Waar voorzorg nalatig wordt

De oeroude wijsheid dat voorkomen beter is dan genezen werd in 1992 als Principe nr. 15 aanvaard op de wereldconferentie over milieu en duurzame ontwikkeling in Rio de Janeiro. Aan de vooravond van de vervolgconferentie in het Zuid-Afrikaanse Johannesburg groeit de twijfel over dit voorzorgbeginsel. Het is niet alleen onwerkbaar vaag, maar kan ook leiden tot nalatigheid. Wetenschapsjournalist Joost van Kasteren verkent de valkuilen van voorzichtigheid.

Dat klinkt helderder dan het is; met het voorzorgbeginsel blijk je vele kanten op te kunnen. De Europese Unie maakte het voorzorgbeginsel twee jaar geleden tot leidraad bij het beschermen van milieu en gezondheid. En daarbij legde de EU een link naar haar handelspolitiek. Europa hield zich het recht voor importen te verbieden als zij vermoedde dat de goederen milieu en/of gezondheid bedreigen, ook zonder dat die bedreiging wetenschappelijk was onderbouwd.

Zich beroepend op het voorzorgbeginsel probeerde de EU onder meer het verbod te legitimeren op de import van vlees van runderen die met het groeihormoon BST (bovine somatotropine) waren behandeld. Vergeefs overigens; de Wereldhandelsorganisatie (WTO) eiste dat de Europese Unie zijn verdenkingen tegen met hormonen behandelde runderen hard maakte. En wetenschappelijke bewijzen voor gezondheidsschade zijn er niet. Het gevolg is dat EU jaarlijks 160 miljoen euro moet betalen aan sancties die door de WTO zijn opgelegd.

Het voorzorgbeginsel inspireerde de EU ook tot wetgeving die de chemische industrie verplicht om alle stoffen die zij op de markt brengt te testen op milieu- en gezondheidsrisico's. Ook de stoffen waarvan schadelijkheid niet eens wordt vermoed.

Ook de Nederlandse overheid hanteert het voorzorgbeginsel, bijvoorbeeld als het gaat om biotechnologie. Gevolg was dat in het tijdperk van Paars het verkrijgen van een vergunning voor veldproeven met genetisch veranderde gewassen lastiger was dan het winnen van de hoofdprijs in de Staatsloterij.

De milieubeweging legt het voorzorgsbeginsel uit als 'Bij twijfel niet inhalen', ofwel: afzien van een activiteit of van een stof als de onschadelijkheid niet onomstotelijk is bewezen. Voor Greenpeace houdt dat onder meer in dat genetisch gemodificeerde organismen niet toegelaten mogen worden, omdat niet wetenschappelijk bewezen is dat ze geen schade opleveren voor mens en/of ecosysteem. Datzelfde geldt voor synthetische chemicaliën. Ir. Eco Matser, hoofd van de Campagne Giftige Stoffen van Greenpeace stelt, dat een overheid die het voorzorgbeginsel als leidraad hanteert geen stoffen moet toelaten waarvan de onschadelijkheid niet vaststaat.

Dat klinkt redelijk, maar bij nadere beschouwing doen zich zowel filosofische als ethische problemen voor. Een filosofische vraag is hoe je wetenschappelijk kunt bewijzen dat een stof of activiteit volstrekt onschadelijk is. Het verhaal gaat dat Ludwig Wittgenstein bij zijn eerste ontmoeting met de filosoof Bertrand Russell vroeg of hij kon bewijzen dat er in de kamer géén nijlpaard was. Hoewel beide filosofen op een gegeven moment op hun knieën lagen om onder de bank te kijken, konden ze het strikte bewijs van de niet-aanwezigheid van een nijlpaard niet leveren.

Een verantwoord onderzoeker zal nooit kunnen zeggen dat een stof of activiteit onschadelijk is, omdat hij of zij dat niet kan bewijzen. Het is een omkering van de bewijslast die ervoor zorgt dat het licht nooit meer op groen gezet kan worden. Een consistent gebruik van het voorzorgbeginsel leidt ertoe dat niet alleen de wetenschap, maar ook de samenleving krakend tot stilstand komt.

Een ethisch probleem is dat het nalaten van een activiteit ook risico's met zich meebrengt. In zijn recente publicatie over het voorzorgbeginsel ('Risico's van preventie', uitg. Heidelberg Appeal Nederland) noemt de dr. Jaap Hanekamp het voorbeeld van landbouwgewassen die, door genetische modificatie, productiever zijn dan hun traditionele soortgenoten. Europese consumenten die niet geplaagd worden door voedseltekorten kunnen zich de luxe veroorloven bezorgd te zijn over de effecten van genetisch gemodificeerde voedingsmiddelen op hun gezondheid. In landen waar de voedselvoorziening wisselvallig is, zal men eerder de voordelen van dit soort gewassen zien. De eventuele risico's ervan wegen ruimschoots op tegen de voordelen van hogere opbrengsten. Inmiddels echter blijkt de angst voor het verlies van exportmogelijkheden zo groot dat de regeringen van Zimbabwe en Zambia Amerikaanse voedselhulp weigeren, vanwege het gevaar dat genetisch gemodificeerde maïs als zaaizaad wordt gebruikt. Toepassen van het voorzorgprincipe in West-Europa kan daardoor indirect leiden tot vergroting van de hongersnood.

Een ander voorbeeld is DDT. Dat, inmiddels beruchte, bestrijdingsmiddel werd in de jaren zestig in veel landen verboden, omdat het kankerverwekkend zou zijn en bovendien massale sterfte zou veroorzaken onder roofvogels. Volgens het rapport 'Facts versus fears' van de American Council for Science and Health zijn beide claims nooit hard gemaakt. Het waren vermoedens die steunden op verkeerd uitgevoerde experimenten. Wel een hard gegeven is, dat dankzij het gebruik van DDT in Sri Lanka het aantal gevallen van malaria daalde van 2,8 miljoen in 1948 tot 17 in 1963. Vanaf 1964, toen DDT werd verboden, begon het aantal gevallen van malaria weer te stijgen, tot 2,5 miljoen in 1970.

Hoe paradoxaal ook, voorzorg kan leiden tot nalatigheid. Een nalatigheid die, zoals in het geval van malaria, ernstige gevolgen kan hebben. Daarom pleit prof. Tjard de Cock Buning voor een minder strikte interpretatie van het voorzorgbeginsel. De Cock Buning is hoogleraar Dierproefvraagstukken in Utrecht en voorzitter van de subcommissie Ethische en Maatschappelijke Aspecten van de Cogem, de commissie die de overheid adviseert over milieu-effecten van genetisch gemodificeerde organismen. In plaats van het vooraf bewijzen van de onschadelijkheid van een stof, zou je, zo meent hij, de producent van die stof moeten vragen om een worst case-scenario op te stellen, waarin wordt nagegaan wat er allemaal mis kan gaan.

Op basis daarvan zou je de producent moeten verplichten een vangnet aan te brengen. Te denken valt aan een systeem waarbij de producent registreert wie zijn product gebruikt en waarvoor. Of een genetisch gemodificeerde plant die zodanig is behandeld dat zijn nakomelingen onvruchtbaar zijn.

De Cock Buning: ,,Aan de ene kant mag het feit dat je bepaalde risico's niet wetenschappelijk kunt bewijzen, geen reden zijn om ze dan maar te negeren. Aan de andere kant kun je van een producent ook niet vragen om te bewijzen dat zijn product of zijn activiteit absoluut onschadelijk is, want dan loop je de kans dat je het kind met het badwater weggooit, dat je een nuttig product of een zinvolle activiteit verbiedt. Je zult je gezonde verstand moeten gebruiken om de gulden middenweg te vinden tussen het wegwuiven van risico's en het verabsoluteren ervan.''

In het gezonde verstand van De Cock Buning wordt het voorzorgbeginsel niet gereduceerd tot 'alles verbieden waarover twijfel bestaat', maar een afweging van de risico's en de kosten van het vangnet tegen het nut van een stof of activiteit voor de samenleving.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden