnen de kerk mogen verwachten? Aandacht voor elkaar, zorgzaamheid, een levend verband waarbinnen je thuis bent? Dan is niet altijd alles koek en ei, je kunt je aan van alles ergeren. Je krijgt er ook niet een antwoord op al je vragen over 'de leer', maar je kunt er leven in vertrouwen. Is dat niet de kern van geloof: vertrouwen? Daarin oefen je jezelf en elkaar binnen die kerk waarop we allemaal wel kritiek hebben maar die ons ook ons thuis bezorgt, in Jezus' naam.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden