Waarom moeten ze altijd mij pesten?

Beeld Getty Images

Als kind werd freelance-journalist Robert Visscher gepest. Nu hij zelf twee zoons heeft, leert hij ze dat ze flink van zich af mogen bijten. Hij belt met zijn moeder over wat zij zich van het pesten herinnert, en waarom ze eigenlijk niet ingreep.

Na de zwemles drommen de kinderen samen in de kleedkamer en begint de strijd om de douches. De grote kinderen zijn het snelst en weten er een aan de zijkant te bemachtigen. De andere kinderen, onder wie mijn verlegen zesjarige zoon, staan rillend in het midden van de ruimte te wachten. Aan het plafond hangen extra douchekoppen, die alleen aan gaan bij drukte. Maar het duurt altijd even voordat ze het doen.

Er zijn nog wel twee douches in de hoek vrij, maar daar komt ijskoud water uit. De kinderen blijven er uit de buurt, maar twee jongetjes duwen snel mijn zoon daaronder. Hij gilt het uit van de kou, loopt snel weg en begint te huilen. Zijn tranen vermengen zich met het warme water dat nu eindelijk uit de douchekoppen aan het plafond komt. De jongens lachen hem uit.

Flashbacks

Flashbacks van vroeger schieten door mijn hoofd. Ik wil er niet aan denken. Ik kan nu ook niet naar mijn zoon toe zonder compleet nat te worden. Ik heb zijn handdoekje al in de aanslag om hem straks af te drogen. Ik blijf staan. Niet omdat mijn kleren niet nat mogen worden, maar omdat ik niet wil helpen. Mijn zoon moet dit zelf oplossen. Ik probeer hem te leren om voor zichzelf op te komen.

Terwijl deze gedachte door mijn hoofd raast, pakt mijn zoon de bovenarm van een van de jochies. Met een ferme ruk duwt hij de pestkop nu onder de koude douche. De jongen gilt en mijn zoon lacht. De kinderen om hem heen lachen mee. Het jochie loopt langzaam weg naar een warme douche. In de weken daarna proberen de ventjes regelmatig kinderen onder de koude stralen te krijgen, maar nooit meer mijn zoon.

“Zag je dat papa?” vraagt mijn zoon als hij klaar is met douchen en ik hem de handdoek aangeef. “Dat mag toch van jou?” Ik knik. Als iemand hem expres slaat of schopt, mag hij van zich afbijten. Zo hebben wij hem dat geleerd.

Niet de gangbare manier

Misschien is het niet de gangbare manier van opvoeden, maar ik zou het niet anders willen. Ik wil mijn zonen van drie en zes jaar weerbaar maken. Als hun kwaad wordt gedaan mogen ze zich stevig verweren. Maar uiteraard alleen dan. Zelf beginnen of andere kinderen klieren is verboden.

Tot die beslissing kwam ik niet zomaar. Ik ben vroeger veel en langdurig gepest. Ik was een onzeker jongetje en snel bang. Ik viel op omdat ik altijd een kop groter was dan andere kinderen en daardoor een makkelijk doelwit. Bovendien leerden mijn ouders mij om nooit geweld te gebruiken. Ze noemden zichzelf pacifist, zelfs speelgoedpistooltjes kwamen er niet in bij ons thuis. “Ik ben een keer geslagen. Dat gebeurde in een kroeg”, vertelde mijn vader vroeger. “Toen heb ik me omgedraaid en ben ik naar huis gegaan.”

Mijn opa was politieman en had mijn vader op zo’n autoritaire manier opgevoed, dat hij geen agressie in zijn eigen leven wilde.

Met de paplepel

Dit kreeg ik daardoor met de paplepel ingegoten: dreigde er geweld, dan maakte je je uit de voeten. Het gevolg was dat ik doodsbang was om klappen te krijgen. Zodra iemand me wilde slaan, brak het zweet me uit.

Nu voed ik dus anders op dan mijn ouders. Mijn zoontje lijkt op mij als kind. Hij is dolenthousiast en druk als hij iets leuk vindt. Hij heeft veel fantasie en kan daar helemaal in opgaan. En wordt ontzettend kwaad als iemand liegt of hem onrecht aandoet. Nieuwe dingen vindt hij eng, ze maken hem onzeker.

Als hij ergens voor de eerste keer komt, trekt hij zich terug in zijn schulp. Zo was ik ook. Ik heb daar steeds beter mee om leren gaan, bij mijn zoontje houd ik scherp in de gaten of het hem in de weg zit. Zoals bij die douches na het zwemmen. Pesten is niet aan de orde, en hij loste het prima op.

Om de vier jaar

Wij verhuizen tijdens mijn jeugd ongeveer om de vier jaar. Ik woon in kleine dorpjes in Drenthe en Groningen. Overal pesten ze mij, maar het ergst in een klein plaatsje vlak bij Assen. Ik woon er vanaf mijn negende.

Daar woont ook een jongen - laten we hem Bart noemen - die het populairst is. Hij heeft de nieuwste Nike Airs, is verreweg de beste voetballer van het dorp, de knapste meisjes willen verkering met hem en hij bepaalt wie cool is. Het eerste jaar kan ik prima met hem opschieten. We spelen samen in het lokale voetbalteam. Maar dan gaat het mis.

“Waarom bepaalt Bart hier eigenlijk alles?” vraag ik na ruim een jaar aan teamgenoten als hij er niet bij is. Dat had ik beter niet kunnen doen. Eerst geven mijn vriendjes mij gelijk en beginnen ze een klaagzang over ons vriendje. Maar al snel hoort Bart wat ik deed. Daarna ken ik buiten de vier muren van ons huis zelden nog rust.

Meteen

Het begint meteen nadat Bart heeft gehoord van mijn vraag. Ik loop het schoolplein op, groet de kinderen in mijn klas. Niemand zegt wat terug. Ik roep nog een keer “hoi”. De kinderen draaien zich om. Ze lopen bij me weg, waar ik ook heenga. Alsof ik een onzichtbaar schild om me heen heb dat ze verdrijft. Daarna spreekt een groot deel van de klas niet meer met me. Ook mijn beste vriend Peter niet. We zagen elkaar elke dag, noemden onszelf ‘broers’. Dat is allemaal direct voorbij. Bart maakt het heel duidelijk: als je voor Robert bent, dan ben je tegen mij.

Dit duurt niet een paar dagen, maar jaren. Na de brugklas van de middelbare school zitten we beiden op een andere school, maar dan zie ik Bart en zijn maten nog vrijwel elke dag in ons dorp of bij mijn voetbalteam.

Mijn leven bestaat op dat moment voor een groot deel uit voetballen. Bij onze club is Bart de ster. Hij kan geweldig tegen een bal trappen. Het grootste talent van de voetbalvereniging. Wekelijks komen er scouts naar hem kijken, later speelt hij in de jeugd van eerstedivisieclub FC Emmen.

Schoppen en slaan

Op de voetbaltraining knijpen teamgenoten mij als de trainer het niet ziet, later wordt het erger. Ze schoppen en slaan me. Niet heel hard en niet elke keer, maar wel wekelijks. Bart gebruikt bijna nooit zelf geweld, maar hij zet wel iedereen tegen mij op.

Zo mept teamgenoot Roel mij plots op mijn kin tijdens een training. Ik ga volledig door het lint. Ik was zo bang om geslagen te worden en nu gebeurt het. Met grote uithalen jank ik, met mijn 1.80 lang en veertien jaar oud, in de kleedkamer. Ik kan niet meer. Ik wil niks meer. Ik open mijn ogen en zie hoe Bart goedkeurend knikt naar Roel. De trainer roept ons bij zich en zegt dat we ons koest moeten houden. Ik protesteer. Maar de trainer zegt: “Waar twee vechten hebben twee schuld.”

Overal

Het pesten is overal. Elke doordeweekse dag fiets ik langs bossen, weilanden en boerderijen naar de middelbare school in Assen. Ik sta op de pedalen om zo snel mogelijk te gaan. Soms lukt het me binnen twintig minuten op school te komen, in plaats van dertig. Niet omdat ik zo graag in de klas wil zitten, maar omdat ik dan de grote groep jongens uit mijn dorp niet tegenkom. Of ze zo snel voorbijfiets dat ze me niet opmerken. Soms zijn ze met wel twintig tegelijk.

Ik fiets alleen.

Als een van hen me opmerkt, beginnen ze te zingen. “Trees kontjerees”, klinkt het op het deuntje van de spaghettiwestern ‘The Good, the Bad and the Ugly’ van Enrico Morricone. Mijn moeder heet Trees.

Knalrood

Ik doe net alsof ik het niet hoor, maar vrijwel meteen wordt mijn hoofd knalrood en branden tranen in mijn ogen. Een jongen probeert me af te snijden door zijn fiets snel opzij te gooien als ik de groep passeer. Ik weet hem net te ontwijken door een stuk door de berm te gaan. Een ander schopt tegen mijn rugtas aan, die achter op mijn fiets vastzit. Als ik al een heel stuk verder ben, durf ik pas over mijn schouder te kijken. Ik zie ze nergens meer. Maar ik hoor het liedje nog steeds. Het zit in mijn hoofd. “Treeeeees Kontjereeeeeeeeees.”

Als dit nog een paar keer gebeurt, besluit ik een andere route te nemen, langs het kanaal. Dat is een flink stuk om. Maar dat doe ik liever dan dit weer meemaken.

Tijdens de voetbaltrainingen fluiten sommige teamgenoten het liedje steeds. Dan kijkt bijna iedereen me aan. Ik probeer zo gewoon mogelijk voor me uit te staren.

Lievelingsfilm

Wat me niet lukt. Wat de pesters niet weten, is dat ‘The Good the Bad and the Ugly’ een van de lievelingsfilms van mijn vader is. Hij kijkt er regelmatig naar. Als hij de film aanzet, klinkt het muziekje en vertrek ik naar mijn kamer.

Mij heeft altijd verbaasd dat niemand ingreep. De leraren moeten geweten hebben hoe ik werd gepest. De voetbaltrainers natuurlijk ook. Ik ben in die jaren vaak ziek, omdat ik dan niet naar buiten hoef. Daar moppert de school wel over, maar daar blijft het bij. Een keer is er een gesprek, maar er wordt niet doorgevraagd. En mijn ouders?

Thee

Mijn moeder heeft wel door hoe moeilijk ik het heb. Ze nodigt de moeder van Bart uit om thee te drinken. Eigenlijk hebben we veel gemeen. We wonen in dezelfde straat in een rijtjeshuis en komen uit een middenklassegezin. We groeien op met dezelfde hobby’s: voetballen en computerspelletjes spelen. Maar de verschillen in opvoeding, karakter en gedrag hadden niet groter kunnen zijn.

Dat blijkt ook uit het verloop van het bezoek. Mijn moeder zit klaar met de thee als de deurbel gaat. Met haar jas nog aan loopt de moeder van Bart binnen. “Ja, ik wil alleen maar dit zeggen, maar jullie roepen dit over jezelf af, hoor. Bart is een leider. Dat is nu eenmaal zo. En Robert, die is zo onzeker. Als je wilt dat het stopt, dan moet hij maar weerbaarder zijn.”

Ze loopt de deur weer uit. De ingeschonken thee blijft onaangeroerd.

Wat moet je verder

Mijn moeder vertelt mij dit verhaal nadat ik haar heb laten weten dat ik dit artikel schrijf. “We hebben er dus alles aan gedaan”, zegt ze. “Want wat moet je verder, als iemand zo reageert?”

Nadat ze dit heeft verteld, is het even stil. Dan schreeuw ik door de telefoon of ze echt zeker weet dat dit alles is wat ze voor me kon doen. Ik schrik er zelf van. Of ze er niet aan had gedacht meer voor me op te komen in plaats van zo conflictvermijdend te doen. En dan vraag ik of ze soms niet weet door wat voor hel ik ben gegaan. Ik schreeuw zo hard dat mijn vrouw vanaf een andere verdieping van ons huis geschrokken naar me toe rent omdat ze denkt dat er iets ergs is gebeurd.

Mijn moeder weet niet goed wat te zeggen. En ik ook niet meer. Als ik heb neergelegd, vind ik het ontzettend gemeen dat ik zo heb gereageerd. Ik ben gek op mijn ouders en heb een warme band met ze. Waarom moet mijn moeder zich verantwoorden? Bart en zijn moeder moeten zich kapot moeten schamen, vind ik. Maar dat doen ze niet.

Nergens ter verantwoording

Ze werden toen ook nergens ter verantwoording geroepen. Pestprotocollen bestonden nog niet. Ik dacht daarom dat het nu wel heel anders zou zijn op scholen. Je hebt counselors en psychologen en in klassen maken leerlingen afspraken met elkaar dat je niet mag pesten. Geweldig. Maar tegelijkertijd lees ik ook nog altijd verhalen over kinderen die zelfmoord plegen omdat ze gepest worden. Vaak hebben ze dan al eerder signalen afgegeven, maar werd er amper naar ze geluisterd.

Er lijkt bar weinig veranderd te zijn.

Mijn verleden zit me niet voortdurend dwars. Ik heb fijne vrienden, een geweldig gezin. En nu is het juist een voordeel dat ik bijna twee meter lang ben en veel in de sportschool zit. Dat maakt me zelfverzekerd. Ik woon in een ander deel van het land en kom nooit mensen van vroeger tegen. Op mijn familie na zie en spreek ik helemaal niemand meer van voordat ik zeventien was. Ook niet via sociale media. Het zijn spoken uit het verleden. Alleen bij nachtmerries over vroeger komen ze nog wel eens terug.

Invloed

Het pesten heeft wel invloed gehad op de vraag of ik kinderen wilde. Ik was bang dat veel nare herinneringen weer boven zouden komen en vreesde dat mijn kinderen gepest zouden worden. Nu wil ik dat mijn zonen voor zichzelf opkomen. In tegenstelling tot mijn conflictvermijdende ouders mogen ze van mij, als iemand ze mept, terugslaan. En hard ook.

Samen met mijn gezin bezoek ik het kinderpretpark Plaswijckpark in Rotterdam. Hun favoriete attractie is een grote badkamer. Twee badkuipen staan tegenover elkaar en vandaaruit schiet je met luchtdrukballen naar elkaar. Ze gillen van plezier. Dan komen grotere jongens de attractie binnen. Zij schieten niet alleen met de zachte ballen, maar gooien er ook mee. Ze vinden al snel hun slachtoffer, een jongetje dat net doet alsof het hem niet deert, maar het overduidelijk wel vervelend vindt. Niet mijn zoon, maar een ander ventje.

Mijn vrouw zegt: “Zo keek jij volgens mij vroeger ook uit je ogen.” Een ander jongetje zegt met bravoure dat de oudere kinderen moeten ophouden, en dat maakt indruk. De rust keert terug. Onze zonen hebben niks doorgehad. Ze blijven schieten met ballen, joelen en juichen.

De namen van Bart, Peter en Roel zijn gefingeerd.

Ook gepest?

Is het u als kind overkomen? En welke boodschap geeft u uw kind mee? Laat het ons weten in max. 120 woorden, ovv uw naam en woonplaats op tijdpost@trouw.nl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden