Waar was je?

'Je hoeft het niet alleen te doen, had de pastoor gezegd toen hij me doopte. Die woorden maakten mij in de war. Hoezo niet alleen, gaat een ander het soms voor mij doen? Deze wereldse interpretatie, voortkomend uit een zegevierende autonomie, verduistert de bijbelse duiding dat je je mag laten dragen.' Karin Melis liet zich dopen in de katholieke kerk. In periodes van opstandigheid onthoudt ze zich van de zondagse kerkgang. Maar dan wordt ze aangehouden op straat. 'Waar ik was. Ze hadden me nu al zo lang niet gezien op de zondagen.'

De solo-religieuze. De solitaire reli-shopper. Hij die een bouquet van verschillende spiritueel getinte bloemen samenstelt. Uitgever Oegema heeft het onlangs zo poëtisch onder woorden gebracht in deze krant. Hij sprak over deze dolende mens die wordt voortgedreven door een vaag maar hardnekkig besef dat er meer tussen hemel en aarde moet zijn. De smeekbede van de auteur leek te zijn: waar zijn die anderen die net zoals ik geloven, nadrukkelijk ontrukt uit alle verband?

Ja, zo moet ik dan ook wel verzuchten: het grote, bindende verhaal van het christendom (maar niet dat van het jodendom of de islam) heeft kennelijk zijn zeggingskracht, althans in de lage landen, verloren. Godsdienst is religie geworden: een verzamelnaam die niet de scherpe kantjes heeft van een al te definitieve verwijzing naar de Eeuwige. Eenzaam en zonder houvast is deze mens zoekende naar een ondefinieerbare hogere macht.

Ik zie het allemaal met gemengde gevoelens aan: ik kan niet tegen bloemschikken, maar tegelijkertijd ben ik behept met een onvermogen me te voegen. En toch heb ik me laten verbinden.

Een van de redenen dat het zo lang geduurd heeft eer ik me heb laten dopen in de katholieke kerk - ik was reeds 43 jaar - was nu juist dat ik weerzin voelde. Laat ik het maar eerlijk zeggen: ik was inderdaad bevreesd dat mijn eigenheid zich zou oplossen in de homogeniteit van een gemeenschap. Wat me eveneens een gruwel was (en is) zijn de talrijke regels en voorschriften waar een rechtgeaarde katholiek (maar ook jood of moslim) zich aan dient te onderwerpen. Elke regel brengt me als in een pavlovreactie in opstand. Het zou mij niet verwonderen als dat slechts een toedekking is voor de angst niet aan die voorschriften te kunnen voldoen, zoals ik al in aangezicht van de tien geboden sneuvel. Regelrechte faalangst dus. En om de tegenstrijdigheid volledig te maken, trek ik al jaren en jaren ten strijde tegen het voortwoekerende individualisme dat zich met name uit in volstrekte vrijblijvendheid. Nu ja, de grootste tegenstander huist kennelijk in de mens zelf. En dan toch maak ik die overgang zoals dat heet.

Maar nog steeds zweeft mijn pen aarzelend in de lucht als ik op een of ander formulier kond moet doen van mijn godsdienst. Soms, als ik erg opstandig ben, overweeg ik niets in te vullen, maar ik ben te bang verraad te plegen aan Hem Die mij immer ziet. Die opstandigheid die me aankleeft als een tweede huid werd (en wordt) dagelijks gevoed door deze moederkerk aan welke ik gehoorzaamheid heb beloofd en die van zichzelf zegt in ballingschap te zijn. 'Ballingschap', het is een woord dat me wel zint. Het zegt me dat de kerk niet van deze wereld is, dat zij tegendraads is en dat zij een bevreemdende verwondering in zich herbergt. Niets is natuurlijk minder waar. De kerk mengt zich in wereldse zaken als condoom en homohuwelijken, euthanasie en abortus. En haar machtsuitoefening is op zich al een teken van secularisatie. De kerk is simpelweg meer van hetzelfde. Naar mijn idee dient de kerk als een plek waar wij ons kunnen laten voeden en ja, al heb ik een hekel aan het woord, waar wij ons kunnen laten inspireren. De heiliging van ons leven laat zich niet door dogmatiek afdwingen. Maar zie: ook op lokaal niveau is de kerk tot een marktplaats verworden alwaar psalmen onherkenbaar in popliedjes worden vermomd, preken in gewetensussende slogans. Bedwelmende achtergrondmuziek zoals je die in warenhuizen en liften aantreft. Bij tijd en wijle drijft het me tot wanhoop. En zo heb ik kerst woedend doorgebracht. Opdoeken die handel, denk ik dan gemelijk. Het zijn van die periodes waar je me geen groter plezier kunt doen dan te spreken over de 'christelijke minderheid'. Ik fantaseer over woestijnen, over lege kerken en over een handjevol godsgelovigen gedwongen in een positie die bevreemdende verwondering oproept. Zo'n beetje als een verdwaald hoofddoekje in de straten van het lieflijke Noordwijkerhout, het dorp waar ik woon.

Tijdens zo'n periode van opstandigheid besloot ik mezelf van de zondagse kerkgang te onthouden. Ik zat daar toch maar schijnheilig te zijn. Maar als ik zondagochtend, weggedoken onder het donsdekbed, de klokken hoorde luiden, werd er aan mijn hart getrokken. Kerkklokken komen bij mij altijd op appèlniveau binnen. En toch ga ik niet, hield ik mezelf heldhaftig voor. Wat had ik nou te zoeken in die bron van ergernis? Bij de zaterdagse boodschappen werd ik weleens aangehouden op straat. Waar ik was. Ging het wel goed met me? En ook met mijn dochter? Ze hadden me nu al zo lang niet gezien op de zondagen. Ik wist niet goed wat ervan te denken. Wat moesten ze van me? Ik was tenslotte de vreemde eend in de bijt, die nota bene de schijnwerpers op me richtte door zonodig in de krant te vertellen over mijn weg naar het doopvont. Zo'n alleenstaande moeder die teruggekeerd uit de Verenigde Staten haar heil zocht in Noordwijkerhout. Per toeval weliswaar, maar dat ziet de buitenstaander weer niet. Kapsones, dat moesten ze wel van me denken, nietwaar? Een schreeuwlelijk bovenal die bij het minste of geringste de landelijke orde verstoorde. Allengs had ik mijn status van de verstotene uit het gedicht van Ida Gerhardt toch weer weten te cultiveren. Ik, als enkeling, belichaamde het postmodern losgeslagen individu: als het me niet zint, pak ik mijn spullen.

En toen, op een goede zondagmorgen, keek ik in de spiegel en bedacht me dat de mens niet uitsluitend voor zichzelf ging maar ook voor de gemeenschap. Op mijn schreden keerde ik terug in de schoot van de moederkerk, opnieuw deinend op het ritme van het liturgisch jaar. Ook ik moest wel bekennen dat niettegenstaande mijn afwezigheid dat kerkelijk jaar allang in me had postgevat. Dat de wisseling van seizoenen voor mij allang niet meer enkel een kwestie was van ontluikende bollenvelden. Dat ik de gangen van deze wereld sinds lange tijd al bezag vanuit het perspectief van de wederwaardigheden van de Schepping. En dat ik dat niet alleen deel met anderen, maar dat, omgekeerd juist, anderen dat met mij - willen - delen. Dat ik me, kortom, niet als een lidje aangesloten heb, maar dat ik gaandeweg opgenomen werd. Met al mijn eigenaardigheden.

Je hoeft het niet alleen te doen, had de pastoor gezegd toen hij me doopte. Die woorden maakten mij in de war. Hoezo niet alleen, gaat een ander het soms voor mij doen? Deze wereldse interpretatie, voortkomend uit een zegevierende autonomie, verduistert de bijbelse duiding dat je je mag laten dragen. De argwaan dat de vraag Waar was je? een blote uitoefening van sociale controle is, kan geen recht doen aan het onderliggende We missen je. De kaartavonden, de kerkveilingen en aanverwanten, die kunnen mij echter gestolen worden. Ik kan niet tegen menigten en ben dan ook dankbaar dat de Allerhoogste ook aanwezig is als er slechts twee in Zijn Naam vergaderen.

Met grenzeloze verwondering moet ik dus constateren dat ik hier deel uitmaak van een geloofsgemeenschap. Ja, dat ik me geborgen weet als ik gedurende de veertigdagentijd mijn berouw op de eettafel van een medeparochiaan neerleg. Echt begrijpen doe ik het niet. Elke gemeenschap bestaat immers bij de gratie van uitsluiting en zodra ik daar ook maar iets van merk, sta ik op mijn achterste benen. Zelf ben ik uiteraard geen haar beter als ik muziekdeuntjes tijdens de mis als kwezelend of erger betitel. Ook ik verval in mijn afkeuring in een betweterige zelfrechtvaardiging. Maar toch. Wil ik mezelf wel met zo'n muziekclubje vereenzelvigen? Wil ik me wel verbinden met een paus die alle gelovigen in de schaduw stelt door zichzelf als enige plaatsbekleder van Christus op aarde te beschouwen? Nee, en nogeens nee!

Maar, al wil ik niet postmodern eclectisch zijn, misschien gaat het daar ten diepste niet om. Ik begin gewaar te worden dat het Godsgeloof niet zonder gemeenschap kan. Het heeft gemeenschappelijkheid nodig vanwege de realisatie van een continuüm: we stappen in een verhaal dat ver vóór ons is geboren en na onze dood zal blijven voortduren. Dat kan één enkel, eindig gelovig leven niet alleen dragen omdat het nu juist vraagt om gedragen te worden. Muziek die losgezongen van de traditie wordt gecomponeerd is ongehoord want onverstaanbaar. Zij kan haar traditie alleen aan de kaak stellen als zij vanuit die bron leeft. Een nieuwe variatie op een aloud motief. Het is schier onmogelijk ons leven te verstaan zonder de verhalen die duizenden jaren overleefd hebben en die ons vertellen over de zwervende mens zoekend op weg naar zijn einder. En zo moet Gods Woord gehoord worden en niet louter en alleen stilletjes in een solitaire beslotenheid gelezen. Omdat het antwoord van de lezer van de Schrift anders niet resoneert. Ik ben bepaald geen fan van de Willibrordvertaling: ik vind dat zij geen recht doet aan de ontzaglijke gelaagdheid van de Schrift. Toch sta ik graag op bij de lezing uit het Tweede Testament, al was het maar omdat wij als gemeenschap in één stem antwoorden en als één man smeken om een Woord. Horen en gehoord worden, in de intimiteit van de ontmoeting of in het wijdere verband van een parochie, is dé plek waar het geloof tot leven komt. Het is de uitgelezen plek van Aanwezigheid. Ja, ik moet dan wel constateren dat ik het niet alleen kan en dat mijn vrijheid daarin gelegen is dat ik toe mag laten hoe anderen mij op weg naar mijn bestemming helpen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden