Review

'Waar geen werelden meer zijn'

Toen Vondels zoontje stierf, troostte de dichter zich ermee dat het kind een engel zou worden. Het gedicht is een klassieker van de troost-poëzie. Maar kan poëzie ons eigenlijk wel troosten? Of is dat een ouderwets idee? Peter Henk Steenhuis sprak erover met de filosoof Theo de Boer, in het kader van de aan de dood gewijde boekenweek.

In het voorwoord van de bloemlezing 'Ik heb alleen woorden' schrijven Hans Warren en Mario Molegraaf dat er misschien eindeloos veel soorten van verdriet zijn, maar dat er ook eindeloos veel soorten van troost zijn. Een hand op de schouder en een borrel. Een wandeling langs het strand en een gebed. Een vriendelijk gebaar en een televisieprogramma. ,,Maar niets reinigt zo goed als een gedicht dat je raakt. Want dat is troost: een reiniging van ons innerlijk, waardoor we even met frisse moed verder kunnen leven.''

De filosoof Theo de Boer, die in zijn boeken graag en vaak dichters citeert, betwijfelt of gedichten echt kunnen troosten. ,,In de troost zit altijd perspectief. En dat kan de moderne dichter niet bieden. Vroeger, toen het geloof in het hiernamaals nog levend was, kon de poëzie troosten. Maar in de loop der tijd is de dichter zijn troost ontnomen.''

Theo de Boer bladert in twee groene schriften met harde kaften. Ze staan vol gedichten, die hij eind jaren veertig opschreef omdat hij nog geen boeken had. De Boer: ,,Vaak schreef ik ze over uit bloemlezingen. Op de fiets, op weg naar school, leerde ik ze uit het hoofd. Als ik ze dan thuis controleerde, vond ik meestal wel een of twee fouten. Maar toch, zo heb ik er tientallen leren onthouden. In de bloemlezingen die nu ter gelegenheid van de boekenweek verschijnen, of opnieuw onder de aandacht worden gebracht, kun je goed aanwijzen wanneer de poëzie zijn troostende kracht is kwijtgeraakt.''

,,Die bloemlezingen zijn te lezen als een geschiedenis van voorstellingen over het hiernamaals. Dat zie je al bij het begin van onze poëzie, bij Jan Moeritoen. Hij maakte in de tweede helft van de veertiende eeuw zijn Egidiuslied, dat opent met de beroemde regel: 'Egidius, waar bestu bleven?' In de tweede strofe wordt dan over Egidius gezegd:

'Dat was gezelschap goed ende fijn,

Het scheen 't een moeste gestorven zijn.

Nu bestu in den troon verheven,

Klarer dan der zonnen schijn,

Alle vreugd is di gegeven.'

De Boer: ,,De gedachte dat de hemel een vreugdevolle plek was met louter zonneschijn beheerst de poëzie tot aan de negentiende eeuw. Kijk maar naar het gedicht van Joost van den Vondel (1587-1679) over zijn zoontje Constantijn, dat in 1632 geboren werd, en stierf.''

'Kinder-lijk

Constantijntje, 't zalig kijntje,

cherubijntje, van omhoog

de ijdelheden hier beneden

uitlacht met een lodderoog.

Moeder zeit hij, waarom schreit gij,

waarom greit gij op mijn lijk?

Boven leef ik, boven zweef ik,

engeltje van 't hemelrijk.

En ik blink er, en ik drink er

'tgeen de schinker alles goeds

schenkt de zielen, die daar krielen,

dartel van veel overvloeds.

Leer dan reizen met gepeizen

naar paleizen, uit het slik

dezer werrelt, die zo dwerrelt.

Eeuwig gaat voor ogenblik.''

De Boer: ,,Dit gedicht is duidelijk geschreven vanuit het perspectief van het jong overleden kind, dat als een engel van boven, vanuit de hemel op ons neerziet, en niet begrijpt waarom zijn moeder verdriet om hem heeft. De letterkundige J.J. Oversteegen heeft eens laatdunkend gezegd: in 'Kinder-lijk' is Vondel zichzelf behoorlijk aan het bedriegen geweest. Maar dat is gebrek aan historisch besef. Het idee dat zijn zoontje na de dood als een engel in het hemelrijk speelt, heeft Vondel zeker troost geboden.''

,,Je ziet dezelfde gedachte terugkomen bij Constantijn Huygens (1596-1687) die in 1637 zijn vrouw Susanne van Baerle ('Sterre') verloor, enkele weken na de geboorte van een dochtertje. De ikpersoon uit dat gedicht vraagt zich af waar zijn Sterre gebleven is. De hemel antwoordt dat zijn Sterre, zijn ster, in een heilig gebied staat 'waar zij de Godheid, waar de Godheid haar beziet,/ en, voegt het lachen daar, belacht mijn ijdel wenen'. Vanuit de hemel wordt er dus gelachen om ons ijdele verdriet. En dat lachen troost de achterblijvers.''

,,Ook de achttiende-eeuwer Hubert Korneliszoon Poot put troost uit het idee dat zijn dochtertje Jakoba, die met 'tegenzin' 'de snode wereld' was binnengetreden, het hemelrijk heeft verkozen. In 'Op de dood van mijn dochtertje' schrijft hij dat de moeder nog wel probeerde het zieltje terug te roepen, maar dat het snel en vlug was opgevaren 'Bij Gods verheugde scharen'. Dan staat er:

'Daar lacht en speelt het nu zo schoon,

Rondom de hoogste troon;

En spreidt de wiekjes luchtig uit,

Door wee noch smart gestuit.

O bloem van dertien dagen,

Uw heil verbiedt ons 't klagen.'

De Boer: ,,In de dichtkunst van de zeventiende en de achttiende eeuw duikt telkens de gedachte op dat God de onveranderlijke is, dat de ziel na de dood oprijst naar de hemel, en dat de kinderen engelen worden. Pas in de negentiende eeuw verliest deze voorstelling zijn troostrijke kracht. In het algemeen vind ik dat de diepste breuk in het westerse denken niet ligt in de zeventiende eeuw, maar in de negentiende.''

Hoe komt dat?

,,De Franse filosoof Paul Ricoeur (geb. 1913) zei dat de crisis van de westerse metafysica, die zo sterk gekenmerkt is door de tweedeling van de zintuiglijke wereld en een onzienlijke bovenwereld, veroorzaakt is door 'de drie meesters van het wantrouwen'. Hij doelde hiermee op Nietzsche, Marx en Freud. Dit betekende tevens een crisis in het christendom dat bij de formulering van het geloof eeuwenlang van die metafysica gebruik heeft gemaakt.''

,,Nietzsche riep: 'Broeders blijf de aarde trouw'; je moet je leven hier op aarde verwerkelijken. Marx bestempelde het christendom als opium van het volk, dus als een verslavend middel dat het volk nodig heeft om zich te troosten. En Freud zag het geloof als een collectieve neurose. In zijn boek: 'Het onbehagen van de cultuur' schrijft hij dat gelovigen een almachtige vader aannemen, die goed voor ze zorgt en ze na de dood opneemt in het hemelrijk. En dan staat er iets als: 'je schaamt je bijna het op te schrijven, zo infantiel en narcistisch is het'.''

,,De meesters van het wantrouwen hebben het geloof in een hiernamaals stevig aangetast. En dat zie je ook terug in de literatuur. Niet onmiddellijk, en ook niet volledig, er zijn nog uitzonderingen. Zo las ik in 'Kon uit de dood ik die éne doen keren' - een bloemlezing met gedichten en prozateksten over de dood - een lijkrede die Guido Gezelle in 1858 hield bij de dood van een van zijn leerlingen.''

,,Gezelle zegt daar dat hij op dit kerkhof eigenlijk moet zwijgen, en vraagt vervolgens de afgestorven Broeder het woord te nemen. 'Spreekt gij, alderdeugdzaamste Jongeling, waarvan uwe oversten zeggen en getuigen 'dat gij maar opgehouden en hebt kind te zijn om Engel te worden!' Spreekt mijn dierbare Vriend, mijn leerling en mijn kind: spreekt en verhaalt ons hoe de Engel des doods aan u toch geenen zegepraal gewonnen en heeft, maar hoe gij, integendeel, op zijne vlerken gesteund, het Hemelrijk zijt binnengekomen'.''

Vervolg op pagina 41

'Waar geen werelden meer zijn'

Vervolg van pagina 39

,,Zelfs bij een twintigste-eeuwse dichter als Anton van Wilderode (1919-1998) tref je restanten aan van deze voorstelling. In zijn 'Lied van eeuwige troost' staat: 'Ik moet u zeggen: zie het graf is dicht/ en ijl: de ziel, een ranke schone hinde,/ begon haar loop naar het volkomen licht'.''

,,Gezelle en Van Wilderode waren priesters, het is begrijpelijk dat bij hen het oude beeld van het hiernamaals langer heeft standgehouden. Maar bij een dichteres als Augusta Peaux (1859-1944) zie je goed hoe het traditionele beeld wordt aangetast. Ik had nog nooit van haar gehoord, maar ze blijkt een jaargenoot en een kennis van de vroeg gestorven dichter Jacques Perk, en evenals hij een domineeskind. Het gedicht 'Eenzaam kerkhof' is zowel door Komrij als door Warren en Molegraaf opgenomen. En terecht, vooral de laatste strofe is aangrijpend:

'Woest liggen de graven, de

grendelen der aarde

sluiten de doden van 't leven af,

zij zinken al dieper, een weeldrige gaarde

bloeit, hoog als de hemel, boven hun graf.

En de wagenmenner, in 't beeld van de

sterren,

ziet ernstig peinzend omlaag,

ver ligt al de aarde, een stip, zo verre

en zijn paarden gaan zo traag.

Langs andere werelden stiert hij zijn

wagen

en waar geen werelden meer zijn,

de steppenvlakten door van een eindeloos,

vage,

onbekende hemelwoestijn.'

De Boer: ,,Leg naast deze regels Vondel, Huygens of Poot! Wat is er overgebleven van de hoogste troon, de zonneschijn, en het hemelrijk? Een 'eindeloos, vage, onbekende, hemelwoestijn'. Een weinig hoopvol vooruitzicht.''

,,Ik wil mijn korte geschiedenis van voorstellingen over het hiernamaals afsluiten met een gedicht van Judith Herzberg,(geb. 1934), met de ondubbelzinnige titel: 'Nee er is geen tweede leven':

'Nee er is geen tweede leven nee mijnheer

ik weet het, wij moeten redelijk zijn.

Maar ik begrijp de wens van pharao's

alles wat nu is te omarmen desnoods

in steen omarmen (de schaduw

in de plooien van de kussens die

nadat de levenden zijn opgestaan

in vorm van leven bleven liggen)

ja, zou dit ook in stenen doos

dit zonnige vertrek, dit sterk

gemerkte uur - voorbij de laatste dag

mee willen slepen.'

De Boer: ,,Herzberg verwoordt het moderne levensgevoel, het tweede, tijdloze leven heeft afgedaan, in het ogenblik moet het leven waargemaakt worden. In dit gevoel herken ik me. Er is geen tweede leven, er is alleen nog de wens dit zonnige vertrek mee te nemen.''

En toen is de dichter zijn troost dus ontnomen?

,,Ja. Met het wegvallen van die bovenwereld heeft de poëzie zijn troostende kracht verloren.''

En wat heeft ze er voor teruggekregen?

,,Poëzie kan niet troosten maar wel louteren. Niet door de verschrikking van de dood te bemantelen, maar juist door de verschrikking op te roepen. Mooi voorbeeld hiervan vind ik het gedicht 'Het kindeke van den Dood' van de negentiende-eeuwse dichter F.L. Hemkes. Het is één van de gedichten die ik nog uit mijn middelbare schooltijd ken, maar toen ik het onlangs teruglas, vond ik het nog steeds ontroerend. Komrij heeft in zijn bloemlezing 'Lang leve de dood' wel een gedicht van Hemkes opgenomen, maar helaas niet deze.''

,,'Het kindeke van den dood' begint met de beschrijving van een kind dat op de heide speelt. Geen gewoon gezond kind, een ziekelijk kind, 'het kindeke van den Dood'. Vanaf de tweede strofe komt dan het droevige verhaal op gang. Er was eens een kind, een 'zieklijk wicht', dat huppelde op de heide, genoot van elke bloem, elke plant. Maar veel levenstijd is het niet gegeven, het moet sterven. In zijn stervensuur bidt het kind dat het één keer per jaar een dag mag terugkeren op aarde. En die dag is natuurlijk in mei, de mooiste maand van het jaar. Het gebed wordt verhoord, want soms zie je in mei op het heideveld een bleek stil kind spelen:

Dan leeft en zweeft het heel den dag

en speelt met bloem en plant;

dan klinkt bij wijle een vreemde lach

langs 't eenzaam heideland;

maar als de zon in 't Westen scheidt,

en stervend nog een luister spreidt

van glansrijk avondrood -

dan klaagt een kinderstem, dan schreit

het kindeke van den Dood.

De Boer: ,,De negentiende eeuw wordt vaak de eeuw van het sentiment genoemd. Dat mag zo wezen, maar dit gedicht werkt goed, vooral vanwege de beklemmende herhaling van 'het kindeke van den dood'.''

,,Dichters verhevigen de ervaring, zij weten een bres te slaan in de muur die wij om ons heen hebben gebouwd. Met poëtische middelen kunnen zij tranen opwekken die bij gebeurtenissen in de werkelijkheid verborgen blijven. 'Human kind cannot bear very much reality,' schrijft de dichter T.S. Eliot ergens. Maar we zullen die werkelijkheid wel móeten aanvaarden; elke psychoanalyticus weet dat een patiënt pas genezen kan worden als hij onder ogen durft te zien wat hem is overkomen. Poëzie kan sterker maken, kan ons louteren, waardoor we de feiten durven te erkennen.''

Waarom is dat dan geen troost?

,,In de troost zit altijd perspectief. Mijn vader was een beroepstrooster, net als die van Freek de Jonge. Hij kon bij een sterfgeval niet volstaan met de opmerking: 'Dit is de werkelijkheid, doe er wat mee.'' De dichter van het bijbelse Hooglied zegt: 'Liefde is sterk als de dood''. Dat is precies zover als een dichter kan gaan. Is hij zo dwaas een stapje verder te gaan, dan zegt hij: 'Liefde is sterker dan de dood.' Maar dan ga je verkondigen, alsof je een profeet was, en dat zal een moderne dichter niet snel doen.''

,,Iemand die zich sterk van deze grens bewust is, is Leo Vroman. In zijn schitterende gedicht over de Bijlmerramp vraagt hij zich af wat zich 'laat zwenken door poëtentaal'. Het antwoord is duidelijk: niks, en zeker geen neerstortend vliegtuig. De woorden van de dichter zijn machteloos. Maar dan maakt het gedicht zelf een zwenking. Vroman dicht: 'Maar kon ik dan maar/ even maar....' Wat zou hij kunnen? Hij weet dat zijn woorden niks hebben in te brengen. Maar:

'als ik zo goed kon schrijven

nee als ik zo had geschreven

dat alle onrecht van de aarde

in deze vliegtuigramp herenigd

met het stof werd opgeheven

en de arenden met hun alen paarden

en de paarden voor de poorten stonden

en de stonde was gekomen dat

de leeuwin haar lammeren kuste

en de kusten van de continenten stegen

en de stegen naar de hemel zouden reiken

en de rijken smachten naar de armen

en de armen reikten gul en allerwege

en alle wegen zouden openvallen

en alle vallen al hun plooien baren

Kon ik zo mooi openbarend schrijven

als de grote dode levenden

zodat de allerdoodsten even

de hoofden zouden lichten

om de lichten te zien doven

en de doven en de blinden

opgestoten

in de woordeloze wind'

Zo eindigt het gedicht over de Bijlmerramp. De paarden, de poorten, de lammeren en de leeuwen - het lijkt alsof Vroman hier een beeld van het Nieuwe Jeruzalem uit het bijbelboek 'Openbaringen' schetst. Vroman gebruikt niet voor niets het woord 'openbarend schrijven'. Maar deze voorstelling wordt de achterblijvers niet voorgehouden als verblijfsplaats van de overledenen, zoals bij Vondel of Huygens. Hoe goed Vroman hier ook geschreven heeft, een tijdomkeer heeft hij niet kunnen bewerkstelligen, een Nieuw Jeruzalem niet kunnen creëren. Of toch, voor even, voor een ogenblik, voor zolang als het gedicht duurt. Het fascinerende van dit gedicht is dat de dichter weet dat hij het niet kan zeggen en het toch maar even zegt. En hoe.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden