Waar woont de familie Wortel?

Maartje Wortel woont in de grote stad, maar verlangt terug naar haar geboorteplaats Eemnes, naar 'een eenvoud die niets anders pretendeert te zijn'. Geef haar wolken, gras, schapen, geiten, vogels en een sloot en ze is gelukkig.

Fotograaf Roos Pierson vroeg inwoners van Eemnes de weg naar het huis van de familie van schrijfster Maartje Wortel. Buiten het dorp kwam ze Wim Schuurman tegen.

Schrijvers Elke Geurts, Maartje Wortel, Wanda Reisel, Marjolijn van Heemstra, Olaf Stomp, Ernest van der Kwast en Karin Sitalsing maakten voor Zomertijd een verhaal over waar ze opgroeiden. Willen ze ooit terug? Roept hun oude woonplaats weerzin op of hebben ze heimwee? Vandaag a¿evering 1.

Eemnes. Dat is het dorp waar ik geboren ben, waar zo ongeveer mijn hele familie geboren is, inclusief mijn voorvaderen. De meeste mensen kennen Eemnes (dat een samentrekking is van de rivier de Eem en het woord Nes; een landtong) van de file, bij het knooppunt. Op een bepaalde manier ben ik trots op die file; mijn dorp is in elk geval niet onopgemerkt gebleven, ongeveer elke dag laat-ie even van zich horen, moeten forensen en radioluisteraars letterlijk bij Eemnes stilstaan.

Als ik in de auto zit en ik hoor de naam van mijn geboorteplek voelt het alsof ik de naam van een geliefde hoor, mijn lichaam reageert er acuut op. Herinneringen en geluiden en kleuren en smaken en melancholie komen boven. En heimwee. Alhoewel de heimwee meer een pose is, een enigszins lege emotie om mijn identiteit aan op te hangen.

Ik kan er natuurlijk altijd naar terug, ik hoef er nooit voorgoed weg te blijven. Ten eerste is het niet aan de andere kant van de wereld. Belangrijker: mijn ouders wonen nog in hetzelfde huis waar (net als ik) mijn overgrootvader, mijn grootvader, mijn vader geboren zijn en waar ze, op mijn vader en ikzelf na, ook gestorven zijn.

Mijn grootvader is dood neergevallen op de overloop. Door de klap die zijn lichaam maakte, zit er een klein kuiltje in de vloer waar mijn broer en ik een knikkerpotje van hebben gemaakt. Als ik mijn ouders bezoek voel ik altijd even in het kuiltje.

Zelf woon ik al ongeveer vijftien jaar in Amsterdam op een druk kruispunt; er is altijd verkeer, altijd lawaai, altijd licht. Vaak heb ik het gevoel dat ook ik licht geef of zelfs giftig ben. En waarschijnlijk is dat ook zo. Onlangs stond er nog in de krant dat luchtvervuiling in grote steden als Amsterdam en Den Haag een steeds groter probleem wordt, dat er meer en meer mensen aan komen te overlijden. Je kunt net zo goed twee pakjes sigaretten per dag roken, of gewoon meteen achter een uitlaat gaan liggen.

Luchtvervuiling is niet in de eerste plaats de reden waarom ik uiteindelijk wil vertrekken uit de stad en terug wil naar Eemnes, want waar je ook komt in Nederland; een snelweg is nooit ver weg. Om eerlijk te zijn: ik wil terug omdat ik gehecht ben aan Eemnes als aan een goede vriend, ik voel me er simpelweg thuis. Als ik de polder in wandel en langs de vaart doorloop tot de sluis met daarachter de Eem kan ik van één ding op aan: ik word er hoe dan ook rustig van. Sommige mensen gedijen beter bij onrust, die worden gek van het gefluit van vogels, het gekabbel van water, wolken die traag over de weilanden trekken. Ze hebben kroegen nodig, bioscopen, het leven dat aan ze trekt, elke dag een nieuw verhaal.

De meeste mensen associëren een dorp - want zo noemt iedere Eemnesser Eemnes, hoewel het stadsrechten heeft - met stilstand. Er gebeurt nooit iets. Je komt geen nieuwe mensen of situaties tegen. Er treedt vernauwing op in lichaam en geest. Je kunt nooit vluchten uit je eigen leven of liegen, want de mensen weten alles van elkaar of doen alsof ze alles van elkaar weten. En daarom gingen veel van mijn vrienden, net als ikzelf, vrijwel meteen na de middelbare school in de grote stad wonen. Weg van alles wat we kenden. Een nieuwe fase tegemoet.

De ironie is dat we in zekere zin het dorp verplaatst hebben naar de stad. We gaan nog altijd met dezelfde mensen om, blijven dezelfde ideeën houden en spreken af op bekende plekken waar homogene groepen mensen (mensen als zijzelf, weinig te ontdekken) bij elkaar komen. De enige verandering die is opgetreden, is het verhaal dat we van onszelf hebben gemaakt. We kunnen zeggen dat ze in de grote stad wonen, maar vaak is daar dan ook alles mee gezegd. Dat - en nu parafraseer ik mezelf even - is wat me tegenstaat aan mensen in de stad. Alle mensen lijken verschillend, maar uiteindelijk zijn ze juist allemaal hetzelfde. Ik verlang naar een eenvoud die niets anders pretendeert te zijn, die geen goedkeuring zoekt; wolken, gras, schapen, geiten, vogels, wandelaars, de sloot, modder, loslopende honden. Liever heb ik een duidelijk en helder beeld dat continu verandert dan een complex beeld dat altijd hetzelfde blijft.

In de stad worden simpele dingen moeilijker gemaakt. In een dorp zijn moeilijke dingen vaak simpel. Het landschap helpt daarbij.

Al moet je voor elk stuk groen blijven vechten, want het liefst bouwt welke gemeente dan ook alles vol. Ik herinner me dat er van de ene op de andere dag een grote boerderij in de polder gebouwd was. Mijn vader, die altijd gestreden heeft voor behoud van het land, was buiten zinnen. Hoe kon dat zomaar gebeuren? Het bleek een decor voor de film 'Kleine Teun' van Alex van Warmerdam.

Zelfs door die film ben ik geobsedeerd omdat die in Eemnes is opgenomen. Dat grenst aan het krankzinnige, maar misschien heb je een bepaalde trots nodig om een leefgemeenschap in stand te houden. Want anders wil je er weg en blijf je er weg. Als iedereen dat doet valt alles hoe dan ook uit elkaar.

Vaak wordt beweerd dat de bewoners van kleine plaatsen een vernauwde en veroordelende blik hebben. Ik ervaar niet zelden het tegenovergestelde, omdat iedereen elkaar kent is het ook minder hiërarchisch. Iedereen verdient dezelfde kans. In een kleine gemeenschap wordt er gepraat en geroddeld, mensen houden elkaar in de gaten, dat kan enerzijds een gevoel van eenzaamheid verkleinen, anderzijds lopen verhalen vaak uit de hand.

Toen mijn broer een ernstig ongeluk kreeg en in het ziekenhuis lag, kwam er een buurjongen aan de deur om mij te condoleren met het verlies van mijn meest directe familielid. De mensen in het dorp hadden mijn broer doodgepraat. Het verdriet van ons gezin was een verhaal geworden voor bij de bakker. Het leed van de ander wordt doorgenomen bij het brood. Natuurlijk is dat een keerzijde, maar wat ik juist door dit mechanisme geleerd heb, is om beter naar elkaar te kijken. Om meer te delen.

Het maakt wel degelijk uit of je naast een gek in een flatgebouw woont, naast een gescheiden vrouw op een etage, naast een alcoholist die een vreemde voor je is en zal blijven, of dat het je directe buurman of vrouw is die je dagelijks tegenkomt op straat, in de kroeg, in de supermarkt, op het voetbalveld. Dat klinkt u wellicht in de oren als een gevangenschap, maar als je je eigen vrijheidsgevoel en uniciteit blijft bewaken, heeft deze verbondenheid een absolute meerwaarde.

In de grote stad hoef je minder met je omgeving aan te gaan, en op die manier verdwijnt juist oprechte nieuwsgierigheid, de kans om van elkaar te leren.

Toch lijkt het me evident dat je weg moet om met een open blik terug te kunnen keren. Te veel van hetzelfde is nooit goed. Als je jaren achtereen op dezelfde plek woont en niets dan dezelfde mensen ziet, vergeet je soms dat er een andere wereld is. Je vergeet misschien zelfs dat er heimwee bestaat. En dat is soms net wat je nodig hebt om je ergens (opnieuw) thuis te voelen. En het fijne is: je weet dan ook dat je altijd weer kunt vertrekken.

De schrijver

Droog, humoristisch, licht onheilspellend, vreemd: een paar trefwoorden bij de stijl van Maartje Wortel (33). Ze schrijft verhalen en columns in diverse (literaire) tijdschriften en kranten, ook in Trouw. In 2009 debuteerde ze met 'Dit is jouw huis', dat bekroond werd met de Anton Wachter Prijs. 'IJstijd' (2014) werd genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en bekroond met de BNG Literatuurprijs. Dit voorjaar verscheen de verhalenbundel 'Er moet iets gebeuren'.

De fotograaf

Roos Pierson (20) is vierdejaars student fotografie aan AKV/St. Joost in Breda. Ze ging naar Eemnes en vroeg willekeurige mensen waar de familie Wortel woont. Niets is in scène gezet, daar houdt ze niet van. "Ik foto-grafeer het liefst mensen zoals ik ze tegenkom." Iedereen wilde meewerken. "Ze kennen de familie en weten dat Maartje schrijfster is. De eerste persoon die ik aansprak was haar oom, heel grappig." Ze fotografeert voor de NRC. Ze maakte series over studenten die in een oud ziekenhuis wonen en oudere skaters. "Nu wil ik mensen fotograferen die om 6 uur 's ochtends bij McDonald's eten."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden