Waar verzet ophield en willekeur begon

Atie Visser bekende 65 jaar na dato de moord op Felix Guljé. Voor meer verzetslieden hield de oorlog niet op 5 mei 1945 op. Behalve de Leidse ingenieur werden ook anderen het slachtoffer van liquidaties.

A ls 'Rooie Chris' had Hendrik Jan Scheffer naam gemaakt in het verzet. De oorlog was een maand voorbij, toen hij op 5 juni 1945 de 25-jarige Kitty van der Have meevoerde naar de woning van Jos de Groot in Rotterdam. De drie hadden tijdens de bezetting deel uitgemaakt van de knokploeg-Westland. Nu onderwiepen zeven voormalige verzetslieden de jonge vrouw aan een verhoor, probeerden haar door middel van marteling tot een bekentenis te dwingen, bevonden Van der Have schuldig aan verraad, bedwelmde haar met chloroform en verdronken haar in een badkuip. Om herkenning te voorkomen werd Van der Have's hoofd kaalgeknipt. Daarna verdween het stoffelijk overschot in twee aan elkaar genaaide zakken. Een deel van de betrokkenen voer in een roeiboot de Maas op en gooide Van der Have als afval van een voorbije oorlog in het water.

Op 11 juni werd haar lichaam gevonden. Het was komen bovendrijven in een van de Rotterdamse havens. De verminkingen waren dusdanig dat een tandarts met gebitsgegevens de identiteit van het slachtoffer moest vaststellen. Op 18 juni werd Kitty van der Have begraven. Met militaire eer, dat moet de zeven mannen die betrokken waren bij haar dood pijn hebben gedaan. Want haar dood gold voor hen als de vergelding voor het vermeende verraad van een overval. Van der Have, pas in maart 1945 toegetreden tot het verzet, onderhield namens de knokploeg de contacten met de Duitsers. Ze zou op de avond van de overval haar verjaardag vieren op hun Dienststelle. Als iedereen daar voldoende dronken was, kon de groep-Westland toeslaan.

De opzet mislukte. De knokploeg stuitte op onverwacht veel verzet en mitrailleurvuur. Marinus van der Stoep, een van de voormannen van het Rotterdamse verzet, raakte zwaargewond. Hij overleed vier dagen later.

De beschuldigende vinger wees richting Van der Have. Zij had haar oog laten vallen op een Duitse kok. Die had ze ontraden om op de bewuste avond naar het feest te komen. De man deed echter meer. Hij bracht de bezettingsautoriteiten op de hoogte van het advies.

Een stommiteit, noemde de Binnenlandse Strijdkrachten Van der Have's tip richting de kok. Ze verhoorden de verzetsvrouw na de bevrijding. Haar oude strijdmakkers waren minder mild. Zij spraken van hoogverraad. Dat schreeuwde om wraak.

De onlangs publiek geworden bekentenis van de 96-jarige Atie Visser dat ze in 1946 de Leidse ingenieur Felix Guljé omlegde, vestigde weer eens de aandacht op liquidaties na afloop van de oorlog. Veel verzetslieden en would-be-verzetslieden brachten het geduld niet op om te wachten op de nieuwe orde. Anderen namen het recht in eigen hand, omdat ze de justitiële maatregelen tegen collaborateurs veel te slap vonden.

Atie Visser ('Karin' voor haar verzetsvrienden) combineerde haar ondergrondse klus van na de bevrijding nota bene met een baan bij de Politieke Opsporingsdienst (POD), de organisatie die was belast met het opsporen van 'foute' Nederlanders. Veel mensen uit de illegaliteit werkten voor de POD of voor de Binnenlandse Strijdkrachten en het Militair Gezag, andere organisaties die betrokken waren bij het herstel van recht en orde. Guljé werd in Vissers ogen onvoldoende aangepakt voor economische collaboratie. In werkelijkheid had hij getoond het hart op de juiste plaats te hebben, onder meer door hulp aan Joden.

In zijn tweedelige geschiedenis van de Binnenlandse Strijdkrachten haalde G.J. van Ojen in 1972 al uit naar de verzetslieden die na de bevrijding van geen ophouden wisten. Liquidaties definieert hij als laakbare gevallen van eigenrichting na het vertrek van de vijand en het verdwijnen van de wetteloosheid. Journalist Jack Kooistra en historicus Albert Oosthoek dragen in hun twee jaar geleden verschenen 'Recht op wraak. Liquidaties in Nederland 1940-1945' een flink aantal gevallen aan.

Rondom de bevrijding, afhankelijk van de plaats in Nederland tussen september 1944 en mei 1945, speelden zich in sommige oorden weinig verheffende taferelen af. Terwijl de menigte feest vierde, was het voor sommigen bijltjesdag: tijd om af te rekenen met verraders of met mensen die ze om andere redenen een hak wilden zetten. Een deel van de wraakzuchtigen wilde zichzelf in dit laatste stadium nog van een heldhaftig oorlogs-cv voorzien. Op het politiebureau van Nieuweramstel werd op 5 mei 1945 Geurt van den Berg neergeschoten door een collega. Van den Berg had geen al te kwalijke zaken op zijn kerfstok, maar had wel op de op Duitse leest geschoeide politieopleiding in Schalkhaar gezeten. Zijn bureaugenoot Van der Haar, erop gespitst om zich voor te doen als goed vaderlander, vroeg na het bekend worden van de Duitse nederlaag om Van den Bergs dienstwapen. Toen die dat niet wilde afgeven, werd hij met een kogel geveld.

'Moffenhoeren' werden ondertussen kaalgeschoren. Collaborateurs werden opgebracht. De methodes waren in nogal wat gevallen onnauwkeurig, onoverdacht en onmenselijk. Trauma's en frustraties van de afgelopen vijf jaar zochten een uitweg. Soms ging het louter om wreedheid. In de (deels provisorische) gevangenissen en kampen, waar 'foute' Nederlanders werden vastgezet, was de behandeling zelden zachtzinnig. Gewelddadige of dronken bewakers reageerden zich af op gedetineerden of schoten hun geweren leeg op bewegende doelwitten.

Een beperkt aantal 'verdachte elementen' werd nooit gearresteerd; daar rekende het verzet zelf mee af. De Haagse advocaat en procureur Hendrik de Boer, die volop actief was geweest in de illegaliteit, werd neergeschoten, toen hij op 3 juni 1945 de voordeur van zijn huis opende. Hij overleed enkele dagen later. De Boer zat niet alleen in het verzet, maar was ook een soort intermediair tussen de ondergrondse en de Sicherheitsdienst. In dat schemergebied tussen goed en fout, ontstonden al snel misverstanden, zoals de zaak-Kitty van der Have al liet zien. Mogelijk wist de jurist ook te veel van onfrisse zaakjes die zich hadden afgespeeld in illegale kringen.

Op de datum van de afrekening met De Boer werd in Nieuwerkerk aan den IJssel het levenloze lichaam van Pieter Kuntz gevonden. De kogel in zijn hoofd duidde op een afrekening. De Rijksduitser (Duitser die al voor de oorlog in Nederland woonde) had vanaf begin 1943 verplicht in de Wehrmacht gediend. Op Dolle Dinsdag, de dag in september 1944 dat het einde nabij leek, deserteerde Kuntz. Kort daarna sloot hij zich aan bij het verzet in Rotterdam. Hij bewaakte onder meer een munitie-opslag in een boot. Begin 1945 werd hij opgepakt door de Sicherheitsdienst. Die zaagde hem door over zijn activiteiten. Na martelingen sloeg hij door en gaf hij informatie over de ligplaats. Het zou weinig kwaad kunnen, vermoedde hij, omdat de boot volgens de reguliere handelwijze allang verplaatst zou zijn. Dat klopte. Maar net op de dag van Kuntz' bekentenis was hij weer op het oude plekje neergelegd. Elf verzetslieden bekochten het met hun leven. In de ogen van de achterblijvers moest Kuntz wel een verrader zijn.

In het kader van de Bijzondere Rechtspleging kregen na verloop van tijd meer en meer collaborateurs straf. In het begin ging het er streng aan toe, maar al snel straften de magistraten milder. Een deel van de conomische en andere relatief lichtere vergrijpen kwam niet eens voor de rechter. Tot afgrijzen van de voormalige illegaliteit besloot de regering na een paar jaar al tot de eerste gratiëringen.

De snel afnemende invloed van het verzet droeg eveneens bij aan het misnoegen bij de mensen die tijdens de bezetting hun leven hadden gewaagd voor het vaderland. Vooral koningin Wilhelmina voorzag tijdens de oorlog een grote rol voor vertegenwoordigers van de illegaliteit in het bevrijde Nederland. Ze droeg die denkbeelden over "de nieuwe adel" ook uit, bijvoorbeeld tijdens toespraken voor Radio Oranje. Veel verzetsmensen droomden ondertussen mee over een Doorbraak, een afrekenen met de verzuilde verhoudingen van voor 1940. In de werkelijkheid van na 1945 keerde in veel gevallen de oude elite weer terug op haar plaatsen van voor de Duitse inval. Zelfs voor politici die volgens sommigen niet helemaal van onbesproken gedrag waren, zoals de katholieke voormannen Romme en De Quay, werd plaats ingeruimd.

De meer uitgesproken takken van het verzet zagen zichzelf verbannen naar de marges van de politiek. De illegalen met communistische sympathieën werden in het licht van de Koude Oorlog zelfs meer en meer als nieuwe staatsvijand gezien.

Voor een deel van de oud-verzetslieden wilde de vrede maar niet wennen. De oorlogstijd had vol gevaren gezeten, maar kende ook een prettig soort vrijheid met eigen regels en eigen zeden. Niet iedereen kon zich na zo'n periode weer voegen in een burgerlijk bestaan. Het avontuur bleef lonken. Het verklaart waarom nogal wat van hen zich vrijwillig melden voor de strijd in Indië of iets later voor de oorlog in Korea. In het gevecht tegen het Rode Gevaar in dat laatste land stonden ze overigens niet zelden zij aan zij met voormalige NSB'ers en SS'ers.

Teleurstelling over de rechtsgang, de politiek, en de blijvende zucht naar avontuur maakten dat sommigen nog na mei 1945 vermoede vijanden uitschakelden. De schimmige verhalen rondom deze afrekeningen kwamen nauwelijks naar buiten. Als het Nederland van de wederopbouw al terugkeek, dan deed het dat met de nationale verzetsmythe, het verhaal van de natie die was overweldigd door een buitenlandse mogendheid, maar die zich ook na de nederlaag dapper bleef weren. Een centrale rol was daarbij ingeruimd voor mensen die voorop waren gegaan in de illegaliteit. Die waren goed, niet grijs of zelfs een beetje fout.

Ook de moord op Kitty van der Have verdween aanvankelijk in de doofpot. Op verzoek van leden van het voormalige verzet staakte de politie het onderzoek. In 1950 kwamen de gebeurtenissen van 5 juni 1945 alsnog naar buiten, toen een betrokkene, opgepakt voor een andere kwestie, een bekentenis aflegde in de zaak-Van der Have. Alle verdachten moesten voor de Krijgsraad verschijnen, omdat ze op het moment van de moord werkten voor het Militair Gezag. Een voor een werden ze veroordeeld, maar verder dan voorwaardelijk durfden de rechter bij deze 'goede vaderlanders' niet te gaan. 'Rooie Chris' werd met een jaar voorwaardelijk het zwaarst gestraft.

De afrekening kwam in 1976 nog eens uitgebreid in het nieuws naar aanleiding van een rumoer van een werkelijk foute Nederlander die tot dat moment de dans was ontsprongen, de kunstverzamelaar Pieter Menten. De journalist Hans Knoop bracht de zaak aan het rollen. Andere media besteedden er ook flink aandacht aan. Toenmalig minister van justitie Dries van Agt stelde een commissie in die via wetenschappelijk onderzoek moest achterhalen hoe Menten de dans had kunnen ontspringen. Hendrik Jan Scheffer, historicus en secretaris van de sociaal-wetenschappelijke raad van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen kreeg de leiding. Inderdaad: 'Rooie Chris'.

Die had het ministerie vooraf gewezen op zijn verleden, maar daar had men niet zo goed geluisterd. Toen na de benoeming van Scheffer enige beroering ontstond, werd hij door Van Agt van zijn taak ontheven.

Opnieuw meer dan een kwarteeuw later vormde de figuur van Kitty van der Have een van de inspiratiebronnen voor de door actrice Carice van Houten gespeelde Rachel Stein in Paul Verhoevens 'Zwartboek'. Een van de sleutelzinnen van die film, "Houdt het dan nooit op?", zal de gevoelens van veel betrokkenen bij de naoorlogse liquidaties aardig samenvatten.

Bijzondere rechtspleging
Eind 1943 nam het Nederlandse kabinet in Londen het Besluit Buitengewoon Strafrecht. Dat stelde allerlei vormen van hulp aan de Duitsers strafbaar. Tegelijkertijd probeerden de ministers in ballingschap de rechtsgang en detentie na de oorlog te regelen.

Het voorkwam een golf aan afrekeningen. In landen als Frankrijk sneuvelden duizenden collaborateurs in de eerste periode na de bevrijding. In Nederland verdwenen mensen wel massaal achter de tralies. Voor zo'n 140.000 mensen bleef het bij voorarrest, 66.000 verdachten kwamen daadwerkelijk voor: een kwart voor bijzondere gerechtshoven, driekwart voor tribunalen.

"In bevrijd Nederland zal voor landverraders geen plaats meer zijn", had koningin Wilhelmina al een jaar na de Duitse inval verklaard. De in 1870 afgeschafte doodstraf werd speciaal voor oorlogsmisdadigers heringevoerd. 39 collaborateurs eindigden voor het vuurpeleton. De laatste executie dateert uit maart 1952. De overige veroordeelden kregen vrijheidsstraffen opgelegd of werd voor bepaalde of onbepaalde tijd het actief en passief kiesrecht afgenomen, of het recht om bepaalde beroepen uit te oefenen.

De bijzondere rechtspleging functioneerde van 1945 tot en met 1952. Het merendeel van de zaken werd in de eerste vijf jaar behandeld. De werklast voor de betrokken juristen was enorm.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden