Waarom opleiden tot bijstandstrekker?

Is 17 000 studenten kunst te veel voor Nederland? Ja, vindt staatssecretaris Nuis van hoger onderwijs. Er zijn toch al te veel werkloze kunstenaars, meent hij.

In zijn vorige week uitgelekte notitie 'Herstructurering kunstvakonderwijs' neemt hij de sector flink op de schop: die moet 10 procent van z'n budget inleveren en kleiner, selectiever worden. Net als bij artsen, moet de arbeidsmarkt gaan bepalen hoeveel studenten een kunstopleiding binnen mogen. Is het dan zo vreselijk om een arme kunstenaar te zijn en zo duur om ze te onderhouden?

Jonathan Richter studeerde in 1994 als theatervormgever af aan de AKI, de Enschedese kunstacademie. Dat is bepaald geen 'vrije' richting, zoals de opleiding tot schilder of beeldhouwer. Die maken helemaal zelf uit wat ze doen, hoe, wanneer. Een theatervormgever ontwerpt (en maakt) het decor, de belichting en de costuums voor theaterprodukties: voor bedrag x, in y tijd.

Twee jaar na afstuderen werkt Richter al niet meer in de sector waar z'n opleiding over ging, de theaterwereld. Zijn jaargenoten van toen ook niet. Ze gingen de architectuur in, het binnenhuiswerk of, zoals Richter, de videoprodukties. Hij begon daarin een eigen bedrijf. Want het kan best zijn dat hij als vrij kunstenaar nóg slechtere kansen op betaalde opdrachten zou hebben gehad, in zijn 'toegepaste' richting viel het hem toch ook niet mee.

Richter: “Werken in de theaterproduktie komt er op neer dat je, voor een fles wijn en een boekenbon, voor duizend gulden materiaalkosten een decor maakt voor een amateurgezelschap en dat je intussen leeft van een uitkering. Daar had ik helemaal geen zin in. Ik heb ook nooit een uitkering gehad, maar er altijd schoonmaakwerk naast gedaan. Maar het gaat tegenstaan, als je wél de waardering en het applaus krijgt, maar niet de betaling. Een beroepsgezelschap wil je pas hebben wanneer je veel ervaring hebt. Maar ervaring opdoen kost veel tijd: elke produktie kost drie, vier maanden. Want omdat die amateurs weinig geld hebben, willen ze dat je niet alleen het ontwerp maakt, maar het ook uitvoert.”

Tegenwoordig kost Richter 1500 gulden per dag. Een collega-decorbouwer verdient nu in de binnenhuisarchitectuur 2500 gulden per stoel (en zette er 30 af) voor een ontwerp waarvoor hij bij een theatergroep niets kreeg.

Richter, in- en weer uitvliegende vogel in de kunsten, zit vol kritiek op de academie: “Je leert er kunstjes maken, maar je leert er niet hoe je jezelf aan de man brengt, niets van boekhouden en weinig van de praktische techniek van decors maken. Dat maakt de stap van de academie naar de beroepspraktijk nog extra moeilijk. Kom je bij de Kunstuitleen, dan zie je dingen hangen die ik nog niet eens geléénd aan de muur wil hebben. Misschien heeft Nederland wel meer een kwaliteitsprobleem dan een getalsprobleem.”

Hij vermoedt dat het de erfenis is van de jaren dat de kunstacademies niet erg kritisch waren wie ze binnenlieten, omdat elke extra student toen extra geld betekende. Op de kunstacademies veranderde dat in 1991, op de conservatoria drie jaar later. Sindsdien daalde het aantal kunststudenten met 27 procent.

Richter is een uitzondering als het gaat om zijn weerzin tegen een uitkering. In Nederland leven tussen de 12 000 en 15 000 kunstenaars van de bijstand, samen à raison van 200 à 300 miljoen per jaar. Vooral beeldend kunstenaars en acteurs leven zo. Musici hebben vaak een paar deeltijdbanen die samen het minimumloon opleveren.

Waarom zouden we jaarlijks zo'n 250 miljoen uitgeven aan kunstopleidingen, wanneer de afgestudeerden - de 'vrije kunstenaars' voorop - uiterst moeizaam aan de bak komen, vindt Nuis. Want de jongste prognoses mogen dan wel uitwijzen dat de slechte kans op werk in de kunsten lijkt te verbeteren, groot zal hij niet worden. Nuis wil vanaf 2001 25 miljoen per jaar op de opleidingen korten. Het studentenaantal moet ook verder terug. De daling van 21 000 in 1988 tot 17 000 dit jaar is de bewindsman niet genoeg.

Hoeveel kleiner de opleidingen precies moeten worden vertelt Nuis pas met Prinsjesdag, maar 25 miljoen minder komt neer op 250 fulltimers minder. Fulltime-docenten zijn op conservatoria en kunstacademies echter schaars: meestal geven ze een dag in de week les naast hun eigenlijke werk. In de praktijk zal Nuis' plan dus een veelvoud van 250 mensen treffen. Over de consequenties voor het wachtgeld bevat Nuis' notitie overigens geen woord.

Mei Hwa Tan, hoofd van het stafbureau onderwijs van de Amsterdamse hogeschool voor de kunsten (2600 kunststudententen, bijna 550 docenten), denkt dat een korting van 10 procent op het budget neerkomt op een veel grotere daling van het aantal studenten: “Je bezuinigt pas, wanneer je één in plaats van twee groepen kunt maken. Een klas van 20 studenten omzetten in een klas van 18 levert natuurlijk niets op.” Maar omdat een muziekopleiding een zekere omvang moet hebben - om een orkest te kunnen maken - verwacht ze dat Nuis' plan in de praktijk neerkomt op veel ingrijpender gevolgen: fusie, zo niet sluiting, van complete opleidingen.

Karin Jürvinen is een keramiste van 44. Ze studeerde in 1977 af op de Rietveld Academie. Ze maakt grote, kwetsbare kunstwerken. In termen van exposities is ze een heel succesvolle keramist. New York, Gent, New York, in eigen land de ene na de andere expositie, in galerie na galerie.

In termen van geld ziet Jürvinens loopbaan er anders uit. Een goed jaar, dat is een jaar waarin ze voor 15 000 gulden werk verkoopt. Een slecht jaar is er een waarin ze 10 000 gulden verdient. Ze verklaart dat uit de aard van haar werk: zo'n groot, breekbaar ding maakt potentiële kopers zenuwachtig. Die willen dat niet in huis halen, bang voor brokken.

Jürvinen leeft van de opvolger van de BKR-regeling voor kunstenaars: ze is uitverkoren voor een 'basisstipendium'. Dat betekent dat ze voor twee jaar 57 000 gulden krijgt en intussen werk mag verkopen. Maar omdat ze niet veel verkoopt, leeft ze in de praktijk van het stipendium.

Nuis' opvatting dat er te veel kunstenaars zijn die van de bijstand moeten rondkomen en dat de kunstopleidingen daarom kleiner moeten, vindt ze “belachelijk. Hoe kunnen er nou te veel kunstenaars zijn. Het is heel goed voor de kunst als er veel zijn. Er moet een brede basis zijn om een goede top te kunnen hebben. Als je alleen een kleine top subsidieert, krijg je iets onnatuurlijks, iets incestueus. Het is een enorm misverstand dat 'verkopen' betekent: 'goed zijn'. Het is ook een misverstand dat een kunstenaar met een basisstipendium 'beter' is dan een kunstenaar zonder.”

Nuis' nota bevat ook een prikkelende passage over buitenlandse studenten. Wie van buiten de EU komt, moet van Nuis de echte kosten van de opleiding gaan betalen. Op de Amsterdamse hogeschool voor de kunsten komen 595 (van de 2 600) studenten uit het buitenland, van wie 82 van buiten de EU. Zij zouden niet langer 2400 gulden collegegeld moeten betalen, maar bijna 9 500 (beeldende kunst), 11 000 (muziek) of 20 000 gulden (theater). In Amsterdam zou dat minstens zes ton opleveren - als buitenlanders bij zulke tarieven althans blijven komen. Maar buitenlanders moeten vooral niet te gemakkelijk worden toegelaten, vindt Nuis, suggererend dat het kunstonderwijs ze nu toelaat om financiële problemen te voorkomen.

Mei Hwa Tan: “Dat is een schandelijke, volledig uit de lucht gegrepen opmerking. Buitenlandse studenten worden toegelaten als ze goed zijn. Net als Nederlandse studenten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden