Waar staat de natie eigenlijk voor?

HANS GOSLINGA

Waar staat Nederland voor? De liberaal Paul Scholten, oud-burgemeester van Arnhem, vat het samen in het eerste artikel van zijn proeve van een beknopte Grondwet.

Het artikel luidt: 'Vrijheid en onafhankelijkheid van het Koninkrijk der Nederlanden zijn het hoogste goed. De overheid heeft de plicht de integriteit van Nederland te handhaven en de burgers tegen onwettige aantasting daarvan te beschermen.' In het tweede artikel preciseert hij dat het koninkrijk een democratische rechtsstaat is, die 'de menselijke waardigheid, de gelijkheid van allen voor de wet en de rechtszekerheid waarborgt'.

Het is meer dan de huidige Grondwet, die met een opsomming van de grondrechten met de deur in huis valt en een inleiding mist. Het karakter en de staatkundige grondslag van de natie liggen weliswaar in de 142 artikelen besloten, maar uit een oogpunt van binding en het ontwikkelen van burgerschap heb je daar weinig aan. Niet voor niets leidt onze Grondwet in het politieke leven een armetierig bestaan.

Nu de natie, volgens de vroegere NRC-columnist Heldring na de ontzuiling 'stroomloos' geworden, zo driftig op zoek is naar haar identiteit en het moeite kost de kernwaarden daarvan te bepalen en over te dragen, verdient de proeve van Paul Scholten serieuze aandacht, ook al omdat het hem is gelukt het aantal artikelen terug te brengen tot 25.

Is zo'n onderneming vooral bedoeld om immigranten duidelijk te maken in wat voor land zij zich vestigen? Nee, voor Nederland geldt hetzelfde als wat bondskanselier Merkel vorige maand over Duitsland zei, toen zij zich uitsprak voor een verbod op de 'niet bij ons horende' boerka: 'Tot de waarheid behoort ook dat sommigen, die altijd al hier woonden, evenzeer dringend een integratiecursus nodig hebben.'

Merkel voegde er nog een zin aan toe, die van betekenis is: 'Nog altijd geldt dat allen bepalen wie het volk zijn, niet een minderheid, hoe luidruchtig ook'. De vraag naar de identiteit verdient dus een breed en zelfs permanent debat, omdat een nationale identiteit niet statisch is, maar zoals de negentiende-eeuwse Franse filosoof Ernest Renan zei 'een dagelijks volksbesluit'.

Zelfs een grondwet heeft dus een tijdelijk en relatief karakter, al drukt hij waarden uit die diepe wortels hebben in de geschiedenis, zoals vrijheid en onafhankelijkheid. Duidelijk is wel dat een grondwet één is, het tot gelding brengen van constitutionele waarden twee. Zo gold de vrijheid van 'al Onze onderdanen' die koning Willem I bij de proclamatie van de nieuwe Grondwet in 1815 beloofde te beschermen, niet voor de slaven in de koloniën. Die moesten daar nog een halve eeuw op wachten.

De suggesties van Scholten kunnen helpen het constitutioneel bewustzijn te vergroten. Dat dit bewustzijn hier zo matig is ontwikkeld, komt niet alleen door de weinig inspirerende Grondwet. Voor de binding is hier vooral vertrouwd op het koningschap. Zo sterk dat de viering van 200 jaar Grondwet in 2015 aan de geboorte van de monarchie onder de Oranjes is gekoppeld en niet aan de eerste zeer democratische Grondwet die ons land kende, de Bataafse Staatsregeling van 1798.

De identiteit van de Nederlandse burgers werd gaandeweg vooral bepaald door hun religieuze of sociaal-politieke achtergrond. Tijdens de verzuiling hielden koningschap en pacificatiepolitiek de tegenstellingen in toom, maar door de ontzuiling, immigratie en vulgarisering van het koningschap doet het gemis aan een gemeenschappelijke identiteit en binding zich eens te meer voelen. Niet zo gek dat in dit klimaat de blik richting de Grondwet gaat als middel van binding.

Scholten komt met zijn proeve dus op het juiste moment. De Grondwet is van iedereen, geeft dus richting aan het debat en voorkomt als kristallisatiepunt dat een eenzijdige uitleg van begrippen als vrijheid dominant wordt. Niet voor niets wees president Obama er in zijn afscheidsspeech op dat de democratie geen uniformiteit vereist. 'Onze stichters discussieerden, zij ruzieden en uiteindelijk sloten ze een compromis.' Ze wisten wel, aldus Obama, dat de democratie een basisgevoel van verbondenheid vereist.

Aan dat basisgevoel schort het nu niet alleen in Amerika, maar ook hier en elders in Europa. Een van de stichters van de Verenigde Staten, Thomas Jefferson, meende dat de aarde in staatkundig opzicht van de levenden is. Hij concludeerde daaruit dat elke nieuwe generatie zich opnieuw over de grondwet zou moeten buigen, wat neerkomt op een discussie eens in de twintig jaar. Voor aanscherping van het constitutionele bewustzijn geen gekke gedachte, omdat het in wezen gaat om de vraag hoe je ondanks verschillen op een vreedzame manier met elkaar omgaat.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden