column

Waarom ik gemengde gevoelens heb bij de strijd tegen tabaksfabrikanten

Beeld ANP XTRA

‘In de jaren tachtig had je dokter Meinsma,’ las ik ergens in de discussie over de beoogde rechtszaak tegen tabaksfabrikanten. Die naam is zo ongeveer synoniem geworden met de strijd tegen de sigaret. 

Zo synoniem dat de chronologie eronder is gaan lijden. In de jaren tachtig had Meinsma zich al lang teruggetrokken uit alle waarschuwingscampagnes tegen het roken, zo lees ik in het archief van deze krant. Tien jaar is dokter Meinsma alweer dood – en pas nu ontdek ik dat hij Lenze heette. Voor mij zal zijn voornaam altijd ‘dokter’ blijven.

Ik weet niet wat Meinsma van de huidige juridische campagne gevonden zou hebben. Hij was nogal koppig en onberekenbaar, zo maak ik uit zijn necrologie op. In de schadelijke invloed van meeroken heeft hij nooit geloofd. En erg streng in de leer lijkt hij ook niet te zijn geweest. ‘Als roken de gezelligheid kon verhogen, dan moest dat maar,’ schrijft Trouw.

Ik zat nog op de lagere school toen ik zijn naam voor het eerst hoorde. Vóór 1966 moet dat geweest zijn; niks jaren tachtig. Mijn vader vertelde over de ouderavond waarop ‘dokter Meinsma’ was komen spreken. Hij ging daar niet zomaar naartoe. Als ik diep in mijn geheugen graaf, zie ik hem nog met een zelfgerolde sigaret tussen de vingers. Hij rookte shag van het merk Captain Grant: een laatste herinnering aan het diepe verlangen de zee op te gaan dat hij terwille van zijn gezin opgaf. Als troost bladerden we soms door het plakboek met de plaatjes van grote oceaanstomers die bij elk doosje shag werden meegeleverd.

Het goede voorbeeld

Na die avond heeft mijn vader nooit meer gerookt. Hij deed dat niet voor zichzelf, geloof ik. ‘Als je je kinderen voor de tabak wilt behoeden, moet je zelf het goede voorbeeld geven,’ had dokter Meinsma gezegd. Niet om hen voor meeroken te behoeden, maar om wat toen nog gewoon morele verantwoordelijkheid heette. Die zat er bij die generatie diep in – en dat eiste zelfopoffering. Na zijn gedroomde zeemanscarrière zei mijn vader ook de laatste Captain-Grantherinnering daaraan vaarwel: de sigaret.

Ik weet niet of hem dat moeite heeft gekost. Ik moet het hem eens vragen, want mijn vader leeft nog. Ook dat heb ik waarschijnlijk in belangrijke mate aan dokter Meinsma te danken. Net als mijn eigen geheelonthouderschap waar het tabak betreft, en dat van mijn zusjes en mijn broer. En van de kinderen van de nieuwe generatie. In de min of meer onmiddellijke familieomgeving ken ik eigenlijk niemand die (nog) rookt.

Helemaal vanzelf ging dat niet. Weinig had het gescheeld of ik had het allemaal verpest. Als de aanstormende intellectueel die ik als jong student graag in mijzelf ontwaarde, leek een pijp mij een passend en misschien wel onmisbaar attribuut. Lang heeft het niet geduurd voordat ik de aanstellerij en flauwekul daarvan inzag. Maar helemaal immuun was ik niet voor de aantrekkingskracht daarvan.

Gemengde gevoelens

Daarom heb ik gemengde gevoelens bij de huidige campagne om tabaksfabrikanten voor de rechter te brengen. Jawel, het is allemaal niet fraai wat ze gedaan hebben. Wie zich de eerste afleveringen van ‘Mad Men’ nog herinnert, weet hoe de gevaren van de sigaret toen al werden weggeschoffeld onder gewiekste reclamecampagnes – en dan hebben we het over de jaren vijftig. Wat er allemaal niet in de tabak verwerkt werd om mensen aan het roken te houden: moreel en juridisch mag daar hard over worden geoordeeld.

Maar moeilijker heb ik het met het argument van een aanklaagster die in deze krant werd geciteerd. ‘Ik doe het ook voor mijn eigen vier kinderen’. Dat lijkt als twee druppels water op wat mijn vader zei. Maar hij had het niet over het aanklagen van anderen; hij had het over zichzelf. En daar trok hij zijn conclusies uit, jaren voordat de aanklaagster in kwestie geboren werd en ook ik bijna voor de verleiding zwichtte. Omdat ouders allereerst zèlf een verantwoordelijkheid hebben, lang voordat ze die aanwijzen in het gedrag van anderen. En omdat wat in de jaren zestig nog nieuw klonk, decennia later algemeen besef geworden was.

Stiekem noem ik die radicale beslissing van mijn vader soms een soort heldendaad. Hij deed het zonder veel ophef en onopvallend, vanuit het evidente plichtsbesef van wie zichzelf helemaal niet heldhaftig hoeft te vinden. Over zijn mannengeneratie werd later hard geoordeeld: ze zouden nog geen eitje kunnen bakken. Maar wat ze moesten doen, deden ze wel, met een Meinsma-achtig soort koppigheid. Hij was net iets jonger dan ‘de dokter’ en heeft hem overleefd. Een eitje bakken gaat inmiddels nèt.

Ger Groot doceerde filosofie aan de universiteiten van Rotterdam en Nijmegen. Voor Trouw bekijkt hij de actualiteit door een filosofische bril. Lees hier meer columns.

Lees ook: Dit is waarom volgens advocate Bénédicte Ficq de tabaksindustrie voor de rechter moet

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden