Waarheen, waartoe?

Was de oude Wertheimer maar eeuwig blijven leven. Of was hij maar gewoon minder vermogend geweest. De absurde vete tussen Amsterdam en Rotterdam over welk van beide steden een 'Instituut voor de Beeldcultuur' zal mogen huisvesten, was misschien nooit losgebrand als de emeritus-hoogleraar en amateurfotograaf zijn nalatenschap van 22 miljoen gulden niet had voorbestemd voor een nationaal fotomuseum. Nu bereidt de Raad voor de Cultuur een advies voor aan staatssecretaris R. van der Ploeg over het op te richten instituut. Door het stedendebat is de vraag wie er eigenlijk behoefte heeft aan zo'n instituut op de achtergrond geraakt. Een steekproef in de kunstwereld.

Mattie Boom (1957), de Leidse conservator fotografie van het Rijksmuseum en voorzitter van Het Nederlands Fotogenootschap:

,,Ik vind het een goed idee. Ik herinner me nog dat ik dacht: zoiets als het Instituut voor de nieuwe media in Karslruhe of Centre Pompidou in Parijs, dat lukt hier nooit, daarvoor zijn wij te zuinig en te bekrompen. Maar nu lijkt het er toch te komen. Het is een spannend idee om bruggen te kunnen slaan tussen de verschillende gebieden. Er is momenteel veel aan het veranderen. Kinderen van zes jaar groeien op met een beeldcultuur die zo anders is dan die uit de jaren vijftig en zestig toen er nog één avond in de week zwart-wit tv werd gekeken. Zou je nu het geld tot een fotomuseum beperken, dan mis je een kans, al is het maar de kans om met het oog op die nieuwe generatie een goed digitaal beeldarchief op te zetten. Verder denk ik dat een nieuw samenwerkingsverband het werk van klassieke instellingen zoals de foto-afdeling van het Rijksmuseum niet in de weg staat. Ik hoop alleen dat er straks niet teveel gediscussieerd gaat worden over posities en besturen. Genoeg gesteggeld, aan het werk zou ik zeggen. Waar? In Rotterdam.''

Leo Divendal (1947), fotograaf en docent grafische vormgeving en fotografie aan de Rietveld Akademie te Amsterdam:

,,Hoe groter zo'n nieuw overkoepelend instituut wordt, hoe slechter het zal functioneren. Het kleine, het experimentele zal in de verdrukking komen. Op het gebied van de conservering en archivering zijn er voldoende instituten. Neem het Leidse prentenkabinet en het Stedelijk Museum. Aangezien het met die conservering en archivering wel goed zit, blijft dus het verzamelen en exposeren over. Richt je de aandacht op één groot expositiehuis, dan loop je het gevaar de dynamiek van de kleinere instellingen kwijt te raken. Kijk maar naar het Europese huis voor de fotografie in de Marais in Parijs. Dat is al tot 2003 volgeboekt met exposities. Het lijkt me geen aanbeveling. Nee, liever zou ik de middelen die nu beschikbaar gesteld worden aan één grote koepel over de bestaande instellingen zelf verdelen. De instellingen liggen ook nu al dicht genoeg bij elkaar om samen te werken, daar is niet één nieuw gebouw voor nodig. Maar als het er komt, dan hoop ik dat er een eigen opdrachtenbeleid zal worden ontwikkeld. Maar ik vrees het ergste. Want met het NFI is dat expositiehuis er nu ook al en dat heeft tot nu toe niet veel opgeleverd. Als ik moet kiezen, kies ik voor Amsterdam. Het is de historische plek van de fotografie. Ook is het daar gezelliger en zal de toestroom van toeschouwers groter zijn. Het Rotterdams filmfestival? Dat is een jaarlijks incident van twee weken. Daarna stokt het weer.''

Rineke Dijkstra (1959), fotograaf:

,,Lijkt me een prima idee, toch? Ik hou me zelf ook bezig met zowel video als fotografie en ik denk dat een combinatie van die twee hele interessante tentoonstellingen kan opleveren.''

Sonja Herst (1941), conservator van museum De Beierd in Breda:

,,Het grote voordeel van één instituut zou kunnen zijn dat er ruimte vrijkomt voor onderzoek naar de combinaties tussen fotografie, film, kunst en de nieuwe media. Maar al denkend, vrees ik toch dat de nadelen groter zijn dan de voordelen. Stel dat er met dat ene instituut ook een satellietconstructie wordt opgezet met Groningen (Noorderlicht), Enschede (Aki) en Breda (De Beierd), dan wordt de programmering voor een deel centraal gedistribueerd en kun je je als kleinere instelling nauwelijks meer profileren. Zo'n constructie gaat problemen opleveren. Hoe wordt het geld straks verdeeld en wat blijft er voor de kleinere instellingen over? Misschien is het aardiger om steeds vier verschillende tentoonstellingen te zien dan één grote. Over de inrichting van zo'n nieuw instituut en de verdeling van de middelen tussen de verschillende disciplines heb ik het dan nog niet eens gehad. Al met al ben ik geen voorstander, maar als het er moet komen, dan in Rotterdam. Met het NFA, NFI, V2 en het Internationale Filmfestival hebben zij de meeste kennis en ervaring in huis.''

Leo van der Meer (1946), directeur van de Stichting Beeldende Amateurkunst (SBA), het landelijke ondersteuningsinstituut voor beeldende en audiovisuele amateurkunst:

,,Ondanks de politieke perikelen blijft het een gouden kans. Net als de schilderkunst en fotografie vroeger zie je ook bij de nieuwe media dat het puur als amateurkunst onstaan is. Ik hoop dus dat er bij de verschillende afdelingen een knop omgedraaid zal worden en er een nieuwe houding ontwikkeld zal worden waarbij de disciplines elkaar aanvullen. Ook hoop ik dat binnen die formule op een nieuwe houding tegenover de amateurkunst gevonden zal worden. Ik kan me voorstellen dat amateurs speciale previews of introducties kunnen krijgen bij tentoonstellingen en dat er een consulent benoemd zal worden die de relatie tussen professionele en de amateurkunst nieuw leven in kan blazen. Ook moet er minimaal één vertegenwoordiger van de amateurkunst in het nieuwe bestuur komen. Dat zou de intentie van Wertheimer ook recht doen. Twee jaar geleden was er overigens nog een groeiende eensgezindheid binnen de fotografiewereld. Deze kans moest los van alle functies en belangen leiden tot één gezamenlijk concept. Maar vorig jaar heeft Felix Rottenberg plotseling de zaak op scherp gezet door Amsterdam te pushen. Dat heeft de zaak geen goed gedaan. Ik denk dat het instituut naar Rotterdam moet. Daar hebben ze inhoudelijk het beste over de mogelijkheden nagedacht.''

K. Schippers (1936), schrijver en liefhebber van film en beeldende kunst:

,,Wat ik juist altijd zo aardig vind, is dat je films op een andere plek kunt zien dan een foto- of andere tentoonstelling. Waarom moet dat allemaal bij elkaar? Laat het maar een beetje rommelig zijn. Stop je alles bij elkaar in één gebouw in Amsterdam of Rotterdam dan krijg je al snel het idee van een supermarkt. En ik vraag me af of dat in het belang is van de toeschouwer. Niet iedere filmliefhebber houdt ook van foto's. Overigens, van wie moet dat, die supermarkt? Ik bedoel, staat het Filmmuseum op instorten, lekt het foto-archief? Functioneert het NFI niet? Je kunt je geld toch ook verdelen over de bestaande instellingen? Dat het filmmuseum meer depotruimte nodig heeft, snap ik wel. En dat je die nooddepots uit de duinen wat meer binnen handbereik wilt hebben ook. Maar daarvoor offer je toch niet al die unieke filmzalen op. En neem die plek, die mooie historische plek. Dat Filmmuseum staat daar toch prachtig? Ik vrees dat het allemaal draait om de plaats waar alles getoond moet worden en niet om het werk van de kunstenaars zelf.''

Experimenteel filmmaker Joost Rekveld (1970) woont en werkt in Rotterdam:

,,Als er een instituut komt, gebaseerd op die vervagende grenzen, dan worden de interessante tussengebieden, de gekke filmpjes die nu alleen in een soort getto bestaan, ineens de kern. Interessant, maar is het haalbaar? Het Filmmuseum en de fotografie-instellingen hebben als hoofdtaak het conserveren van het Nederlands erfgoed, V2 is juist leuk omdat ze steeds nieuwe dingen ontwikkelen. Hoe kun je die zo laten versmelten dat er een coherent geheel uitkomt? De aanleiding voor deze plannen - het geld van het Wertheimerlegaat - vind ik twijfelachtig. Daarvóór is namelijk nooit iemand uit zichzelf over samenwerking begonnen. Hoos Blotkamp (directeur van het Filmmuseum) ziet kennelijk grote mogelijkheden wat betreft het digitaliseren van haar collectie. Ik ben bang dat zij V2 ziet als een facilitair bedijf, de handige jongens en meisjes met de computers die de collectie wel even zullen digitaliseren. Ik zou het tragisch vinden als V2 alleen maar voor de praktisch, platte toepassingen zou worden gebruikt, terwijl ze daar nu juist zo goed bezig zijn met nutteloze dingen. Maar als het er al moet komen, dan in Rotterdam. Ik ben hier destijds bewust gaan wonen omdat hier veel meer mogelijkheden zijn om je te ontwikkelen als filmmaker. In Amsterdam lijkt de koek al helemaal verdeeld.''

Vormgever, uitgever en verzamelaar Henrik Barends (1945) woont in Antwerpen:

,,Ik sta achter het idee van zo'n instituut, maar het hangt helemaal af van de persoon die het gaat leiden. Zo vind ik de Kunsthal veel sterker op fotografisch terrein dan het NederlandsFoto Instiuut. Wie de directeur zou moeten worden? Eigenlijk ken ik maar één persoon die dat zou kunnen: Bas Vroege, vroeger hoofdredacteur van het fotoblad 'Perspectief'. Dat is iemand die heel actief is op zijn vakgebied en ook de recente ontwikkelingen goed volgt. Als econoom zou Van der Ploeg overigens onmiddellijk voor Amsterdam moeten kiezen als vestigingsplaats voor een nieuw instituut, alleen al vanwege de infrastructuur op het gebied van de fotografie: de meeste fotografen, toeleveringsbedrijven en andere instanties zitten in Amsterdam.''

Micha Klein (1964), computerkunstenaar te Amsterdam:

,,Vroeger werd film de moeder van alle kunsten genoemd, omdat het alle andere disciplines in zich opneemt: decorkunst, mode, fotografie. De nieuwe media hebben die rol overgenomen. Ik heb computerkunst wel eens de wraak van de schilderkunst op de fotografie genoemd, omdat fotografie en film een registrerende functie hebben, die nu door de computer bedreigd wordt omdat deze een eigen werkelijkheid kan creeëren. Digitale techniek brengt alles in het bereik van de manipulatie. Daarom zou zo'n ook instituut een soort museum van de toekomst moeten worden, waarbij de collectie van het filmmuseum bijvoorbeeld helemaal digitaal is opgeslagen, via de computer toegankelijk als een bibliotheek. Zodat je, als je met een project over Godard bezig bent, je niet hoeft te wachten op een vertoning van zijn films in een zaal, maar ze gewoon in je eentje op een beeldscherm kunt bekijken. Dan zou ik het wel zinvol vinden, anders niet. En Amsterdam is natuurlijk de enige goeie plek. Het is onze enige echte hoofdstad, en we hebben hier al zo weinig. Neem nou het Stedelijk Museum, dat is toch nogal suf?''

Peter Delpeut (1956) is filmmaker, woont in Amsterdam en was tot 1995 als programmeur verbonden aan het Filmmuseum: ,,Het is een foute voorstelling van zaken om er simpelweg van uit te gaan dat fotografie, film en nieuwe media met elkaar te maken hebben. Dat moet je laten zien met een goed inhoudelijk plan. Dan pas kun je ook zeggen of zo'n instituut een goed idee is. Voor mij zou naast archivering en conservering vooral catalogisering van belang zijn: Hoe maak je het toegankelijk voor de gebruiker, met de mogelijkheid tot kruisverwijzingen tussen de verschillende archieven. Daar zouden ook de nieuwe media een belangrijke rol in moeten spelen. De archieven zouden net zo gebruikersvriendelijk moeten zijn als een bibliotheek. De locatie is niet interessant. Als er in Rotterdam een mooi 'Huis van illusies' komt, zoals ze het plan daar genoemd hebben, stap ik daar graag voor in de trein.''

De Amerikaan William Uricchio (1952) is hoogleraar Film- en Televisiewetenschap te Utrecht:

,,Op alle terreinen van beeldcultuur zijn er veranderingen gaande, vooral door de nieuwe media. Zo'n nieuw instituut, waar ik zeker voor ben, zal een soort pas de deux moeten maken tussen het bewustzijn van geschiedenis en traditie en het opnemen van de meest recente ontwikkelingen op dit gebied. Toch zie je ook in diezelfde geschiedenis dat de disciplines oorspronkelijk ook al niet zo gescheiden waren: Edison en Lumière zijn begonnen met geluid, later met film. Zelfs toen was er al sprake van multimedialiteit.

Ik vind het nieuwe Nederlands audiovisuele archief een goed voorbeeld van samenvoeging en samenwerking, waarbij de verschillende onderdelen toch hun autonomie bewaren. Het Filmmuseum en het NFI zijn instituten met goede reputaties op het gebied van conserveren, V2 heeft vooruitstrevende ideeën over digitaliseren. Ik pleit dus voor synergie maar wel met behoud van eigen, in deze gevallen sterke tradities. Waar het uiteindelijk komt is voor mij als Amerikaan minder belangrijk: die Nederlandse afstanden zeggen mij niets.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden