Waarom Garzón wordt vervolgd

De Spaanse rechter Baltasar Garzón wordt vervolgd omdat hij misdaden uit de Franco-tijd wilde onderzoeken. Alles wijst op een wraakactie van zijn conservatieve collega’s.

De erfenis van burgeroorlog en dictatuur (1936-1975) zorgt in Spanje nog bijna dagelijks voor politieke spanning. Middelpunt in de laatste ronde van de strijd tussen ’de twee Spanjes’ is Baltasar Garzón, de rechter die wereldberoemd werd toen hij in de jaren negentig een – uiteindelijk vergeefse – jacht opende op de Chileense dictator Pinochet.

Een paar jaar geleden waagde ’superrechter’ Garzón zich, als eerste, aan de dictatuur in eigen land. Hij wilde de massamoorden onderzoeken die door de aanhang van Franco vooral tijdens, maar ook na de burgeroorlog (1936-1939) waren gepleegd. Nog steeds is niet duidelijk hoeveel mensen hierbij omkwamen, schattingen lopen uiteen van 100.000 tot 200.000 slachtoffers. Hoeveel doden er vielen in het kamp van de winnaars, de nationalisten, is wel vrij precies bekend. Dat waren er rond de 55.000.

Na de oorlog konden de winnaars de schuldigen, en vaak ook onschuldigen, straffen. Ze konden hun doden, door het regime en de katholieke kerk uitvoerig geëerd als martelaren, herdenken en ook wisten ze waar hun dierbaren waren begraven.

Voor de overwonnenen, de republikeinen, ging dat allemaal niet op. Die wisten vaak niet meer dan dat een familielid misschien, maar misschien ook niet, in een massagraf was achtergebleven. De Britse historicus Paul Preston, biograaf van koning Juan Carlos, tekent daarbij aan dat alleen een minderheid van de republikeinse slachtoffers zich te buiten was gegaan aan wreedheden, zoals het levend verbranden van monniken en nonnen. Als ze niet gelijk de kogel kregen, werden ze door een militair tribunaal van muiterij beschuldigd. Daarmee werd bedoeld dat ze de opstand van Franco en zijn militairen tegen de republiek niet hadden gesteund. De opa van premier José Luis Rodríguez Zapatero, een legerkapitein, hoorde bij de laatste categorie.

Sinds de dood van Franco in 1975 domineert de visie van de verliezers op de oorlog, die zo moreel eerherstel kregen. Voortaan waren de nationalisten de slechteriken. Maar de kwestie van de anonieme graven bleef letterlijk onaangeroerd. Pas in de laatste tien jaar zijn ’verenigingen voor het herstel van de historische herinnering’ opgericht die overal zijn gaan graven. Hun archeologische inventarisatie is alleen al zo’n omvangrijke klus dat een betrouwbaar resultaat er zonder hulp van de overheid niet in zit. Hier hoopte Garzón verandering in te brengen.

Dat het moeilijk zou worden wist Garzón, dol op controverses en camera’s, maar al te goed. In 1977 nam het parlement een amnestiewet aan. Die bepaalt dat er geen juridische procedure kan worden geopend tegen wie gewelddaden beging in verzet tegen de dictatuur. Of tegen de degenen die de mensenrechten hadden geschonden om die dictatuur te verdedigen. Zo moesten de talrijke Franquisten in leger, politie en de 200.000 schietgrage leden van de fascistische Falange, een van de steunpilaren van het geïmplodeerde regime, verzoend worden met de democratie. De wet wordt, vrijwel zeker terecht, gezien als een noodzakelijke bijdrage aan de Transición, de jaren tussen 1975 en 1978 waarin de overgang naar de democratie gestalte kreeg.

Garzón redeneerde dat hij met zijn onderzoek de wet geen geweld aandeed. Graven openen, de slachtoffers herbegraven, de omstandigheden waaronder zij omkwamen onderzoeken, voor dat alles moest ruimte zijn, meende hij. Maar zijn collega’s van het Tribunal Supremo, het Hooggerechtshof, dwongen hem in 2008 te stoppen. Waar Garzón niet op had gerekend was dat zij later ook nog een strafklacht tegen hem in behandeling zouden nemen. Die was afkomstig van verschillende extreemrechtse clubs, zoals het collectief Manos Limpias (schone handen) en wat er nog over is van de Falange. Nu loopt Garzón, in het ergste geval, het risico dat hij twintig jaar zijn ambt niet kan uitoefenen.

De vervolging van Garzón brengt links Spanje in opperste staat van mobilisatie. De ene demonstratie volgt op de andere rumoerige solidariteitsbijeenkomst waar beroemdheden als de cineast Pedro Almódovar en Pilar Bardem, moeder van acteur Javier Bardem, het woord voeren. Rechts Spanje, vertegenwoordigd door de Partido Popular (PP), antwoordt dat het recht zijn loop moet hebben. De PP noemt de bijeenkomsten van de tegenpartij zelfs ’ondemocratisch’ en ontsteekt in grote woede over ministers die ze bijwonen.

Volgens Paul Preston maakt het Hooggerechtshof zich naar zijn idee voor het oog van de hele wereld belachelijk, omdat het de indruk wekt dat het franquisme in de Spaanse justitie springlevend is. „Niet dat hij geen fouten heeft gemaakt met het oog op de amnestiewet, maar de zaak die hij aankaart is velen malen ernstiger dan wat er tegen hem te berde wordt gebracht”, zei Preston tegen het Spaanse persbureau Efe. „Wat zouden we er van vinden als een Duitse rechter geen onderzoek mag doen naar misdaden van de nazi’s?”

Justitie is ’een van de meest reactionaire elementen’ in de Spaanse staat, aldus Preston, die spreekt van een ordinaire wraakactie.

„De Spaanse justitie is erg gepolitiseerd”, zegt Sebastian Balfour, een Spanjekenner die net als Preston verbonden is aan de Londen School of Economics.

„En bij rechtse rechters is Garzón niet populair omdat hij het onderzoek leidt naar een groot corruptienetwerk in de Partido Popular. Hij wordt ook vervolgd omdat hij regels zou hebben overtreden bij het afluisteren van verdachte PP’ers.” Aanvankelijk waardeerde rechts hem wel, had hij zelfs de status van held. „Dat was toen hij de doodseskaders onderzocht die in opdracht van de socialistische regering van Felipe González leden van de Baskische Eta vermoordden. Dat onderzoek bespoedigde het vertrek van González.”

González neemt het nu op voor Garzón. „Onrechtvaardig en onbegrijpelijk”, noemt hij de gang van zaken.

Zelf is Garzón in politiek opzicht natuurlijk ook geen onbeschreven blad. Ooit overwoog hij voor de socialistische PSOE de politiek in te gaan. „Probleem is dat in Spanje politieke partijen over alle belangrijke benoemingen bij justitie gaan”, zegt Balfour. „Bepalend is het aantal zetels in het parlement. Maar de Partido Popular heeft elke poging tot hervorming van dit systeem tegengehouden en kan op die manier uitspraken die onwelgevallig zijn blokkeren.” Als voorbeeld noemt Balfour het nieuwe statuut voor Catalonië, de deelstaat die zichzelf een natie wilde noemen. „En in het algemeen heeft rechts in Spanje zich altijd verzet tegen elke serieuze poging het verleden te onderzoeken.”

Dat is jammer, constateert Balfour, want onderzoek naar het verleden is van vitaal belang voor de gezondheid van de Spaanse democratie. „Rechts is niet gedwongen tot zelfonderzoek. Ze hebben nooit afscheid genomen van een mentaliteit die hen hindert volledig democraat te worden.”

Een hard, maar onontkoombaar oordeel, vindt Balfour. Hij wijst op de agressieve retoriek die de PP gebruikte in de jaren na de treinaanslagen van 2004. Die waren volgens de partij niet het werk van Al-Kaida, maar het resultaat van een complot. Volgens een van de varianten bestond dat uit aan de PSOE gelieerde politiefunctionarissen en terroristen van de Eta. De uitslag van de verkiezingen die op de aanslagen volgden, een overwinning voor de PSOE, waren volgens de PP eigenlijk niet legitiem. „Hun oppositie in die tijd ging ver over de grens van wat gebruikelijk is in de westerse democratie. Dat was schokkend.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden