'Waar... waar deden jullie het?' 'In een klein kerkje, in Weesp.'

En ik vond mezelf nog wel zo allemachtig slim toen ik dat plan bedacht om haar hierheen te lokken, zijn werkkamer in waar alles nog net zo staat als toen hij stierf, het tweedjasje nog om de leuning van zijn stoel hangt, de foto's van de kinderen nog op het bureau staan, de pen naast het vloeiblad ligt met dezelfde vlekken. Een vlek waarin je een bevallig jong meisje kunt zien, maar ook een heks. Ik wilde haar door de grond zien zakken van schaamte, als ik haar zou zeggen dat ik het wist, alles.

Een jaar of twee geleden begon Hans andere boeken te lezen, boeken met vage titels, die op een andere manier het huis in kwamen dan vroeger. Vroeger kocht hij op recensies, knipte met het nagelschaartje dat altijd op zijn nachtkastje lag, omdat ik niet vrijen wilde als hij zijn nagels niet had geknipt, het strookje onder de recensie uit. Dat net niet helemaal vierkante, meer nagelvormige knipseltje lag daar dan eerst een tijdje stoffig te worden, tot het op het prikbord in de keuken belandde. Daar hing het dan ook weer een paar weken tot hij, of ik om hem te verrassen, het meenam naar de boekwinkel.

De boeken die hij door haar begon te lezen waren er zomaar. Titels waar ik nog nooit van had gehoord, die me helemaal niets zeiden, die nooit een uitgeknipt opgeprikt leven in ons huis hadden geleid. Ik koesterde nog geen argwaan. Dat gebeurde pas toen hij met grote regelmaat verdween, een eindje om, een stukje fietsen op de racefiets, maar altijd op dezelfde tijd: een keer in de week 's avonds, en zondagsochtends na het ontbijt, of zaterdagsavonds rond borreltijd, maar nooit twee dagen achter elkaar. Hij dacht zeker dat ik niet merkte dat hij zijn brogues in zijn rugzak stopte. Dat ik niet zag dat hij niet echt gekleed was of hij zich eens een uurtje 'stevig ging afbeulen', zoals hij het noemde. Alsof ik niet in de gaten had dat hij helemaal niet bezweet terugkwam, een beetje rozig hooguit, en stil.

Ik wist dus ongeveer wat ze las. Dat ze bij ons in de buurt woonde, ontdekte ik niet lang daarna dankzij Ina van de overkant. Ina zei op een ochtend, toen we elkaar tegenkwamen bij de glasbak, - stralend, in de volle overtuiging dat ze iets aardigs zei: 'Doen jullie dat vaker?'

'Wat?'

'Zo'n avondwandeling? Hans zou ik zelfs in de Kalverstraat van achteren herkennen, door dat slungelige scheve van hem. Ik toeterde nog, maar jullie waren zo diep in gesprek dat jullie me niet zagen.'

Ik vroeg haar wanneer en waar ze ons had zien lopen, zo diep in gesprek dat we haar getoeter niet hoorden, maar terwijl ik het vroeg wist ik het antwoord al. Gisteravond, toen Hans en ik diep in gesprek de Lange Bedekte Weg insloegen, lag ik met koorts in bed. Maar dat vertelde ik Ina niet. Bedrogen worden met iemand uit de buurt is al erg genoeg zonder dat Ina het weet. Ik duwde een fles in de bak, flink hard, zodat ik hem uit elkaar kon horen spatten, keek hem na, had zin hem achterna te springen, en het bloederig vod te worden dat ik me toch al voelde. Terwijl ik in dat zwarte oog staarde, viel alles op zijn plek: de boeken waar hij nooit uit zichzelf op was gekomen, de fietstochtjes zaterdagsavonds of zondagsochtends waar hij helemaal niet bezweet van terugkwam, hooguit wat rozig en stil. De glans die op zijn gezicht lag, sinds hij haar ontmoet had, maar ook als hij niet bij haar geweest was straalde hij alsof hij haar ieder moment voor de geest kon halen, haar armen om zich heen, haar huid tegen de zijne.

Veeleisend typje om hem ook in het weekend te willen, hoewel nooit lang moet ik toegeven. Hoe doet ie het? heb ik me wel eens afgevraagd, ook al woont ze in de buurt, hij moet toch eerst naar haar toe zijn jas uitdoen, iets drinken, wat praten, haar uitkleden zichzelf en dat alles binnen een uur. Hoewel zaterdagsavonds en zondagsochtends bleef hij altijd wat langer weg, maar nooit langer dan een uur of anderhalf, dat weet ik zeker.

Natuurlijk heb ik hem de vraag gesteld, de vraag der vragen, op een zondagochtend toen hij zich bukte om de rechterpijp van zijn manchesterbroek in zijn sok te stoppen. 'Is er een ander?' Hij kwam overeind, met een rood hoofd van het liegen of het bukken dat kon ik niet zien, wendde zich af, pakte een zakkam van het garderobetafeltje en schoof hem in zijn achterzak, haalde een tientje uit zijn portemonnee. 'Gaan jullie van dat tientje een kop koffie drinken samen?'

'Nee.'

Ik bleef hem aankijken, strak, zoals ik in het oog van de de flessenbak had gekeken toen ik begon te vermoeden dat er iemand anders in zijn leven was.

'Echt niet. Ik ben je altijd trouw geweest.'

Door dat antwoord raakte ik helemaal in de war. Hij loog niet, en toch bedroog hij me. Hoe kon het dat ik zo zeker wist dat hij de waarheid zei, maar toch loog. In die paar seconden, voor hij zich omdraaide en naar buiten liep, wist ik het. Ik geloof niet in helderziendheid en kristallen bollen, maar wel dat er momenten zijn dat een mens een situatie overziet alsof hij er boven hangt met gespreide vleugels. Ik had bij mijn verwarring moeten stilstaan, me moeten afvragen wat het betekende dat ik hem geloofde, en ook niet. Maar ik had het te druk met mijn triomf, o zo trots was ik dat ik het hem gevraagd had, op de man af, zo kalm, zo Brits. . .

Ongeveer een half jaar daarna werd hij ziek. Het ging heel snel, binnen vier, vijf maanden was hij dood. Als ik me probeer te herinneren wanneer de boeken het huis binnenkwamen, als ik het me goed herinner, hebben ze niet meer dan een jaar een verhouding gehad. Toen hij ziek werd heeft ze hem nooit geschreven. Alle brieven en kaarten die hij kreeg, in het ziekenhuis en thuis, hebben we in een schoenendoos bewaard en daar zaten geen namen bij die ik niet kende. Een keer heb ik ze betrapt. Begin juni moet het geweest zijn, want ik was net bij de apotheker langsgeweest voor nieuwe hooikoortspillen. De ramen van onze slaapkamer stonden open en toen ik uit mijn auto stapte, hoorde ik hem al lachen. Zo klaterend als alleen kleine kinderen kunnen lachen. Onwillekeurig greep ik naar mijn buik want daar had hij een groot vers litteken van de laatste operatie toen ze hem opengemaakt hebben en weer dicht, omdat er niks meer aan te doen was.

Toen ik naar boven liep, hing hij vlug op. Ik aarzelde maar besloot niet te vragen wie er gebeld had. Waarom zou ik hem dat laatste telefoontje van een vrouw die nu toch geen rol meer in zijn leven speelde misgunnen? Vanaf die dag was hij veel opgewekter, lichter ondanks de vermoeidheid waardoor zijn ledematen soms zo zwaar voelden dat hij geen zin meer had om uit bed te komen. Het viel iedereen op. Papa verzoent zich met zijn dood, zei Elsa, die bijna dagelijks kwam om me af te wisselen, maar ik moest steeds maar denken aan die schaterlach. Wat kon ze gezegd hebben dat hij de rest van de dag, en alle dagen daarna zo licht en neuriënd was, als de pluizen in de tuin? Had ze hem aan iets herinnerd dat ze samen hadden meegemaakt, maakte een herinnering aan iets, iets ergens met haar hem zo vrolijk?

Bij het condoleren na de crematie kon ik het niet laten, ik wilde het niet, maar toch keek ik voortdurend om me heen of ik iemand zag die haar zou kunnen zijn. Maar naar wie moest ik uitkijken? Naar iemand die in ieder geval niet veel groter, of dikker was dan ik, maar ook niet veel kleiner of dunner anders had Ina haar nooit voor mij kunnen aanzien. Even grijs als ik was ze vast niet, even oud ook niet. Waarschijnlijk had ze die avond toen Ina haar samen met Hans de Lange Bedekte Weg had zien inslaan, een doek om haar hoofd gehad. Onwillekeurig keek ik uit naar een vrouw met een omslagdoek.

Ik vergat haar, wel drie dagen, maar toen ik de werkkamer wilde opruimen en al die boeken zag liggen, de boeken van de laatste jaren, de boeken met irritante titels die ik niet onthouden kan 'Wachten op God' God zus, God zo, dacht ik: ik wil haar zien. Ik wil wel eens weten wie de vrouw is die zulke boeken leest, en hem toch vlak voor zijn dood nog onbedaarlijk aan het lachen krijgt. Anders blijf ik denken dat iedere aantrekkelijke vrouw, die mij iets langer dan normaal aanstaart het weekendmeisje is. Zolang ik haar niet gezien heb, zal ze altijd door mijn hoofd spoken, terwijl ik achter iedere dichte deur mijn man zal horen schaterlachen. . .

Ik liep nog dezelfde week naar de boekwinkel om een kaartje af te geven: wie interesse heeft in werken van Augustinus, Ruusbroec, Tillich, Weil, Kolakowski etc. mag ze komen inzien, en meenemen. Graag even telefonisch afspreken. Daaronder mijn naam en telefoonnummer, in dik zwart viltstift. De dikke zwarte achternaam van haar vroegere geliefde zou haar vast niet ontgaan. Bijna ging het mis. Een uur nadat ik het kaartje had afgegeven, belde er een jongen. Hij klonk als een jaar of zestien, gretig, schutterig, onder de pukkels ongetwijfeld want waarom zat hij anders achter God aan en niet achter een meisje van zijn leeftijd. 'O, maar als u al iemand voor die boeken heeft, moet u het kaartje laten weghalen', zei hij, 'anders wordt u de hele dag gebeld, mevrouw.' 'Geef mij jouw nummer maar', zei ik vlug,' misschien wil die andere mijnheer de boeken bij nader inzien niet, en dan zijn ze voor jou.'

Die truc heb ik nog een paar keer moeten herhalen, tot zij belde. Dat zij het was, wist ik onmiddellijk, want toen ik vroeg of ze niet wilde weten om welke titels het ging voor ze de moeite nam om hierheen te komen, zei ze nee. Dat was mijn strikvraag, iedereen wilde weten om wat voor titels het ging, alleen zij niet omdat ze die boeken al kende, ze had ze hem zelf aangeraden, of cadeau gedaan. Ze was helemaal niet geïnteresseerd in die boeken, ze wilde zijn huis zien, zijn vrouw, mij van top tot teen opnemen, haar nieuwsgierigheid bevredigen.

Ik zou het allemaal laten gebeuren, haar jas aannemen, thee aanbieden, haar voorgaan naar zijn werkkamer met de boeken, de foto's, het vloeiblad met de vlekken. Kende ze zijn handschrift? Had hij haar wel eens geschreven, voor hij ziek werd toen hij zelf nog naar de brievenbus kon lopen? Als ze in zijn stoel zat zou ik met de thee binnenkomen, precies op het moment dat zij vlug met haar wang langs de mouw van zijn colbert streek, zou ik in de deuropening staan en verbaasd mijn wenkbrauwen fronsen. Blozend zou ze me bekennen dat ze helemaal niet voor de boeken kwam. Nadat ik haar gevraagd had wat ik haar te vragen had en genoeg had van haar gespartel zou ik haar de deur uit werken. Ik zou op mijn horloge kijken en zeggen dat het antiquariaat elk moment kon komen, voor de boeken.

Ik had een getailleerd blauw linnen jasje aangetrokken op een zwarte rok, een zwarte panty met een haast onzichtbaar streepje van Dior, en vrij hoge hakken. Hakken om iemand mee dood te schoppen. Al die maanden had ik in broeken gelopen en op platte schoenen, waar ik razendsnel de trap mee op en af kon met thee en bordjes geraspte appel voor mijn zieke man, en teiltjes waar hij de appel vervolgens weer in kon uitspugen. De bel ging en ik telde tot tien om vooral niet de indruk te wekken dat ik stond te wachten. Op weg naar de voordeur wierp ik nog een blik in de spiegel. Gisteren had ik een flink stuk van mijn haar laten afknippen om het dikker, minder zorgelijk te doen lijken. Ik had me moeten beheersen om mijn grijze lok niet uit mijn haar te laten verven, maar wat is er mis met grijs, had ik in de spiegel gezegd, wat is er mis met vijfenvijftig? Ze moest niet denken dat ze me in mijn eigen huis jong en blond kon gaan zitten imponeren. Ze was het niet, het was Van Vuure, met een doos vol grijsomrande dankbaarheid. Drie weken geleden was ik nog intens bedroefd, nu al weer dankbaar voor alle steun en meeleven. Ik las de tekst die ik zelf, met hulp van Elsa en Van Vuure, had opgesteld en vond hem veel te hartelijk, veel blijer dan ik me voelde. En dan dat 'ge-wij', alsof de kinderen niet allang weer hun eigen leven leidden. Elsa wilde de nacht na de crematie weer blijven slapen, maar ik zei 'ga maar, ik moet hier doorheen'. Ik zou er toch aan moeten wennen dat een geluid in huis meestal een apparaat is, dat aanslaat, zich oplaadt. Of het huis zelf, al dat hout in de kap, het blijft werken, kraken, soms zou je zweren dat er iemand kreunt. . . Zo idioot, gisteren zette ik 's ochtends toch weer twee kopjes op het aanrecht.

Toen de bel voor de tweede keer ging, nam ik niet de moeite om tot tien te tellen. Door het ruitje in de voordeur zag ik al dat zij het weer niet was, maar een wit hoofd met een bril, een collecte waarschijnlijk. Lag er maar een rouwband om het huis, dan lieten ze me tenminste met rust. Maar de vrouw die ik opendeed schoof geen ijzeren bus onder mijn neus, stak haar hand naar me uit, en stelde zich voor. Dezelfde naam, Marja Versluis, dezelfde heldere meisjesachtige stem als door de telefoon, alleen het uiterlijk klopte niet. De vrouw voor mijn deur had Marja's moeder kunnen zijn. Haar grootmoeder zelfs, als ik alleen op het witte haar afging, maar haar glimlach en haar sokken brachten me in verwarring. Ze droeg een witte blouse op een kuitlange doorknooprok van spijkerstof en een kort regenjasje, ook blauw, wandelschoenen en malle witte sokjes waardoor haar blote benen nog bruiner leken. Het was allemaal schoon, en het paste bij elkaar, maar daar was ook alles mee gezegd.

'U komt voor de boeken?'

Ze knikte, glimlachte nog steeds. Ik had me dus vergist, had net zo goed de jongen met de pukkels kunnen laten komen. Mijn enige kans om het weekendmeisje te ontmoeten was verkeken, ik had mijn web voor niets geweven.

'Ze staan in dozen in mijn mans werkkamer, loopt u maar mee. U moet maar kijken of er iets voor u bij is. Ik wil u niet opjutten, maar over twintig minuten komt er iemand van het antiquariaat. Wat u niet meeneemt, verkoop ik.'

Ze knoopte haar jas los, maar ik vroeg niet of ik hem kon aannemen. Ze moest zo snel mogelijk de boeken inkijken en vertrekken. Mijn schoenen knelden, de band van mijn rok sneed in mijn middel. Maandenlang had ik de halve boterhammen die Hans op zijn bord had laten liggen, schijfjes banaan, bekers yoghurt gedachteloos naar binnen gewerkt. Andere mensen worden mager van verdriet, ik ga juist proppen.

'Hebben uw dochters geen interesse in de boeken?'

Hoe wist ze dat ik dochters had? We stonden nog niet eens in de studeerkamer, ze had de foto's op zijn bureau nog niet kunnen zien?

Ik keek haar vragend aan, maar zij was het die mij een vraag stelde. 'Mag ik Lily zeggen. . .?'

Ik verschoot van kleur, want door die stem, die meisjesachtige stem en de schuchtere toon waarop ze mijn naam noemde, leek het even of ik toch het weekendmeisje voor me had. Hoe wist ze dat ik Lily heette? Ik keek naar het gangtafeltje, waarop de doos van Van Vuure stond of haar blik in het voorbijgaan misschien op een kaart gevallen kon zijn, die ik een paar minuten geleden had staan lezen.

'Hans heeft het vaak over u gehad.'

Ik nam haar van top tot teen op, van de witte sokjes tot het witte haar, bij kruin en scheiding schemerde haar roze hoofdhuid erdoorheen, alsof ze daar een biggetje verborg. Wie zij ook was, wie hier ook verlegen naar me stond te glimlachen, niet zijn geheim.

'Ik moet iets bekennen. . .'

Ze duwde met haar wijsvinger haar ronde hoornen bril vaster op haar neus.

Een grappig wezen, zou Hans haar genoemd hebben, en hij zou me gevraagd hebben of witte sokjes weer mode waren. Back to the fifties? Als hij zijn blik al op haar zou laten vallen, dan toch vooral geamuseerd, niet begerig. Toch niet begerig?

'Ik moet bekennen dat ik niet voor de boeken kom.'

Ze zei precies wat ik haar in gedachten had horen zeggen. Alleen was ik nu degene die van kleur verschoot, niet zij.

'Ik heb ze al gelezen. Ik had u al veel eerder willen ontmoeten, maar Hans wilde het niet.'

Dezelfde bekentenis die het meisje had kunnen doen, als zij hier gestaan had. Ze was het wel en ze was het niet. Hij had niet gelogen toen hij zei dat hij me altijd trouw was geweest. Hij had haar alleen maar ontmoet om met haar over boeken te praten, boeken die mij niet interesseerden. Ik glimlachte nu ook naar haar, maar het was alsof mijn mondhoeken iets zwaars wegduwden.

'Ik heb zelf ook een tijdje op een leesclub gezeten, hoor.'

'Dit was geen leesclub.'

'Had ie het me maar gewoon verteld.' Ik probeerde niet al te schamper naar de witte sokjes te staren, niet al te ironisch te klinken. 'Ik heb me wel eens zorgen gemaakt. Zaterdagavond of zondagochtend, altijd dezelfde dagen, dezelfde tijden. Ik heb wel eens, ja een enkele keer maar, gedacht dat hij een vriendin had.'

'Hij dacht dat u er grote moeite mee zou hebben, als u wist waar wij op zondagochtend waren.'

Ze keek me onderzoekend aan. 'Hij zei dat u er fel op tegen was.'

'Tegen een goed gesprek over een boek?'

'Tegen bidden in de kerk.'

Hans naar de kerk, om te bidden, ondenkbaar. Na mijn zeventiende heb ik nooit meer een voet in een kerk gezet. Wij kwamen hoogstens op vakantie wel eens in een kerk. Dan staarden we wat naar de gebrandschilderde ramen, en Hans vertelde me wat hij in de gids had gelezen over crypten en zijbeuken, hoe breed en hoe hoog. De wierook maakte me nog altijd misselijk, en als ik er genoeg van had, liet ik hem daar achter en ging buiten in de zon op hem zitten wachten. 'Op zaterdagavond zijn er ook missen.'

'Wat zegt u?'

'Dat er op zaterdagavond ook missen zijn. Dat u niet denkt dat we op dan in de kroeg zaten.'

Ik zag voor me hoe hij zijn broekspijp in zijn sok stopte, zijn nette schoenen in zijn rugzak deed, een tientje in zijn achterzak voor de collecte, een kam in de andere zak om als hij verfomfaaid van de fiets stapte zijn haar nog even te kammen, voor hij met Marja de kerk binnenliep. De laatste keer dat ik met de kerk te maken kreeg was toen mijn baarmoeder er net uit was. Toen stond er ineens een dominee naast mijn bed, een vrouw. Ik zag dat kruisje op de revers van haar oerdegelijke christelijke mantelpak en zei heel dreigend, want je kunt niet duidelijk genoeg zijn tegen dit soort mensen: 'We gaan het niet over God hebben.' 'Ook goed', zei ze, 'dan hebben we het over u.'

'Wat voor kerk?' vroeg ik.

Ze zou die in Breukelen wel bedoelen. Of was het in Vinkeveen, Ankeveen? In een van de venen staat een kerk waar een dochter van kennissen is getrouwd. Die dominee daar pakt het nogal literair aan, schijnt, citeert vaker uit Kopland dan uit de bijbel. Ik ben er nooit op zondag geweest, maar volgens mij zijn dat meer een soort lezingen, een soort leesclub ja met bidden na, dat zou dit ook wel zijn.

'Wij gingen naar een katholieke kerk.'

Ik slikte, ik had het goed verstaan. Als Hans een graf had, was ik er linea recta naartoe gereden. Met dat geloof heb ik zo'n veertig jaar geleden afgerekend, toen ik voor mijn eindexamen zakte, zakte God ook door zijn wolkendek. Niet ineens, meer alsof hij aan een parachute hing. Hij deed er een hele zomer over om uit mijn leven te verdwijnen. Door Shaw, zei je altijd, Hans, door Shaw te lezen was jij van je geloof gevallen. . . Niks twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen.

Toen wij trouwden waren we het gloeiend eens dat we onze kinderen zonder geloof zouden opvoeden. Ik klemde haar vast met mijn blik, alsof mijn ogen kaken waren. Ze moest niet denken dat ze vertrekken kon voor ze alles verteld had. Hoe ze hem verleid had, met welke dreigementen, met welke hemelse beloften. Of toch gewoon met haar bruine benen? Ze leek wel zo rustig, maar het was me niet ontgaan dat haar hand de zak van haar regenjas zocht, naar iets tastte, nerveus aan iets begon te frummelen.

'Waar. . . waar deden jullie het?'

'In een klein kerkje, in Weesp.'

'In een klein kerkje, o wat romantisch.'

'Het is niet speciaal een heel mooie kerk hoor.'

'En wat discreet. Niet naar de kerk om de hoek, waar jullie door iedereen gezien konden worden, maar een paar kilometer verderop.'

Ik zocht met mijn vingertoppen de houten kralen van de rozenkrans die ik altijd in mijn jaszak heb. Wees gegroet, Maria, vol van genade. . . Ik heb het nooit begrepen, maar al bij genade, terwijl ik het woord genade denk, ben ik al rustig. Komt het door het woord, of door de kraal? Zit er sap in? Alsof ik met mijn tong een rijpe braam tegen mijn gehemelte fijn plet, zo zoet voel ik me worden, helemaal.

Ik probeerde haar in de ogen te kijken. Dat heb ik geleerd van een vriendin die vroeger in een buurthuis werkte. Tatoeages van doodshoofden, zwarte nagels, paarse lippen, op de vreemdste plekken spijkers door hun huid, legerlaarzen zo groot als tanks - voor iemand die, zoals mijn vriendin, de oorlog heeft meegemaakt was dat geen pretje. Door zo'n hanenkam recht in de ogen te kijken, wist ze weer dat ze een kind tegenover zich had.

Ik vermeed de hakken, de dure benen en het jasje zo blauw dat mijn ogen ervan moesten knipperen, maar haar blik was niet anders dan haar kleding. Ze was precies zo boos als ze eruitzag. Hier was Hans bang voor geweest. Daarom had hij haar niet durven zeggen dat hij er niet meer zo zeker van was of hij God wel voorgoed had afgezworen. Hij was bang voor de permanente ijstijd die in hun huwelijk zou aanbreken. Maar het kan toch niet, dat je zoiets belangrijks voor je eigen vrouw verzwijgt? Nee dat kon ook niet, vond hij, maar hij wist ook geen oplossing.

'Hij wilde het niet geheim houden.'

'Dat zal wel.'

'Hij wist niet hoe hij erover beginnen moest.'

Ze liep naar een zilveren sigarettendoos die in de boekenkast stond, haalde er een stompje kaars uit, keek ernaar en legde het weer terug, pakte een sigaret en een aansteker. De doos was gelig, in geen jaren gepoetst, helemaal niet wat je hier zou verwachten. Ze stak de sigaret aan, trok er gulzig aan, opende haar mond met een vies gezicht, en plukte met haar vingers een flintertje tabak van haar tongpunt.

'Die liggen hier al minstens tien jaar. Wij zijn gestopt. Hans helemaal, ik meestal. Toen ik voor het eerst vermoedde dat hij iemand had, heb ik ook stiekem een sigaret opgestoken.'

'Goh. . .'

'Eentje maar hoor.'

Ze sloot de doos met een zacht tikje van haar wijsvinger. 'Wanneer is het begonnen?'

Ik dacht dat ze het nog steeds over roken had. Zo klonk ze ook, alsof ze Hans en mij achter een schuurtje had betrapt met een sigaret.

'Jullie. U. Dat u hem meenam naar de kerk, wanneer is dat begonnen?'

Ik deed mijn best niet te laten merken dat ik wel zag hoe misprijzend ze naar mijn witte sokken keek. Witte sokken schijnen niet te kunnen, weet ik, is me al eens verteld. Maar ik heb deze schoenen te groot gekocht, en met die tennissokken passen ze precies. Ik liet mijn hand weer in de zak van mijn regenjas zakken, een regenjas van C & A. Kan ook niet, staat voor: cheap and awful, heb ik eens gelezen. Allemaal dingen die je moet weten om bij vrouwen als Lily door de beugel te kunnen. Door hen serieus genomen te worden. Het christendom vinden ze ook maar C & A, een jas waar je je niet in kunt vertonen.

Ik klemde mijn vingers om de volgende kraal, vervloekte het uur dat ik had besloten Lily te bellen, en bad om de juiste woorden. Ze wilde weten hoe en wat, en als ik iets verkeerds zei, iets om maar wat te zeggen, kon niemand het herstellen. Het was aan mij. Hoe moest ik het uitleggen? Moest ik haar die droom vertellen?

Jarenlang droomde Hans dat er in dit huis met de open keuken, de hal, de woonkamer met de haard, de serre en de werkkamer, en ik weet niet hoeveel slaapkamers boven, nog een kamer was. In zijn droom dwaalde hij door het huis en ontdekte op zolder een deur. Een deur die hij nooit eerder had gezien. Hij opende hem, en stond in een grote, lichte kamer. Die nog lichter leek doordat er over alle meubels witte lakens hingen. Iedere keer wanneer hij die droom droomde, de deur op zolder opende, de witte kamer binnenliep was hij als een kind zo opgewonden. Als hij wakker werd, was hij het nog, opgewonden alsof hij iets op het spoor was, een groot geheim.

Hij bleef die droom dromen, vroeg zich af wat het kon betekenen. Had hij een talent dat hij zelf niet kende? Zou hij nog een keer van baan veranderen? Zou hij in een hotel ver weg, in het maanlicht tussen krakend schone lakens, iets met Lily ontdekken dat een heel nieuw paar van hen zou maken? Die droom bleef terugkomen, tot hij op een nacht, zonder te weten waarom, opstond, zachtjes om Lily niet te wekken de trap afliep, zijn werkkamer binnenging, de luxaflex dichtdeed, een kaars opstak, knielde en het Onze Vader bad. Wat er met hem gebeurde, heeft hij me nooit verteld. Wij vertelden elkaar ook niet alles. 'Het was niks sensationeels, niet iets dat je een wonder zou kunnen noemen', zei hij, 'maar toch was het dat voor mij, misschien alleen al omdat ik daar zat, op mijn knieën, en bad.' Ik heb niet verder gevraagd. Er zijn dingen waar je nooit over praat, die je op een briefje schrijft dat je in de voering van je jas naait. . . Vanaf die dag sloop hij iedere nacht de trap af, zijn werkkamer in, om te bidden - tot hij te ziek werd om trappen te lopen.

Ik kon toch moeilijk bij Lily aankomen met een droom, die haar man had gedroomd terwijl hij naast haar lag, onder hetzelfde dekbed. Een droom, die hij haar nooit had verteld, maar mij wel. Waar moest ik dan beginnen? Ze vroeg alweer naar het begin, alsof het allemaal met mij begonnen was, alsof een mens in staat is een ander te bekeren.

'Ik zat op een bankje te lezen. . .'

'Waar?'

Ik ben nooit zo lang van stof, maar het leek me beter haar vragen zo volledig mogelijk te beantwoorden.

'In de bocht, van de Lange Bedekte Weg. Gezelle. Ik was bezig een gedicht uit mijn hoofd te leren, toen Hans langskwam. 'Want 't bladtjen was geworden lijk / het water / Zoo plooibaar en zo vloeibaar als / het water....' Hans stopte en vroeg van wie die regels waren.'

'Heeft u geen tuin?'

'Alleen een balkon.'

Ik vertelde dat we in gesprek raakten over Gezelle, over mijn ziele was dat bladtjen: en / dat water... en dat we vanzelf op andere schrijvers kwamen. Ik noemde een titel, en zei dat hij dat boek ook gerust van mij kon lenen als het niet meer te krijgen was. 'Toen heb ik hem hem mijn telefoonnummer gegeven.'

Ze fronste.

'Als ik jonger was geweest, had ik hem mijn nummer niet gegeven', zei ik snel. 'Maar ja, dan was het gesprek ook niet meteen op ziel gekomen.'

'Ik weet niet wat ik erger vind.'

'Wat?'

'Deze zielsverwantschap of wat ik me voorgesteld bij een zondagochtend met Marja.'

'Maar wij deden toch niks?'

'En dat bidden dan?'

Bijna had ik gezegd dat hij ook hier bad, 's nachts als zij al sliep. Daar hij er speciaal voor uit bed kwam, de luxaflex sloot, een kaars opstak.

'Dat bidden was toch niet. . . tegen u.'

'Toch ook niet voor mij, hoop ik?'

'Wat bedoelt u?'

'Jullie hebben toch niet voor mij gebeden?' Ze keek me argwanend aan. 'Dat ik ook tot inkeer zou komen ofzo?'

'Nee, nee, natuurlijk niet', stamelde ik.

'Ik wil het niet hebben!' Haar stem sloeg over, ze keek me niet meer aan, liep heen en weer door de kamer, als een dier in een te klein hok.

'Het idee dat u samen voor mij heeft gebeden. Ik wil het niet.' Ze sloeg met haar vlakke hand op het bureau, haar ogen waren nu even blauw als haar jasje. Ze geloofde dan misschien niet, maar ze leek toch echt te denken dat een gebed haar op de een of andere manier zou kunnen schaden.

'Als hij niet al dood was, ging ik scheiden.'

'Dat hoeft toch niet! We waren zelden alleen. Zeker zondagsochtends zitten er altijd veel mensen in Weesp. Als hij bij mij thuis kwam, baden we nooit samen. Echt niet.'

'Wat deed u dan.'

'Praten.'

'Het kwam natuurlijk wel goed uit, dat hij er met mij nooit over sprak. Dat u hem wat het geloof betreft helemaal voor uzelf had?'

Ik schudde mijn hoofd, zag aan haar dat ze dacht dat ik uit braafheid nee schudde. Maar jaloezie daar weet ik alles van. Als kind vond ik het vreselijk dat als ik lekker zat te tekenen, mijn broer ook zo nodig moest. En dan al mijn potloden wilde lenen, altijd het blauw als ik net met de lucht bezig was. Dat vriendinnen, zodra ik ergens enthousiast over begon te worden, zeiden 'dat wil ik ook'. Met God is dat niet zo, vreemd genoeg, die gun ik iedereen. Terwijl ik het dacht, wist ik al dat Lily die zin niet zou overleven. Te E & O, te C & A.

Ik liet mijn hand weer in de zak van mijn regenjas glijden, want ik wist dat ik, als ik mijn hoofd niet zou vullen met woorden, zou gaan praten om te praten. Gij zijt de gezegende onder de vrouwen, en gezegend is Jezus, de vrucht van uw schoot. Heilige Maria, moeder van God, bid voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood... Over het woord zondaar was Hans meteen gevallen, de eerste keer dat ik de rozenkrans voorbad. Hij vond het te zompig, te zwart. Het herinnerde hem aan de donder die zijn hele jeugd elke zondag vanaf de kansel over hem heen was gerold. Was hij een zondaar? Was een kind dat net de rozenkrans had leren bidden een zondaar? Laad het woord met wat je wilt, zei ik, maar laat het woord zelf met rust. Een kind denkt bij zondaar misschien aan iets vals dat het heeft gezegd, maar een volwassen man die zijn vrouw bedriegt, zijn baas, of zichzelf wil misschien wel zondaar heten. We kunnen toch niet iedere tien jaar de woorden veranderen, net zo lang tot niemand nergens meer aanstoot aan neemt. Woorden die al eeuwen gezegd worden: O, schoonheid zo oud en zo nieuw. 'Ben ik een zondaar omdat ik Lily niet vertel dat ik weer bid? Dat ik door jou een kerk gevonden heb, waar ik graag kom?' Voor ik iets kon zeggen, begon hij voor de zoveelste keer uit te leggen waarom hij het haar niet vertellen kon.

Lily stond bij het raam, had een tweede sigaret opgestoken. Ze keek niet alsof ze ervan genoot. Misschien wilde ze iets proeven dat net zo bitter was als ze zich voelde. Ze was niet altijd zonder God door het leven gegaan. Iets met een eindexamen, waar ze ondanks hard werken en bidden niet voor was geslaagd - daarom had ze God afgeschaft. Hans vertelde het ernstig, alsof het om de grote crisis in Lily's leven ging. Tientallen verhalen heb ik gehoord over de teleurstelling die God werd, toen hij niet deed wat hem werd gevraagd. Ik heb nooit begrepen waarom al die mensen zo boos waren op God, en niet op hun ouders, leraren, priesters, die zo'n vreemd beeld van hem hadden geschapen. Ze geven hun kinderen toch ook niet achttien jaar pap en geprakte banaan? Ze blijven niet eeuwig Nijntje voorlezen, waarom dan wel vasthouden aan een hemel waar van gouden bordjes gegeten wordt, aan een man op een wolk die je kan laten slagen, winnen, alles wat je hartje begeert.

Lily hield veel God, zei Hans. Ik heb het vaker horen zeggen: 'Het was niet makkelijk. Ik was diep gelovig.' En dan wordt er meewarig geglimlacht om het kind, het naïeve kind, dat we geweest zijn. En dat begrijp ik niet. Hoe kun je zo'n grote liefde afschaffen? Dat je afrekent met gouden bordjes, en veel te simpele verklaringen, en bangmake voor alles en nog wat tot je eigen lichaam aan toe - dat begrijp ik, dat moet. Maar de liefde die je als kind gevoeld heb, hoe kun je die uit je leven bannen, voorgoed?

Ik trapte met mijn linkervoet mijn rechter hak uit, bewoog mijn tenen en zon op wraak. 'Hoe lang heeft u hem niet meer gezien?'

'Ik ben hem in het ziekenhuis een keer op komen zoeken.'

'Miste u hem niet? Als vriend, bedoel ik, als de vriend waarmee u zo goed kon praten?'

'Ja, maar als ik bad, en aan hem dacht, was hij in de buurt.'

'Gaat dat zo?'

'Zo gaat dat, ja.'

'En andersom. Denkt u dat hij u ook al biddend heeft proberen te bereiken?'

Ze bloosde, haalde haar schouders op, en keek naar de punt van mijn schoen. Ze hoefde niet bang te zijn, trappen zou ik haar niet, ik kreeg een veel beter idee.

'Er is iets dat u weten moet. . .'

Ze keek me verrast aan.

'Mijn man wist dat hij doodging, dat wisten we al drie maanden, dat hij dood zou gaan. We hebben het over van alles gehad. Wij hadden geen oppervlakkig huwelijk, al denkt u misschien van wel.'

'O, nee. . .'

'Natuurlijk kwam het gesprek ook op. . . op al die zaken waarover hij zo intensief met u gesproken heeft. 'Heb je nu je sterven gaat, niet de neiging om toch weer eens

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden