’Waar ligt de Thora begraven?’

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Na de Tweede Wereldoorlog was de voormalige synagoge van Elburg oefenruimte voor koren en orkesten. Een jaar geleden werd de sjoel een museum, dat vooral educatief wil zijn. ’Als jij de oorlog had meegemaakt en Jood was geweest, was je misschien ook wel dood’, stelt de elfjarige Anna, die met haar school op bezoek is.

Juf Marijke Weterholt duikt in de leskist en diept er gebedsriemen uit op. In het filmzaaltje van Museum Sjoel Elburg kijken de leerlingen van groep 6 en 7 van Het Octaaf geboeid toe hoe ze de riemen om haar arm legt. Dan slaat de juf het joodse gebedskleed om en haalt ze een mini Thorarol uit de kist. „Een echte kost wel 40.000 euro”, vertrouwt ze de elf- en twaalfjarigen toe.

„De Thora mag je niet aanraken, maar hoe doe je dat dan, als je eruit moet voorlezen, denken jullie?” Vingers schieten omhoog. „Met een stokje met een namaakvinger eraan.” „Heel goed”, zegt juf Marijke. „En hoe heet zo’n stokje?” „Een jat, juf.” „Juist. En dat woord kennen we hè? Uit het werkwoord jatten, dat is Jiddisch voor pikken. Kennen jullie nog meer Jiddische woorden?” „Pleite”, weet een van de jongens. „Goed zo.” En ze vult zelf aan: „Stiekem, gabber, smeris, bajes”.

Na de Tweede Wereldoorlog is de synagoge van Elburg voor verschillende, vooral culturele doeleinden gebruikt. Vorig jaar zomer is het een museum geworden, over de geschiedenis van joods leven in de provincie. Aanstaande zaterdag viert Museum Sjoel Elburg zijn eenjarig bestaan.

Sinds begin dit jaar verzorgt het museum lesbrieven voor het basis- en voortgezet onderwijs. Bij dit educatieve project hoort ook een bezoek aan het museum. In het afgelopen half jaar hebben al 1100 leerlingen de Sjoel Elburg bezocht, 750 uit het voortgezet onderwijs en 350 van basisscholen.

Juf Marijke probeert in ruim een uur zoveel mogelijk informatie aan de kinderen te slijten. Over Thora, minjan, bar mitswa, menora, chanoekalamp, davidster, en natuurlijk over de joodse feesten en rituelen. „Als een Thorarol te oud en versleten is om nog te gebruiken, dan gaat hij niet naar de kringloop of naar de vuilstort, hoor. Daar is hij te heilig voor”, vertelt ze. „Oude rollen worden niet vernietigd maar begraven. Als we straks op de begraafplaats zijn, zal ik jullie de grafsteen aanwijzen waaronder een oude Elburgse Thora ligt begraven.”

„Weet een van jullie wanneer de joodse jaartelling begint?” Anna uit groep 7 denkt: „Toen Mozes de tien geboden van God kreeg”. Best een slim antwoord, maar niet het goede. „Nee”, zegt juf Marijke. „Bij de schepping.” Terwijl ze vertelt en vragen stelt over de joodse feestdagen, valt op hoeveel de kinderen hiervan al weten. „Hoe heet het ongerezen brood van Pesach?” „Matzes.” „Wat wordt er met Pesach herdacht?” „De uittocht uit Egypte, na al die plagen.” „En wat was de laatste plaag?” „Dat alle eerstgeborenen zouden sterven.” „En hoe konden de joodse eerstgeborenen gespaard blijven?” „Door bloed van een bokje aan de deurpost te smeren.” Op hun christelijke school is al vaker over het jodendom gesproken, vertellen ze, en sommige leerlingen horen er ook thuis over, van hun ouders.

Een belangrijk deel van de informatie die het museum de bezoekers te bieden heeft, zijn de verhalen over de voormalige Joodse inwoners van Elburg. Op videoschermen met een telefoon ernaast vertellen oudere Elburgers over hun Joodse stadsgenoten van voor de Tweede Wereldoorlog. Over slager Joop Cohen bijvoorbeeld, en over Maud Peper die met haar zusje, ondergedoken op de zolder van Beekstraat 3, de oorlog heeft overleefd.

Voordat de leerlingen in het museum worden losgelaten, gewapend met een vragenlijst over joodse gebruiken, voorwerpen, feesten en de geschiedenis van de Joodse inwoners van Elburg, vertelt juf Marijke ze eerst nog het verhaal van Anna Shapira.

Na de Eerste Wereldoorlog sturen haar ouders deze Anna, geboren op 24 december 1912, naar Nederland om aan te sterken. In Elburg wordt ze liefderijk opgevangen door de Joodse familie Förster. Anna wordt onderwijzeres aan de openbare Van Kinsbergenschool, waar zijzelf als kind ook op heeft gezeten. „Maar”, vertelt juf Marijke, „er was één probleem: juf Anna moest lesgeven op zaterdagmorgen, op de sjabbat dus. Toen heeft de school uit respect voor juf Anna en de Joodse kinderen de lessen verplaatst van de zaterdagmorgen naar de vrije woensdagmiddag.”

Anna Shapira is de enige van de 21 gedeporteerde Joodse Elburgers die het concentratiekamp heeft overleefd. Zij keerde terug naar Elburg, verhuisde later naar Amsterdam, Parijs en New York, om te eindigen in ’thuisland’ Israël. Nog eenmaal bezocht ze Elburg: op 3 september 1993 opende zij in de voormalige synagoge – nu Museum Sjoel Elburg – de tentoonstelling ’Joods leven in Elburg’. Vier jaar later overleed ze, 85 jaar oud, in Tel Aviv.

Opgewonden rennen de leerlingen van Het Octaaf door het museum. Ze kijken in de vitrines, naar de bescheiden verzameling joodse rituele voorwerpen, rukken de telefoons van de hoorns om de verhalen te horen over de voormalige Joodse inwoners van Elburg, en proberen zo goed en zo kwaad als het gaat de vragenlijst in te vullen die ze van juf Marijke hebben meegekregen.

Midden in het museum, op de plaats van de vroegere bima (het synagogale podium), trekt ook de getrouwe maquette van de sjoel zoals die er tot 1947 uitzag, de aandacht van de kinderen. In 1947 is het interieur van de sjoel volledig verhuisd naar Winterswijk. In een non-stop draaiende film, geprojecteerd op de oostwand van de sjoel, is een sjoeldienst met rabbijn Jacobs te volgen, opgenomen in de met de Elburgse inventaris ingerichte sjoel van Winterswijk.

Noem de vijf boeken van de Thora, luidt een van de vragen op de vragenlijst die de leerlingen moeten beantwoorden. Een jongen uit groep 7 somt ze achter elkaar op: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium. „Hoe weet jij dat nou?”, vraagt een klasgenootje verbaasd. „Een beetje van de juf en een beetje van mezelf.”

Anna is heel serieus bezig met de vragenlijst. Hoe vindt ze het hier in het museum? „Ik vind het leuk, omdat je zelf de antwoorden moet opzoeken en niet krijgt voorgezegd.” En wat vindt ze van het onderwerp? „Ik vind het wel interessant om over de Joden te horen. Dat zijn ook mensen. En jij hebt die oorlog niet meegemaakt, maar als je die wel had meegemaakt en Jood was geweest, dan was je misschien ook wel dood geweest.”

De meeste vragenlijsten zijn half ingevuld, maar dat geeft niet. Dan vertrekt de groep om half twaalf naar de Joodse begraafplaats op de stadswal aan de oostkant – de Jeruzalemse kant – van Elburg. Het geheel ommuurde kleine kerkhof, dat 109 grafzerken telt, is een van de mooiste Joodse begraafplaatsen van Nederland. Op een gedenksteen in de buitenmuur staan de namen gegraveerd van de Joden die in de Tweede Wereldoorlog, gedeporteerd vanuit Elburg, zijn omgekomen.

Voordat juf Marijke de gietijzeren poort opent, diept ze uit een plastic zak een stapel keppeltjes op. Onder luid gegier van de meisjes zetten de jongens, wat onhandig en verlegen, ’die mutsjes’ op. De Joodse inwoners van Elburg – maximum aantal voor de oorlog 120, toen 5 procent van de bevolking – waren arme Asjkenazische Joden uit Oost-Europa. Dat is te zien aan de sobere, grijsgrauwe, rechtopstaande stenen. Sommige stenen dragen, behalve inscripties, ook afbeeldingen, zoals een waterkan, een sjofar (ramshoorn) en twee zegenende handen. Juf Marijke legt uit: „Hier, onder de steen met de waterkan, ligt meneer De Lange begraven. Hij was een afstammeling van de levieten, dat zijn de priesters die voor het water zorgen. En wie zou hier liggen, onder de steen met de sjofar? Juist, een sjofarspeler. En de zegenende handen, waar horen die bij?” „Een dominee”, zegt een van de kinderen. „Dat is heel goed. Alleen noemen de Joden dat een priester of een rabbijn.” En waar ligt nu die Thora begraven, wil een van de kinderen weten. Juf Marijke wijst de steen aan, geen platte steen, maar een paaltje, zonder inscriptie.

Bij het verlaten van de begraafplaats, de keppeltjes mogen weer af, vraagt een jongen de juf hoe ze zoveel weet. Juf Marijke schiet in de lach: „Uit interesse en ik heb ook heel veel gelezen.” De kinderen waaieren uit, de straten van Elburg in: het is lunchtijd.

Groep 6 en 7 van basisschool Het Octaaf bezoeken de Joodse begraafplaats van Elburg met een medewerkster van het museum. Jongetjes moeten een keppeltje op. (FOTO HERMAN ENGBERS ) Beeld
Groep 6 en 7 van basisschool Het Octaaf bezoeken de Joodse begraafplaats van Elburg met een medewerkster van het museum. Jongetjes moeten een keppeltje op. (FOTO HERMAN ENGBERS )
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden