Waar heb jij leren schrijven? Op de universiteit

In het buitenland is ’creative writing’ een vak op de universiteit. Hier is lang gedacht dat je literair schrijven niet kunt leren. Nu willen de Vrije Universiteit en Universiteit Utrecht een leerstoel creatief schrijven.

Men neme een zolderkamer, zitvlees, een computer, een vonk inspiratie en een flinke scheut talent. Voeg toe: ambitieuze schrijver in spe. Jaren laten sudderen, hulpkreten en writer’s blocks negeren. Et voilà: daar daalt van de zoldertrap een echte schrijver neer, met een kant-en-klaar meesterwerk onder zijn arm.

Zo gaat het, en zo moet het ook, want schrijven is een gave, geen vak dat je – op een (hoge)school bijvoorbeeld – zou kunnen leren. Dat is althans de romantische gedachte die in Nederland lange tijd dominant is geweest.

Er zijn voorbeelden genoeg van autodidacten die deze gedachte versterken: W.F. Hermans, Gerard Reve, Harry Mulisch, Joost Zwagerman, Arnon Grunberg, ze publiceerden hun eerste boek voor hun 26ste, zonder schrijfcoach of cursus ’Succesvol debuteren’. Dus zijn er nauwelijks serieuze opleidingen voor schrijvers in Nederland, en wel conservatoria, dansacademies, toneelscholen en kunstacademies.

Voor hobbyschrijvers zijn er wel vele duizenden cursussen en schrijfclubs, op internet, in buurthuizen en bibliotheken. Maar slechts twee erkende (kleine) hbo-opleidingen leveren professionele schrijvers af: de Rietveld Academie heeft sinds 2002 de richting ’Beeld en Taal’. De Utrechtse Hogeschool voor de Kunsten begon in 1992 met een schrijfopleiding die de eerste tijd tot twee beroepen opleidde: dramaschrijver én docent literaire vorming.

Met die laatste afstudeerrichting is de hogeschool vijf jaar geleden om interne redenen gestopt, zegt studiecoördinator Hubert Roza. Maar hij ondersteunt wel het initiatief van Kunstfactor Schrijven, de belangenvereniging voor amateurschrijvers. Die publiceerde gisteren een manifest, met als inzet de (her)oprichting van een opleiding tot docent creatief schrijven. Zo'n docent zal zich overigens vooral op volwassen (hobby)schrijvers moeten richten. Want anders dan muziek of tekenen is creatief schrijven geen apart vak op de basisschool of in het voortgezet onderwijs. Kinderen schrijven een opstel (’Mijn mooiste vakantiedag’), en dat is het meestal wel.

Er is – naast het romantische beeld van de eenzaam zwoegende schrijver – nog een verklaring voor de geringe aandacht in het reguliere onderwijs voor creatief schrijven. Een strijkstok goed vasthouden is moeilijk, een klarinet aanblazen ook, net als het lopen (laat staan dansen) op spitzen. Maar iedereen kent het alfabet en kan met pen en computermuis overweg. Het schrijfinstrumentarium kent weinig geheimen.

Maar al beheerst dus bijna iedere Nederlander de basistechniek, dat wil nog niet zeggen dat hij ook kan schrijven. Binnenrijm, metafoor, metrum, perspectief, spanning en stijl, dat zijn nog maar enkele van de literaire ’trucs’ en technieken die professionele schrijvers en dichters moeten kunnen gebruiken bij het schrijven van een roman of poëzie.

Daarbij komen nog een heleboel andere vaardigheden die je alleen door oefening kunt leren: herschrijven, schrappen, je eigen tekst op waarde schatten, omgaan met kritiek, schrijfangst overwinnen, authentiek durven zijn, je eigen stem als schrijver vinden.

Daarom is Renate Dorrestein, schrijfster van succesvolle romans en momenteel gastschrijver aan de universiteit van Leiden, een verklaard voorstander van onderwijs in creatief schrijven. „Natuurlijk is talent een onmisbare basisvoorwaarde,” zegt zij. „Maar daarnaast zitten er aan schrijven heel veel ambachtelijke kanten, die je gewoon kunt leren.”

Dorrestein vindt dat Nederland ’bespottelijk achterloopt’ bij de Verenigde Staten, waar creative writing al vele jaren vast onderdeel is van het universitaire curriculum. Meer dan 350 Amerikaanse universiteiten hebben zelfs een programma van drie jaar. Beroemde schrijvers als Michael Cunningham (’De uren’) en Jhumpa Lahiri (in 2000 winnares van de Pulitzerprijs voor fictie) vertellen onbekommerd dat ze hebben leren schrijven op de universiteit. Maar in Nederland haalden schrijvers en universiteiten lange tijd hun neus op voor het vak creatief schrijven. Daaraan kleeft immers een luchtje van buurthuizen, geen academisch air.

Wetenschap en literatuur liggen hier sowieso verder uit elkaar dan elders, weet Ad Zuiderent, universitair docent moderne Nederlandse letterkunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. „Ik was te gast op een universiteit in Zuid-Afrika, en dacht: welke docent schrijft hier eigenlijk géén roman of gedichten? Dat is in Nederland heel anders.”

Wetenschappers moeten literatuur bestuderen, niet zelf maken, dat was de gangbare opinie onder Nederlandse professoren. Geert Buelens, hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde in Utrecht, geeft hiervan een voorbeeld: „Een van mijn voorgangers, A.L. Sötemann, sprak nieuwe studenten altijd toe met de woorden: ’Als je van plan bent om schrijver te worden, daar is de deur.’ Vroeger was het idee: het hoogst haalbare voor een neerlandicus is de structuuranalyse van de ’Max Havelaar’.”

Maar dat idee is langzaam aan het veranderen. Verscheidene universiteiten werken al met gastschrijvers als Renate Dorrestein, Tommy Wieringa (Delft) en Abdelkader Benali (VU Amsterdam). En Buelens en Zuiderent – die allebei overigens óók praktiserend dichter zijn – zijn betrokken bij nieuwe initiatieven: twee leerstoelen creatief schrijven.

De Utrechtse universiteit heeft haar zinnen gezet op een leerstoel ’literaire non-fictie’. Daar kunnen studenten van diverse studierichtingen baat bij hebben, zegt Buelens: „Er wordt hier allerlei mooi onderzoek gedaan, maar hoe vertel je het verhaal vervolgens? Communiceren over wetenschap voor een groot publiek wordt steeds belangrijker.”

Aan de Vrije Universiteit ligt een plan klaar voor een bijzondere leerstoel ’Literair schrijven’. Zuiderent, bedenker van dat plan, heeft daarnaast nog een ’verre droom’: een major-studie creatief schrijven, naar Amerikaans voorbeeld, met ook een deel literatuurgeschiedenis en literatuurwetenschap. Hij gaat dit voorjaar alvast zelf een cursus schrijven geven. „Er zijn zelfs collega’s die vragen: Mag ik meedoen?”

Wanneer de twee leerstoelen er zijn, is nog niet bekend; de financiering is nog niet rond. Buelens gokt erop dat Utrecht in het studiejaar 2009-2010 wel een hoogleraar ’literaire non-fictie’ heeft. En de VU is nog druk op zoek naar een sponsor, zegt Gerard Nijsten, directeur van de letterenfaculteit: „Er is nog geen enkele vis die echt hapt.”

Het geld is er dus nog niet, maar de (academische) tijdgeest lijkt zo langzamerhand wel rijp voor het idee dat literair schrijven toch – net als andere kunstdisciplines – te leren is. Al zijn er mensen genoeg die blijven benadrukken dat de Reves en Grunbergs van straks er toch ook op eigen kracht moeten komen.

Eén van hen is Pauline Durlacher, zakelijk directeur van de Schrijversvakschool, een vierjarige, particuliere schrijfopleiding in Amsterdam. Jaarlijks beginnen zo’n vijftig studenten van gemiddeld 37 jaar oud aan het eerste jaar. „Daarvan studeren er slechts drie of vier af.”

Dat het slagingspercentage zo laag is, vindt Durlacher geen probleem: „Je kunt niet vijftig goeie schrijvers per jaar afleveren. Daar is ook helemaal geen markt voor.” En sommige studenten die hun diploma wel halen, hebben inmiddels een officieel oeuvre op hun naam staan. Succesvolle oud-studenten zijn bijvoorbeeld Ton Rozeman, Anne Vegter, Nicolien Mizee en de Gouden Griffel-winnaressen Marjolein Hof en Mireille Geus.

Maar er zijn ook studenten die ’briljant’ afstuderen aan de Schrijversvakschool en vervolgens nooit meer van zich laten horen. Het ontbreekt deze mensen zeker niet aan talent, zegt Durlacher: „Maar wel aan doorzettingsvermogen. Schrijven is zwaar, het is heel intensief, je wordt er een beetje daas van, je staat buiten de wereld. Er zijn veel meer redenen om niet te schrijven dan om het wel te doen. Je hebt veel discipline nodig en díe kun je niet leren.”

Esther Gerritsen (1972), die verscheidene toneelstukken en de roman ’Normale dagen’ schreef, heeft de schrijfopleiding van de Utrechtse Hogeschool voor de Kunsten gedaan. Zonder die opleiding was ze ook wel schrijfster geworden, denkt ze: „Maar dan had het wel veel langer geduurd.”

Het grootste voordeel van een officiële studie is volgens Gerritsen de tijd die aspirant-schrijvers krijgen om hun eigen talent te onderzoeken. Maar een nadeel ziet ze ook: „Het klinkt helemaal niet romantisch als je zegt dat je een schrijfopleiding hebt gedaan.” De auteur die zijn schrijverschap in alle eenzaamheid heeft bevochten, heeft nog altijd meer sex appeal.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden