Waardevol briefje naar uitgever is passé

De moderne schrijver stuurt zijn uitgever en vrienden geen papieren brieven meer. Daarmee dreigt een belangrijke bron voor onderzoekers verloren te gaan, blijkt vandaag op de Dag van de Brief.

Vijf dingen die je met brieven kunt doen: lezen, verscheuren, verbranden, achteloos in een doos smijten of – als de afzender een belangrijke schrijver is – met een strikje erom naar het Letterkundig Museum brengen.

Dat laatste deden uitgevers en erfgenamen tot nog toe heel vaak, zegt Anton Korteweg, die in januari afscheid nam als directeur van het Letterkundig Museum. Anderhalf miljoen brieven staan daar in dozen en ordners te wachten op biografen.

Op de Dag van de Brief in Maastricht, georganiseerd door het Huis voor de Kunsten Limburg, staat Korteweg vandaag stil bij het belang van die brieven als bron voor onderzoekers. Maar ook bij de vraag: droogt die bron niet op, nu schrijvers hoofdzakelijk e-mailen? Wat raakt er zoek vanwege crashende computers of achteloze redacteuren en schrijvers?

Zo’n drie jaar geleden verzocht Korteweg de literaire uitgeverijen om hun digitale correspondentie met schrijvers te bewaren. Maar of dat lukt, en welke vorm de epistolaire erfenis van een schrijver in de toekomst krijgt, weet hij niet.

Zit er dan straks in de nalatenschap van uitgever Wouter van Oorschot of schrijver Ronald Giphart een keurig doosje met usb-sticks? Of mailen de erfgenamen hun correspondentie gewoon naar het Letterkundig Museum?

„Ik heb een soort oekaze uitgevaardigd”, zegt Wouter van Oorschot, zoon van de fameuze uitgever Geert, die duizenden brieven schreef aan onder anderen Gerard Reve en W.F. Hermans. „Alle medewerkers moeten hun digitale correspondentie met schrijvers opslaan.”

Maar die ’oekaze’ laat wel ruimte voor interpretatie, geeft hij toe. In het e-mailverkeer tussen schrijver en uitgeverij zitten ook veel ’chatbriefjes’: digitale kattenbelletjes, vaak slordig gespeld, zonder aanhef of aandacht geschreven. Of die bewaard worden, hangt af van de redacteur.

Zijn de schrijvers zelf zich eigenlijk bewust van de eventuele betekenis van hun e-mails voor toekomstige onderzoekers?

Dichteres Esther Jansma is wel een archivaris, maar een ’slordige’, zegt ze zelf. „Ik ben wel doordrongen van de waarde van bronnen, maar ik heb het idee dat dat niet voor mij geldt. Het heeft iets onsmakelijks om door een historische bril naar jezelf te kijken.” Alles vervalt, weet Jansma, die ook archeologe is: „En digitale informatie vervalt sneller dan papieren. Zet je e-mails of documenten op een schijfje, dan zijn die over vijftien jaar ook weg.”

Vaarwel dus schrijversbrief of -mail? Elsbeth Etty, biografe van Henriëtte Roland Holst en ook spreekster op de Dag van de Brief, ziet het niet zo somber in. Vroeger verdwenen er ook al heel wat brieven en krabbels in prullenbakken, zegt zij. Er zijn, in het brief- én in het e-mailtijdperk, gewoon bewaarders en weggooiers.

Tot die laatste categorie behoort schrijfster Nelleke Noordervliet. Zij bewaart haar e-mails niet uit ’gêne’ en ’een gebrek aan ijdelheid’: „Ik verdwijn straks in de plooien van de tijd.” Liever dát, dan straks in een stoffige kelderdoos of op een vergeten server van het Letterkundig Museum staan: „Het merendeel van de schrijvers is slib op de bodem van de rivier. En dat is niet erg.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden