Waarom ik blijf Die kerk is óók van mij

„Ik begrijp wel dat ze niets meer met die kerk te maken willen hebben.” Affaires rond een oorlogspaus, een holocaustontkenner, de hostierel en het kindermisbruik brengen Vaticaankenner Stijn Fens aan het wankelen. „Waarom zou ik blijven bij een kerk die zoveel fout doet?”

Een jaar geleden zat ik in het radioprogramma ’Tijd voor Twee’ van Frits Spits. Paus Benedictus had net besloten de holocaustontkenner en bisschop, Richard Williamson, weer op te nemen in de katholieke kerk. Spits introduceerde mij als „Stijn Fens, Vaticaankenner en zoon van de vorig jaar overleden literair criticus en gerenommeerd katholiek Kees Fens”.

Frits Spits schetste een weinig vrolijk beeld van de katholieke kerk: een archaïsch instituut dat het contact met de moderne tijd heeft verloren, vrouwen onderdrukt en antisemieten terughaalt in haar gelederen. „Stijn, vanochtend heeft een kleinzoon van Thomas Mann laten weten dat hij zich als katholiek laat uitschrijven. Wat doet de zoon van Kees Fens?” Goeie vraag. Waarom zou ik blijven bij een kerk die zoveel fout doet?

Het gruwelijkst vond ik het verhaal van de elfjarige Dolf in NRC Handelsblad. Toen hij na een vliegreis alleen in Nederland aankwam, werd hij warm onthaald op een internaat van – hoe ironisch – de Broeders van Liefde. Binnen drie weken werd hij misbruikt. Het allerergste, zegt Dolf nu, was de combinatie van eenzaamheid, onveiligheid en heimwee. „Mijn ouders waren ver weg. Ik kon geen kant op.” In een brief zijn nood klagen kon ook niet. Alle post aan en van de leerlingen werd door de broeders gecontroleerd.

Op een winderig industrieterrein in Amsterdam, waar de kwaliteitsdagbladen van ons land proberen te overleven, kom ik Jan Mulder tegen. „Stijn, ik heb je serie over het Vaticaan gezien. Dan liep je door zo’n práchtige zaal en even later was je in een nóg mooiere zaal, schítterend programma!”, zegt hij uitgelaten. „Maar het valt tegenwoordig niet mee in die kerk, met die Eijk en al dat gedoe.”

„Nee Jan, het valt soms niet mee.”

„Weet je wat je moet doen, Stijn? Je moet de kerk langzaam maar zeker verlaten en daar een programma over maken. Dan ga je al die kardinalen in Rome vertellen dat je het niet langer pikt.”

Ik zie het al voor me. Een lift brengt me naar de Tweede Loggia in het Apostolisch Paleis. Kardinaalstaatsecretaris Tarcisio Bertone ontvangt me hartelijk op zijn kamer. Op de schouw een voetbal als trofee en een miniatuur Ferrari.

„Eminentie, ik hou het niet meer vol. Ik denk erover de kerk te verlaten. Geeft u mij eens een paar argumenten waarom ik zou blijven.” Het blijft even stil. „Eminentie, wat wordt het?”

Een ver familielid heeft de stamboom van de familie Fens uitgezocht. Wij gaan terug tot 1610. Zover ik kan nagaan, waren al die Fensen katholiek. Het geloof van mijn voorvaderen heeft onder meer de Tachtigjarige Oorlog, de Tweede Wereldoorlog en twee verloren WK-finales overleefd.

Er zijn nog altijd katholieke Fensen. Mijn vader nam ons mee naar Rome en naar een kerk in de Amsterdamse Kalverstraat met de merkwaardige naam De Papegaai. „Daar is de mis tenminste in het Latijn”, zei mijn vader. Ik begreep niets van die mis, maar vond het prachtig.

Mijn moeder ging met ons naar de kerk in het dorp. Met haar zong ik vol overtuiging Huub Oosterhuis en Michel van der Plas: ’Ontwaakt Gij die slaapt, staat op uit de Dood’ en ’Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde’. Ik begreep niets van die teksten, maar vond het prachtig.

Nu voed ik mijn kinderen, zo goed en zo kwaad als het gaat, katholiek op. Mijn zoon heeft zijn Eerste Communie gedaan en geeft sinds die dag niet veel meer om het katholieke geloof. Mijn dochter lijkt daar meer talent voor te hebben. Als ik haar broer probeer te overtuigen van het feit dat God toch echt wel eens heel goed zou kunnen bestaan, luistert ze aandachtig mee. Als ik mijn poging bij gebrek aan succes even staak, vraagt ze: „Papa, geloof ik wél in God?” Moet ik voor haar niet bij die kerk blijven? Anders stopt de lijn die in 1610 begon bij mij.

Mijn vader had een tante in het klooster. Ook zo’n uitdrukking die inmiddels op het kerkhof van de taal ligt: een tante in het klooster. Tante Ivona. Als klein jongetje keek ik tegen tante Ivona op, want ze was, zo beweerde althans mijn vader, een heilige. Omdat ze vijftig jaar lang, elke dag, de nooit vuile kapel van haar klooster had schoongemaakt. Later ontmoette ik in mijn werk voor de KRO nog meer heiligen: Don Peppino, de priester die het tegen de camorra opnam, de Italiaanse zuster die met weeskinderen uit Soedan vluchtte, de oud-generaaloverste van de jezuïeten pater Hans-Peter Kolvenbach, die elke dag om drie uur opstond en dan eerst een paar uur ging bidden. Zolang een kerk voorbeelden heeft om je aan te spiegelen, blijf je. Ik heb er steeds minder.

Begin jaren negentig maakte ik voor ’Kruispunt TV’ reportages over seksueel misbruik door priesters in Amerika.

Na de eerste uitzending belt mijn vader. „Jongen, ik ben er helemaal kapot van. Ik heb erom gejankt.” Aan zijn stem hoor ik dat hij nog steeds geëmotioneerd is. „Maar als het in Amerika zo wijdverspreid is, dan moet dat hier ook gebeurd zijn. Ook bij mij op school. Maar ik heb er nooit iets gemerkt.”

Dan mengt mijn moeder zich in het gesprek. „Ach kom op nou Kees, over pater X gingen ook al verhalen.”

„Maar ik heb het niet gemerkt, echt niet”, houdt mijn vader vol. „Ik vind dat zo iemand nooit meer de mis kan doen. Dan ontheilig je het allerheiligste.”

Enige jaren voor zijn dood hervond mijn vader zijn geloof. Door de kerk te verlaten raak ik ook verder van hem verwijderd.

Ik kijk naar ’De Wereld Draait Door’. Antoine Bodar in gesprek met een aantal slachtoffers. Bodar verschijnt in alle televisieprogramma’s deze crisisdagen. Hij lijkt de laatst overgebleven Nederlandse katholiek. Matthijs van Nieuwkerk vraagt aan de slachtoffers: wat is er met u gebeurd? Een man vertelt dat hij met de pater mee mocht om een plaatjesboek te bekijken. Eén hand lag plotseling op zijn schouders, een andere verdween tussen zijn benen. Dat valt nog mee, denk ik, en ik schrik van mijn reactie. Na tientallen misbruikverhalen, het een nog gruwelijker dan het ander, leg je als consument de lat ongemerkt toch een beetje hoger. Opeens besef ik dat de mannen die hun ziel op tafel leggen, allemaal katholiek zijn. Net als ik. We zijn een beetje familie. En ik begrijp wel dat ze niets meer met die kerk te maken willen hebben.

Naar aanleiding van de tv-serie schrijf ik een boek over het Vaticaan. Een kijkje achter de schermen bij de paus. Het moet een leuk boek worden. „Hoe kan jij een leuk boek schrijven over het Vaticaan, als er zulke vreselijke dingen gebeuren in de kerk. En die paus heeft het natuurlijk allemaal geweten. Schrijf dáárover!”, zegt een vriend. Ik vertel hem dat het een het ander niet uitsluit. Ik overtuig hem niet.

Om een beetje rust aan mijn hoofd te hebben ga ik een paar dagen naar Rome om aan mijn boek te werken. In de schaduw van de Campo dei Fiori schrijf ik over de Zwitserse garde, de suppoosten van Sint Pieter en de schoenmaker van de paus. De eerste avond eet ik met een bont gezelschap Romeinen onder wie een Nederlandse katholiek die al lang in Rome woont. Hij blijft opvallend stil als ik hem vertel hoeveel verhalen over seksueel misbruik door katholieke geestelijken er in Nederland naar buiten komen. Even later hoor ik hem tegen zijn buurvrouw zeggen dat het allemaal vreselijk is, maar dat de kerk toch niet de enige instantie is waar seksueel misbruik voorkomt. Dat geluid komt dezer dagen ook uit het Vaticaan. Ik erger me eraan. Eerst je eigen rommel opruimen, dan pas over anderen beginnen.

Ik stoor me ook aan de Italiaanse journalist Vittorio Messori die in de krant Corriere della Sera schrijft dat het allemaal de schuld is van de seksuele revolutie. Het is een argument dat de kerk al lang gebruikt om haar eigen blazoen te zuiveren. Al die vrije seks die, toen er een paar ramen te veel werden opgezet, van al die brave paters en broeders beesten maakte. Het is net zo’n slechte verklaring voor seksueel misbruik als het verplichte celibaat overal de schuld van geven, zoals de Oosterhuizen van deze wereld graag doen. Die zien in een boktor in de kerktoren nog de hand van het celibaat. Het celibaat speelt een rol, maar in afgeleide vorm. Je hebt in de katholieke kerk macht als je een man bent en voor het oog van de wereld geen seks hebt. Er loopt een directe lijn van priesters, via macht naar seks. Dát zorgt voor een ongezond klimaat in de kerk.

In Rome wordt mij geen rust gegund. Een KRO-collega aan de lijn. „Ik word doodziek van al die verhalen. Ik wou dat het ophield. Stijn, het is een heksenjacht. Je mag zo langzamerhand geen katholiek meer zijn. Waarom zijn álle priesters verdacht als blijkt dat er een paar zich te buiten zijn gegaan? Niemand heeft de Nederlandse Zwembond aangeklaagd, nadat één Benno L. In Den Bosch aan kinderen heeft gezeten.” Misschien omdat het aantal priesters en broeders dat zich heeft misdragen, het aantal zwemleraren nog altijd in ruime mate overtreft, opper ik voorzichtig.

Een dag later belt een medeparochiaan, ook aangeslagen door alle toestanden. Hij vertelt dat hij op weg was naar de kerk en is omgedraaid. „Ik wil er even niet meer bijhoren. En nu mogen we ook al geen Oosterhuis meer zingen.”

In de Nederlandse katholieke kerk komen alle rampen altijd tegelijk, ook nu weer: homohosties, seksueel misbruik en een verbod op ’vuur, ijzer, zuur en zout’.

Journalist geestelijk leven én katholiek zijn, is soms een lastige combinatie. Als Vaticaankenner heb ik een ’mooi’ jaar achter de rug met achtereenvolgens de kwestie Williamson, wel of niet condooms tegen aids, de perikelen rondom Pius XII en seksueel misbruik op grote schaal. Als journalist ben ik geneigd kritisch te kijken naar de brief van de paus aan de Ierse katholieken. Waarom geen woord over de rol van het Vaticaan zelf? Waarom laat de paus zo’n belangrijke brief voorlezen door een woordvoerder en verschijnt hij niet zelf voor alle tv-camera’s van de wereld? De leider van een organisatie moet zichtbaar zijn tijdens een crisis, vind ik. Tegelijkertijd huil ik als katholiek. Als ik op het schoolplein van mijn kinderen iemand achter me Benedictus XVI hoor omschrijven als ’een oude, seniele man’, neem ik het voor hem op. De excuses die de paus in die brief maakt, gaan voor Vaticaanse begrippen heel ver en hij is ongekend hard voor de Ierse bisschoppen.

„De zoon van Kees Fens blijft bij de kerk”, zei ik een jaar geleden vol overtuiging tegen Frits Spits. Dat kwam eigenlijk door Maarten ’t Hart die ik de avond ervoor op televisie de paus – míjn paus – had horen uitmaken voor alles wat lelijk is. Op dat soort momenten teken ik weer voor vijf jaar bij.

Los van Maarten ’t Hart: niemand krijgt mij die kerk uit. Geen incompetente pausen, geen onhandige bisschoppen en geen luidruchtige pastoors te Reusel of Oss. Tegenover elke zondaar staat in de katholieke kerk minstens één heilige. Tegenover elke Williamson staat minstens één tante Ivona. Die kerk is van mij, óók van mij. Als ik er uitstap heb ik geen recht van spreken meer. En dan zal je zien dat ik net weg ben en er twee weken later een Johannes XXIV gekozen wordt. Moet ik me zeker opnieuw aanmelden.

Bij een gemeenschap horen is een persoonlijke keuze. Wat vind je er, los van al het rumoer? De katholieke kerk geeft mij veel: de liturgie die alle zintuigen bedient, ruim vierduizend heiligen, Rome als centrum en niet Génève, kerkgebouwen waar ik overal ter wereld thuiskom. Een grote bron van wijsheid en troost. Bovendien: het kan vanaf nu alleen maar beter worden. En daar moet ik dan zelf maar een beetje bij helpen door te blijven zingen: ’Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden