Waar ze ook komen, overal is Hitler, of Honecker

Potsdamer Platz, hartje Berlijn, rond 1930. (Trouw)

Vanaf het moment dat Berlijn als metropool iets begon voor te stellen, trokken er Nederlandse en Vlaamse schrijvers naartoe. Als je alles wat ze erover schreven op een rij legt, heb je een boeiende geschiedenis van de stad.

’Als een kanaal van licht, geluid en beweging snijdt de Friedrichstrasse door de huizenwoestijn van de binnenstad. Als in de monster-dynamo van een fantastische fabriek draait het leven zich er af. Bij de kruispunten regelen rood-geel-groene lampen de polsslag van de metropolis: ieder zijn weg, ieder zijn beurt, ieder zijn tribuut van kostbare seconden aan het grote lichaam: Stad.’

Berlijn imponeert. In de jaren twintig bezochten tal van Nederlandse en Vlaamse schrijvers de wereldstad. In hun impressies overheersen het verkeersgeweld, de flanerende massa’s, de luxe warenhuizen, de brede boulevards, maar ook de bedelende oorlogsinvaliden, de opgedofte prostituees, de lawaaierige danslokalen, de homokroegen. Een stad waar je je nooit alleen voelt maar altijd eenzaam.

Dat geldt voor Fred Alldorn, de hoofdpersoon van de roman ’De razende saxofoon’ van Simon Koster uit 1931, waaruit het citaat stamt. Het geldt voor de hoedenmaakster in Hendrik Marsmans onvoltooide roman ’Vera’ uit hetzelfde jaar. En voor de hoofdpersoon van Coen Hissinks drie jaar eerder verschenen ’Cocaïne’. Ontheemd en vervreemd dolen ze door Berlijn, op zoek naar een onbestemd geluk.

Tobbers uit de lage, kleinsteedse landen ontdekken de grote stad. Dat levert interessante literatuur op. De Duitse neerlandica Ute Schürings ontrafelde in een mooie analyse de metaforen waarin de auteurs het fenomeen Berlijn proberen te vangen. Voor de een is het een organisme in voortdurende staat van opwinding, voor de ander een dolgedraaid mechaniek. In het citaat van Koster is Berlijn beide: een ’groot lichaam’ en een ’monster-dynamo’.

Maar je kunt de impressies ook anders lezen. Je kunt ze lezen als het verslag van een voortdurend veranderende fascinatie voor een stad die ’nooit is maar altijd wordt’, zoals een populaire formule luidt. Berlijn is een jonge stad, die pas aan het eind van de negentiende eeuw uitgroeide tot een metropool, maar toen ook meteen het epicentrum werd van de ene historische megagebeurtenis na de andere.

Jan Konst, hoogleraar neerlandistiek aan de Vrije Universiteit van Berlijn, verzamelt al vijftien jaar literaire teksten over Berlijn van Nederlandstalige schrijvers. Zijn verzameling bestrijkt precies die van drama en rampspoed overladen periode. Het wilhelminische militarisme van vóór de Eerste Wereldoorlog, de republikeinse chaos van het interbellum, de verschrikkingen van het Derde Rijk, de grauwe dictatuur van de DDR en de bevrijdende val van de Muur: Konsts verzameling is er een boeiende kroniek van.

Voor zijn boek selecteerde Konst 43 teksten uit zijn verzameling. Dat levert niet alleen een onderhoudend verhaal op over Berlijn, maar ook over de verschillende ideeën waarmee de schrijvers naar de metropool reisden. We lezen lyrische beschouwingen, deprimerende reportages, emotionerende romanpassages, luchtige avonturen en zwartgallige bespiegelingen.

Ook die ideeën zijn historisch bepaald. Herman Heijermans schetst in een aangrijpende reportage de sociale ellende in de groeiende metropool, Paul van Ostaijen spiegelt in zijn taal de jazz van de swingende jaren twintig, Simon Vestdijk maakt de verleidingen van het nationaal-socialisme voelbaar, Armando komt overal het Derde Rijk tegen, en Adriaan van Dis verbaast zich over de dynamiek van het herenigde Berlijn.

De teksten vanaf 1933 hebben nog maar twee thema’s: het Derde Rijk en de Muur. De schrijvers zien vooral een stad die diep gebukt gaat onder de loden last van twee dictaturen. Ze gaan er zelf onder gebukt (Armando), wapenen zich ertegen met ironie (Reve) of morele weerstand (Mulisch), of zoeken de poëtische bevrijding (Otten, Kellendonk). Maar waar ze ook komen in Berlijn, overal stuiten ze op Hitler of Honecker.

Er is echter een nieuwe generatie Nederlanders en Vlamingen die zich minder laat bepalen door die loden last. Die generatie heeft nog geen plaats in Konsts boek gevonden. Voor een portret van de talloze lagelanders die zich tegenwoordig in de overvloed aan Berlijnse vrijplaatsen uitleven in artistieke projecten, kan men terecht in Rob Savelbergs ’Berlijn beweegt’.

Anders dan de titel suggereert, komt Berlijn als stad pas in de laatste vijftien pagina’s in beeld. In de voorafgaande 150 bladzijden neemt de Duitslandcorrespondent van De Telegraaf zijn krantenknipsels van de afgelopen jaren nog eens door. Een slordig uitgevoerde en overbodige exercitie. Pas in het laatste hoofdstuk vertelt Savelberg een eigen verhaal over een wereld waarin hij goed thuis is.

Hij voert Nederlanders ten tonele die zich met lichtvoetig gemak hebben vereenzelvigd met het rommelige Berlijn van na de val van de Muur. Het zijn veelal beeldend kunstenaars, voor wie de symbolen van het politieke en historische Berlijn de stof voor hun verbeelding zijn. Met brutale ironie nemen ze een loopje met de ideologische ernst van het verleden.

Het zijn geen schrijvers, hoewel de zin die Iepe Rubingh touwtjespringend naast een neonazi-demonstratie zong, er mag zijn: „Jeder Sprung mit meinem Seil, ist zehnmal besser als dein Sieg Heil!” Savelberg verhaalt over jonge romantici die in de urbane wirwar van het huidige Berlijn een nieuw eldorado hebben gevonden. Maar misschien zit onder hen toch nog een getalenteerde schrijver verborgen die dan in een volgende editie van Konsts literaire Berlijnboek een plekje vindt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden