Column Hans Goslinga

Waarom de Eerste Kamer baat heeft bij rechtstreekse verkiezingen

In 1922 zei het protestantse Tweede Kamerlid Jan Schokking in een debat over de vraag of de Eerste Kamer moest worden afgeschaft: ‘De Eerste Kamer is er nu eenmaal’. Na bijna honderd jaar kun je vaststellen dat hij een punt had. 

De enige verandering is dat sinds 1983 de leden om de vier in plaats van om de zes jaar worden gekozen. Het was het magere resultaat van de democratiseringsgolf uit de jaren zestig.

Toch was het meer dan de grondwetsherziening van 1922 had opgeleverd, die was gevolgd op de onrust na de halfbakken machtsgreep van de socialist Troelstra in 1918 en de revolutionaire woelingen elders in Europa. In Nederland gaan veranderingen schoorvoetend en alleen als de druk van buiten groot is, zoals in 1848 en 1918. Voor de Eerste Kamer geldt, behalve het woord van Schokking, ook dat van het katholieke Kamerlid Nolens ‘dat niemand graag wordt afgeschaft’.

Het maakt nieuwsgierig naar hoe het kabinet straks zal reageren op het voorstel van de commissie-Remkes de macht van de Eerste Kamer enigszins te beperken. Dat zou moeten gebeuren door invoering van het terugzendrecht. Is de senaat het met een wetsvoorstel oneens, dan kan het dit met suggesties voor verbetering terugzenden naar de Tweede Kamer. Dit rechtstreeks gekozen deel van het parlement krijgt dan het laatste woord.

Politieke castratie

Om die reden moet worden betwijfeld of dat voorstel erdoor komt. Niet alleen schaft niemand zichzelf graag af, ook staat niemand in de politiek vrijwillig macht af. Het argument is dan wel dat het huis aan gezag kan winnen door de vetomacht af te staan, maar dat zal in een omgeving die gevoelig is voor macht, invloed en prestige weinig indruk maken. Veeleer zal het worden gevoeld als een politieke castratie.

Vanuit het perspectief dat de staatscommissie schetst kun je dat betreuren. De commissie ziet de meerwaarde van de Eerste Kamer, naast de kwaliteitstoets op wetsvoorstellen, in het tegenwicht dat zij kan bieden aan het coalitiemonisme in de Tweede kamer. Dat komt overeen met het argument waarmee de liberale minister Donker Curtius in 1848 het belang van de toen al omstreden Eerste Kamer verdedigde. Haar betekenis zat volgens hem ‘niet in het stichten van het goede, maar in het voorkomen van het kwade’.

Wil de senaat die rol blijven vervullen, dan zijn er voor zo’n terugzend­recht sterke argumenten. Het monisme is in ons coalitieland nooit helemaal te vermijden, maar het kan een kwaad worden als een coalitie blind vasthoudt aan haar regeerakkoord, het debat uit de weg gaat en geen acht slaat op redelijke bezwaren of nieuwe inzichten. Dan is het goed dat er nog een Eerste Kamer is die in vrijheid de vinger op zere plekken kan leggen.

De praktijk is nu in de meeste gevallen dat fracties in de senaat het stemgedrag van hun partijgenoten in de Tweede Kamer volgen. Daar worden, zoals staatsrechtkenner bij uitstek Joop van den Berg onlangs schreef, de machtsverhoudingen bepaald, niet in de Eerste Kamer. Dat verandert niet, nu het kabinet is aangewezen op steun van partijen buiten de coalitie. Steken die in de Tweede Kamer hun nek uit, dan wordt de ruimte ook voor hun geestverwanten in de senaat eerder kleiner dan groter.

Eerste Kamer rechtstreeks kiezen

Aan dit paradoxale effect is bij de jongste verkiezingen voor de Provinciale Staten, die het kiescollege vormen voor de senaat, bijna volledig voorbijgegaan. In de campagne wekten ook kandidaten voor de Eerste Kamer de indruk dat hun positie sterker zou worden als de coalitie haar meerderheid zou kwijtraken. Het tegendeel is het geval en vormt een argument niet louter vanuit het machtsmotief naar het terugzendrecht te kijken.

Zelfs kan in een nieuwe, frisse afweging de mogelijkheid worden betrokken de Eerste Kamer rechtstreeks te kiezen in plaats van getrapt via de Statenleden. Dan zijn we niet alleen af van de nationale ondermijning van de verkiezingen voor de Provinciale Staten met alle onwaarachtigheid van dien, maar kunnen senatoren met een sterkere democratische legitimatie wetsvoorstellen aan hun kritisch oordeel onderwerpen. De verhouding tussen beide Kamers komt niet meteen op scherp te staan, het spook van het coalitiemonisme wordt getemd en de Tweede Kamer kan het oordeel van de senatoren niet aan de laars lappen.

In zo’n constellatie kan een bindend referendum over wetsvoorstellen de druk op beide Kamers hun werk goed te doen, vergroten. Van raadgevende en raadplegende referenda komt alleen maar narigheid, zoals een blik over de Noordzee leert, maar een bindend referendum aan het eind van de rit als noodrem voor burgers kan de representatieve democratie versterken. Op die manier neem je burgers ernstig en draai je ze geen rad voor ogen zoals nu gebeurt. Bovendien geef je de senaat, die er nu eenmaal is, de ruimte.

Hans Goslinga schrijft elk weekend een beschouwing over de staat van onze politiek en onze democratie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden