Waar stond-ie nou, die Muur?

BERLIJN - Hij was natuurlijk over zijn hele 155 kilometer lengte naargeestig om te zien, de Berlijnse Muur. Maar bijzonder treurig was hij aan de Bernauer Strasse. Daar hield tot vijf jaar geleden de westelijke wereld op bij een stoeprand. Die stoep is het nu het enige dat eraan herinnert dat ook de andere - oostelijke - zijde van de Bernauer Strasse ooit bebouwd was.

De huizenrij die hier stond was op de dertiende augustus 1961 plotseling deel van de Muur geworden en terwijl deuren en ramen op de onderste verdiepingen werden gebarricadeerd en dichtgemetseld, waagden mensen uit de bovenste verdiepingen een levensgevaarlijke sprong in de vrijheid.

In geen enkele documentaire over de Muur zullen de dramatische beelden uit de Bernauer Strasse ontbreken, daar waar de Muur zijn lelijkste gezicht had. Mede daarom heeft de stad Berlijn besloten langs deze straat een deel van de oorspronkelijke Muur te behouden, als een gedenkteken. Tenminste hier kan de meest gehoorde vraag van de Berlijn-bezoeker: 'Waar stond-ie nou, die Muur?' bevredigend beantwoord worden. Want elders langs het traject is vijf jaar na de Wende een cursus spoorzoeken voor gevorderden vereist.

Natuurlijk kan niemand in ernst verlangen dat de Berlijners hun Muur hadden moeten laten staan, maar een aanduiding van wat meer dan drie decennia deze stad - symbool voor de wereld - gespleten hield, dat zou om historische redenen op zijn plaats geweest zijn. Met een vinger langs een kaart uit '68 volgden we de Muurroute anno nu. De Muur is weg, maar de littekens zijn nog lang niet geheeld.

De anatomie van wat er stond, is dus aan de Bernauer Strasse nog te zien. Aan de meest westelijke kant stond de eigenlijke muur, een betonwand opgetrokken uit L-vormige segmenten die 3,60 meter hoog en 1,20 breed waren en waarvan de liggende basis van de L was ingegraven. Elk segment woog 2,6 ton.

Direct achter de wand lag een brede strook aangeharkt zand, vervolgens een door felle booglampen beschenen weg met betonnen platen waarover pantserwagens rolden, een baan waarlangs honden konden lopen en ten slotte een metalen afrastering - de zogenaamde 'Hinterlandsicherungszaun'. De breedte van deze beveiligingsstrook die in het westen de sinistere bijnaam 'Todesstreifen' kreeg varieerde naar gelang het terrein het toeliet.

In de Bernauer Strasse was dat een meter of vijftig, maar aan het Potsdamer Platz dijde het terrein tot driehonderd meter uit, terwijl aan de Sebastianstrasse door de dichte bebouwing slechts de straatbreedte kon worden aangehouden en oost en west in elkaars woonkamer konden blikken. In de Muurstrook waren de elf meter hoge wachttorens zo geplaatst dat de ene toren in zichtcontact met de andere stond - meer dan driehonderd stonden er in Berlijn. De militaire leiding van de DDR sprak trots over het 'achtste wereldwonder', zo perfect achtte men de grensbeveiliging. Tweehonderd vluchtelingen overleefden die beveiliging niet.

Als we de Bernauer Strasse in westelijke richting aflopen, belanden we bij een van de toegangen van het Nordbahnhof, een van die beruchte ondergrondse spookstations die ten tijde van de deling alleen maar de treinen voorbij zagen razen en waar slechts DDR-grenssoldaten met hun honden patrouilleerden. Het Nordbahnhof is inmiddels weer geopend, maar de sanering is bij deze toegang na meer dan vier decennia stilstand karig uitgevallen. De loketten zijn nog verzegeld in hun oorlogse toestand, gothische belettering wijst nog de richting van de dieper gelegen perrons aan, de holle, grauw betegelde ruimtes zijn koud en vochtig. Eigenlijk verkondigt alleen de kaartjesautomaat de nieuwe tijd.

Terug naar boven. Daar volgen we de Gartenstrasse in noordelijke richting, waar de Muur langs de ene zijde met het spooremplacement meeloopt en waar aan de andere zijde de woonflats van de Westberlijnse arbeiderswijk Wedding oprijzen, tot we de hoek van de Liesenstrasse bereiken.

Hier boog de Muur af richting westen, precies tussen twee, of eigenlijk drie begraafplaatsen door. Aan de westelijke zijde bevond zich het 'Friedhof der Neuen Dorotheenstüdtischen Gemeinde', aan de oostelijke zijde dat van de St. Hedwig-gemeinde, met aangrenzend dat van de Gemeinde van de Französischer Dom.

De Muur en de begraafplaatsen. Zelden zal de benaming 'Todesstreifen' toepasselijker geweest zijn als daar waar de Muur rigoureus over oude dodenakkers gebouwd werd. Grafstenen werden verwijderd, al dan niet met de begravene, en de toegang tot de kerkhoven geblokkeerd. Tot '85 konden alleen nabestaanden met een zogenaamde 'grafkaart' de begraafplaatsen bezoeken, daarna werd het regime iets losser. Nog steeds markeert een lege strook de ruimte die tussen de Liesenstrasse en de eerste graven werd geschapen, er is zojuist graszaad ingezaaid. Op de plek waar de Muur stond, is nu een stalen afrastering.

De Chausseestrasse oversteken. Hier valt het oog nu op een uitgestrekt, met onkruid overwoekerd terrein, standplaats van het Walter Ulbrichtstadion, later Stadion der Weltjugend genoemd. Oost-Duitsland vierde vanaf het begin van de jaren vijftig hier zijn sportieve successen. Het bouwvallige stadion - dat op de resten van het door Ulbricht opgeblazen keizerlijke stadsslot was gefundeerd - werd in '92 afgebroken. Even droomde Berlijn op dezelfde plek een Olympische hal te kunnen bouwen voor de Spelen van 2000, een bord met het Olympia-logo getuigt er nog van, maar die ambities zijn inmiddels begraven.

Van de Chausseestrasse boog de Muur af naar de Boyenstrasse, een straat die in zijn geheel is verdwenen en waar nu provisorisch een pad is aangelegd. Langs het Spandauer Schiffahrtskanal volgde de Muur zijn weg naar het zuiden in de richting van de Humboldthafen en de Rijksdag. Temidden van een leeg landschap dat als illegale dumpplaats van afval dient, is een landingsplaats voor helikopters afgezet voor het nabij gelegen militaire ziekenhuis.

Voor de Wende was dit ziekenhuis een hospitaal voor DDR-grenswachten en politie, nu heeft 'de Wehrmacht van de Bondsrepubliek Duitsland' - zoals een wandelaar met hond het uitdrukt - de gebouwen voor zich opgeëist. De wandelaar is een Ossi, dat verklaart zijn verspreking. Het uitzicht op het westen is hier langs het kanaal weinig opwekkend, zover men kijken kan ziet men bedrijfs- en expeditieterreinen, de vreugdeloze randbebouwing is nog lang niet overwonnen.

Zowaar treffen we nog een verdwaalde wachttoren aan. Bij de ingang hangt een moderne elektrische deurbel met intercom, erboven is - met verlichting - het huisnummer twee aangebracht. De toren is bewoond, gekraakt wellicht, maar de bewoner is niet thuis. De instructie voor de post is eenvoudig op het grauwe beton geschilderd: als de postbode de pijlen volgt stelt hij vast dat hij de brieven door een van de kijkgaten naar binnen kan werpen.

Iets verderop staat tot onze verrassing ook nog een stuk Muur overeind. Weer stuit het traject op een begraafplaats, het zogenaamde Invalidenfriedhof. Tussen de Muurresten en de vroegere kerkhofmuur ligt verdwaald in de Todesstreifen een weer opgerichte grafsteen van glimmend graniet voor Oberst Werner Mölders, gesneuveld in '41. Er liggen verse bloemen, maar dit na de Wende herstelde graf is heftig omstreden. Mölders was namelijk oorlogsvliegenier en wel in het legioen Condor, dat in de Spaanse burgeroorlog het stadje Guernica in puin legde. De Duitse geschiedenis is een mijnenveld.

Verder is ook hier de dodenakker voor de Muur ontruimd, van de oorspronkelijk drieduizend graven zijn er nog tweehonderd overgebleven. Ze bevinden zich achter de Muur, stenen getuigenissen van eeuwen van Pruisisch-militaire glorie. Zo bleef ook de adelstand niet voor de grillen van het Duitse lot gevrijwaard - bijna elke steen op het Invalidenfriedhof draagt in de naam het woordje 'von'. Het fraaiste grafmonument is dat van generaal Gerhard David von Scharnhorst, in de oorlog tegen Napoleon gewond en in 1813 gestorven. Op zijn graf, een ontwerp van Schinkel, prijkt een door pilaren gedragen slapende leeuw.

We steken de Invalidenstrasse over en bereiken via een omweg en onder het S-Bahnspoor door het eveneens lege terrein van de Humboldthafen. Helemaal leeg is het gebied bij nader inzien niet. Met een blik op de Rijksdag die aan de overzijde van de Spree oprijst, heeft zich een groepje alternatieve woonwagenbewoners op de vlakte gevestigd, hun provisorische tuintjes afgeschermd door het bordje 'Wacht u voor de hond' - een tikje macaber in dit voormalige grensgebied. Honden zien we overigens niet tussen de roestende tractoren en een half ingegraven autowrak, wel grazen er enkele geiten.

Iets verderop is de nieuwbouw van de 'Kronprinzenbrücke' over de Spree begonnen, maar voorlopig moeten we nog omlopen om de Rijksdag te kunnen bereiken. Aan deze zijde vinden we eerst nog het grafmonument voor de gevallenen aan de Muur, de laatste was op 5 februari '89 de 20-jarige Chris Gueffroy.

Achter de Rijksdag en voor de Brandenburger Tor langs voerde de doodstrook zuidwaarts naar het Potsdamer platz en ook hier wacht de bezoeker vooralsnog alleen maar een gapende leegte. Lang zal dat echter niet meer duren, al in de loop van volgend jaar moet hier de grootste bouwput van Europa ontstaan. Twee weken geleden legde de grootste investeerder, Mercedesproducent Daimler Benz, hier de eerste steen en binnen enkele maanden zal er een woud van bouwkranen gegroeid zijn, een toeristische attractie, waarop vooralsnog alleen de aannemersborden attent maken.

Voorbij het Potsdamer Platz boog de Muur in oostelijke richting de Niederkirchnerstrasse in. Aan de linkerzijde staat nu, in oude glorie hersteld, het Berlijnse stadsparlement te pronken. Aan de rechterzijde van het straatje waar zich nog steeds de schamele, tot op het staaldraad afgekloven Muurresten bevinden, ligt achter de zogenaamde Gropiusbau nog het terrein van de vroegere Gestapo-centrale.

Hier huisde in het door de nazi's geconfisceerde Prinz Albrecht-palais Heinrich Himmler, hier vonden de beruchte SS-verhoren plaats in kelderruimtes die deels nog voorhanden zijn. De gebouwen zelf zijn in het bommengeweld verdwenen. Een permanente tentoonstelling onder de titel 'Topografie des Terrors' documenteert de geschiedenis van de SS.

Nog een getuige uit oorlogstijden grensde hier aan de Muur. Op de hoek Niederkirchner- en Wilhelmstrasse staat de gebouwenkolos die Hermann Goering in de jaren dertig liet oprichten om er zijn Reichsluftfahrtministerium in te huisvesten. In DDR-tijden werd het gebouw als ministerie van economische zaken gebruikt, nu is het tot het eind van dit jaar nog hoofdzetel van de Treuhand.

Aan de overkant van de straat, daar waar de Niederkirchner overgaat in de Zimmerstrasse, is de wereld nog in tweeën gedeeld. Aan de oostelijke kant rotten ruïnes uit de oorlog weg, westelijk glanst moderne woningbouw met grote architectonische allure.

Dan bereiken we de wellicht beroemdste grensovergang van weleer: het Checkpoint Charlie. Op de slagbomen na - die staan op de monumentenlijst - is eigenlijk zowat alles verdwenen wat aan de overgang van de Amerikaanse sector naar de DDR (alleen voor niet-Duitsers!) herinnert.

Turkse souvenirverkopers slijten aan toeristen in cellofaan verpakte brokjes Muur, alle voorzien van een vals echtheidscertifaat.

Op een steenworp afstand bevindt zich het Muur-museum, dat de geschiedenis van dit verdwenen wereldwonder poogt vast te houden. En de route. Voor wie het allemaal nog eens na wil lopen, als ook de laatste sporen zijn weggewist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden