Waar komt het monotheisme vandaan?

De auteur is emeritus-hoogleraar van de faculteit der godgeleerdheid Rijks- universiteit Leiden.

DR. M. J. MULDER

In het kader van slechts een paar krantekolommen moet men in zo'n historische schets ook wel met zevenmijlslaarzen door de ingewikkelde materie heenlopen. Dat zou nog niet zo erg zijn als men er dan maar wel op attent blijft de juiste feiten in het juiste daglicht te stellen. Als dat niet goed gebeurt, kan het met het betoog mislopen en zadelt men de lezers op met een te haastig getrokken conclusie.

In mijn opmerkingen wil ik me beperken tot de schets van de ontwikkeling van de godsdienst van het (oude) Israel, een gebied waarmee ik me verschillende jaren wetenschappelijk heb beziggehouden. "De overgang van polythesme naar monothesme voltrekt zich in het jodendom, wanneer Mozes een onsamenhangende, uit Egypte afkomstige groep Israelitische nomaden naar het 'land der vaderen' leidt en hij bij een braambos een stem hoort, die zich als Jahweh bekend maakt" , aldus de heer Van Gelre. Wat mij wat verbaast, is dat de auteur zich hier heel onkritisch aansluit bij een oud-testamentisch verhaal (uit het literair gezien late boek Exodus), en dan de verbinding legt "overgang polythesme naar monothesme" . In werkelijkheid heeft de 'overgang' - als het al ooit een ontwikkelingsproces geweest is - zich zeker niet in de tijd van de legendarische Mozes, maar pas veel later in de geschiedenis van Israel voltrokken.

De bekende 'moderne' oud-testamenticus uit de vorige eeuw, Abraham Kuenen (1828-1891), heeft in zijn grondleggende studies al aangetoond dat in Israel pas in de achtste eeuw voor onze jaartelling door het werk van de 'grote profeten' het, zoals hij dat noemde, 'ethische monothesme' in Israel vaste voet kreeg. Hij trachtte dit monothesme te verklaren uit een immanente ontwikkeling van Israels godsdienst, waarbij tenslotte Israels 'volksreligie', waarin polythestische geloofsvoorstellingen de boventoon voerden, tegenover het zoveel hogere 'ethische monothesme' van de profeten kwam te staan. Bij deze profeten komt JHWH op unieke wijze naar voren als een heilige en rechtvaardige God, die geen andere goden naast zich erkennen kan. Voor de tijd van de grote profeten was er in Israel geen sprake van dit soort monothesme.

Sinds Kuenen zijn er tal van studies verschenen waarin het verschijnsel 'monothesme' in Israel en de herkomst hiervan aan de orde werd gesteld, enkele jaren geleden nog van mijn collega prof. dr. J. C. de Moor te Kampen. Zelf heb ik me ook meermalen, uit andere optiek, met het probleem beziggehouden. Kortheidshalve kan gezegd worden dat het laatste woord uit godsdiensthistorisch oogpunt hierover zeker nog niet gesproken is, laat staan dat het op de formule van de heer Van Gelre gebracht kan worden.

Wat mij echter persoonlijk zo treft, en waar noch Kuenen, noch menig ander een afdoend antwoord op heeft gegeven, is de plotselinge aanwezigheid van het absolute monothesme in het Israel van de late koningstijd (net voor de Babylonische ballingschap). Hoe hebben een paar eenzame profeten, en een handjevol door hen beinvloede theologen, zo'n radicale verandering in Israel teweeg kunnen brengen, die uiteindelijk niet alleen het Israel van toen, maar ook de wereld van vandaag nog raakt? Waar is dit unieke fenomeen vandaan gekomen? Het Oude Testament zelf wijst in zijn verhalen (of, als u wilt: sagen en legenden) altijd weer naar de (Arabische) woestijnen. Daar ligt de 'bakermat' van het absolute monothesme, waaruit blijkbaar zowel het latere jodendom als de islam hun 'monothestische' geloofsinspiratie ontvangen hebben. Rationeel op de wijze van Van Gelre lijkt me dit (althans tot op heden) onverklaarbaar. In ieder geval is dit heel wat complexer dan de bewering dat JHWH aanvankelijk slechts een 'stamgod' was (van welke stam?) en later een 'staatsgod' werd (van welke staat?). Noch Kuenen eertijds, noch de heer Van Gelre nu heeft aannemelijk gemaakt dat zich "zo . . . de ontwikkeling van animisme naar polythesme en monothesme" voltrokken heeft. In de verklaring van de godsdienst van Israel werkt dit 'mechanische' absoluut niet overtuigend.

Het christendom stoelt op de joodse godsdienst. Veel kan men in de christelijke godsdienst, met de heer Van Gelre, als aangroeisel bestempelen, of, in zijn woorden uitgedrukt: als een syncretisme van joodse religie, van Griekse filosofie en van mysterieculten, en nog veel meer. Ook naar mijn oordeel torst het christendom traditioneel veel te veel gedogmatiseerde ballast mee. Hierdoor wordt het wezenlijke van de godsdienst versluierd of, erger nog, verduisterd. Het moge waar zijn dat dit wezenlijke "op de allerzwakste bewijsgronden berust" , dat het geen "neerslag is van ervaringen of de eindresultaten van het denken" , maar het is wel een verschijnsel dat geconstateerd kan worden in drie grote wereldgodsdiensten: jodendom, christendom en islam: de uit immanente verschijnselen in principe onverklaarbare presentie van de ene God.

Of van dit alles helaas niets waar is, of het een illusie is, waarop we, als op zand, bouwen? De schets van de geschiedenis van het verschijnsel 'God' en 'godsdiensten' in het betoog van de heer Van Gelre heeft mij niet kunnen overtuigen. Het is zeker te vroeg om, historisch gezien, over de dood van God en van het christendom te spreken, hoezeer de stormrammen der rationele kritiek ook op de oude muren beuken. Hoezeer we ook, ik zeg het er nadrukkelijk bij, voor rationele argumenten open willen blijven staan.

Maar ook rationele argumenten dienen getoetst te worden eer conclusies getrokken worden.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden