Waar komt ons babytaaltje vandaan?

Tja, vanwaar dat koekiedoekiedoegedoe? Dat ze vanuit de wieg niet naar hun voorhoofd wijzen, denk je. Waarom zitten we zo vast aan dat zangerige babytaaltje, met die hoge tonen en vol verkleinwoorden. Zelfs in ons getut tegen de kat gaan we de hoogte in, al bestoken we die minder met overdreven klinkers: „wüür Ís tie dün?”.

Wij stomen de kleine klaar voor de taal, zeggen ze. Die leert door onze reactie op zijn gebrabbel dat praten ’op en neer gaat’. Maar met overdreven intonaties masseren we nog geen grammatica het kinderhoofdje binnen. En zonder babytaal maken kinderen zich hun moerstaal net zo gemakkelijk eigen.

Die voorbereiding op de taal klinkt ook bedacht: het lijkt eerder een oerreflex als we ons hoofd in de wieg steken. Gaat er verborgen noodzaak achter schuil? Een paar jaar geleden gaf antropologe Dean Falk in Behavioral and Brain Sciences (vol. 27) een voorzet over het ontstaan van babytaal.

We gaan terug naar de savannen. Moederaap zoekt naar voedsel, het kindaapje klauwt zich vast in haar vacht en lift mee. Moedermens gaat ook op pad, draagt haar kind mee, maar zal het moeten neerleggen als ze fruit wil plukken. Liefst zou ze de hummel in slaap zingen, maar soms wil geen lullaby helpen. Dan begint het gekrijs. En toen vond de moeder dat zangerige, ritmisch sussende stemmetje uit, dat vertelt dat ze dichtbij is en waakt. Beschouw het als vocaal wiegen.

Het is een aandoenlijk maar aannemelijk scenario. De hersenen van hominiden dijden uit, kinderen kwamen prematuur ter wereld en de menselijke anatomie veranderde. De rechtopgaande gang maakte het de nog hulpeloze baby moeilijk zich aan moeder vast te klampen. Die is gedwongen haar kind regelmatig even te stallen.

Waakzame moeders die hun kroost met vocale kreetjes en gebaren kalmeerden, hadden een streepje voor op de harde savannen, vermoedt Dean Falk. En deze moeders droegen die aarzelende schreden op het taalpad verder, van babytaal naar prototaal naar taal. Zoiets: Falk was er niet bij. Wel weet ze dat kinderen na tien maanden in de ritmiek van hun moerstaal beginnen te brabbelen. Het zangerige roekoe-geluid moet aan het fundament hebben bijgedragen.

Collega’s gingen een eind mee met de geschiedschrijving van Falk, al zagen ze niet in hoe uit babytaal de structuur en symboliek van een volwaardige taal kon ontstaan. Maar ze gaven toe: het pasgeboren mensje is extreem hulpeloos en moest daarom, als moe de handen vrij wilde hebben, vocaal gekoesterd worden.

Bij apen hoeft dat niet. Toch meldt Ethology (september) nu dat resusapen ook een nasaal, huilerig toontje tegen kinderen aanslaan. Tegen andermans baby althans, niet tegen eigen kroost. Waarom doen ze dat? Om een beetje de aandacht te trekken, of om gerust te stellen? Mogelijk kunnen ze hun opwinding bij het zien van zo’n apenkind niet onderdrukken, opperen de biologen. Heeft het dan toch iets van die oerreflex van ons boven de wieg?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden