Waar een wiel is, is een weg

Op het circuit wilde hij nooit remmen, en in het leven soms ook niet. Dat leverde hem kampioenschappen op, maar ook uitglijers.

Eddy Bron keek verrast op toen hij het bericht van zijn vaders dood in de krant zag: ’Oud-motorcoureur Rob Bron (66) overleden’. „Was die ouwe al 66?”, vroeg Eddy zich verbaasd af.

In werkelijkheid is Rob Bron 64 geworden, die twee extra jaren waren een gevolg van een leugentje van een halve eeuw geleden.

Toen wilde hij meedoen aan een skelterwedstrijd, waarvoor je minstens zestien jaar moest zijn. Rob was nog maar veertien, maar zijn vader zat daar niet mee, en jokte dat Rob zestien was. Vader zat te popelen om hem kampioen te maken. En Rob deed wat hij kon: die eerste wedstrijd won hij al.

Sindsdien is Rob Bron in zijn hele raceloopbaan, ook toen hij van skelters overstapte op racemotoren, steeds twee jaar ouder geweest dan hij in werkelijkheid was. In alles was Rob snel, zelfs met zijn leeftijd.

Rob was de derde generatie van zijn familie die leefde op wielen. Zijn grootvader had in fietsen gedaan en had ook een stalling in Amsterdam. Zijn vader handelde in bromfietsen en zette de eerste stappen in de racerij op motoren. Het was zijn droom dat Rob wereldkampioen zou worden. Hij leerde Rob alles over motortechniek, maar hij was erg streng. Als Rob eindeloos had zitten vijlen op een onderdeel en vader was niet helemaal tevreden, dan smeet hij het werkstuk van zijn zoon boos in een hoek.

Hij gaf Rob een éénwieler, zo’n circusding. Dat moest hem een goed gevoel voor evenwicht geven. Kenners zagen later het resultaat van die circuskunst: Rob zat in de bochten gewoon op het zitje van zijn motorfiets, hij hoefde er niet half naast te hangen om in balans te blijven.

Motorsport is niet alleen balanceer- en stuurkunst. Voor de generatie van Rob was het vooral de kunst van het sleutelen. Hij had nog geen fabriekssponsors die een karavaan onderdelen en monteurs naar de wedstrijd sturen. Hij deed alles zelf.

De harde lessen van zijn vader bracht hij in praktijk. Als hij een nieuwe ’fiets’ kreeg, dan ging meteen de motor uit elkaar. Elk onderdeel bekeek hij tot in het kleinste detail om het bij te vijlen, beter af te stellen of te vervangen door iets beters. Elk motorblok werd zijn persoonlijke kunstwerk.

Hij deed dat allemaal op zolder. Al die zware motorblokken moesten naar vier hoog worden gesjouwd.

Zijn inspanningen hadden resultaat. Rob verzamelde acht kampioenstitels in Nederland. Ook internationaal streed hij in de voorste linies. Toch haalde hij daar nooit de eerste plaats. Dat zat hem dwars. „Als mijn vader was blijven leven was ik wereldkampioen geworden, achter mekaar”, zei hij.

Rob was negentien toen zijn vader en coach stierf. Met zijn moeder zette hij de brommerzaak nog anderhalf jaar voort tot hun woning was afbetaald. Rob werkte nog even elders in loondienst, maar dat was geen succes. Hij werkte zo snel dat zijn collega’s hem dat niet in dank afnamen. Toen waagde hij de stap om te leven van het startgeld en de prijzen in de racerij. Het was niet genoeg om van rond te komen, dus hij handelde ook in motoren.

Zijn beste jaar was 1971, toen hij 26 was. In de Grand Prix werd hij tweede achter tienvoudig wereldkampioen Giacomo Agostini. Die Italiaan was onverslaanbaar. Hij was de eerste die rijk werd ondersteund door een fabrieksteam. Als Agostini meedeed, dan wist je tevoren wie er zou winnen. Dus Rob met zijn tweede plaats zou je kunnen beschouwen als de winnaar van de rest.

Toen Agostini eens afwezig was bij een Grand Prix in Ierland stevende Rob op een eerste plaats aan. Maar zijn helper die het bord ophield met het aantal ronden dat nog kwam, vergiste zich met de laatste ronde. Rob dacht dat hij gewonnen had en liet het gas los.

Het topjaar 1971 eindigde treurig. Aan het einde van het seizoen lag hij op kop in een straatrace in Tsjechoslowakije. Maar hij slipte op de natte weg en belandde in een greppel. Zijn fiets lag in puin. Het heeft hem de hele winter gekost om hem helemaal opnieuw op te bouwen.

Pech was er altijd meer dan genoeg. Zoals het jaar daarna toen zijn schouderblad gehavend werd en zijn sleutelbeen brak. „Een nachtje goed slapen dan gaat het wel weer”, zei Rob.

Tegenslag nam hij met een vloek en goede moed. Zoals die keer dat ze naar Neurenberg reden, terwijl ze moesten zijn op het circuit van Nürburg, 600 kilometer de andere kant op. Zijn motto was: Waar een wiel is, is een weg.

In het seizoen waren ze altijd onderweg, slapend in een tentje en later in een caravan. Het was geen vetpot. „De clowns betalen het circus”, zei Rob.

De clowns maakten ook pret. Thuis, in een bovenwoning in de Amsterdamse Rivierenbuurt, was het altijd vol met fans en collega’s die meebrulden met de rockmuziek van Creedence Clearwater Revival. Het stonk er altijd naar motorolie, al vonden ze dat zelf geen stank maar een heerlijke geur. Robs vrouw Irene, met wie hij in 1966 was getrouwd, en hun twee kinderen waren deel van dat racewereldje.

Toen de kinderen groter waren ging Irene bij De Bijenkorf werken. ’s Avonds deed ze de boekhouding voor Rob. Soms stond er een lange haal van haar pen op het boekhoudblad als ze ’s nachts in slaap was gesukkeld. Ze haalde ook het middenstandsdiploma voor de zaak.

Elke vrijdagavond gingen ze dansen. Dan hulde Ruige Robbie, zoals hij op de circuits werd genoemd, zich in een vrouwengeurtje van Chanel. Nummer 19 en nummer 5, dat waren zijn lievelingsluchtjes. Hij had er wel vier grote flessen per jaar van nodig. Ook bij het dansen gingen ze voor goud, maar het was vooral dolle pret.

Er staat nog een snelheidsrecord van Rob dat nooit is gebroken. Dat was op het circuit van Daytona in Florida, waar hij in 1978 de hoogste snelheid bereikt die daar ooit is gehaald: 342 kilometer per uur. De wedstrijdleiding vertrouwde het niet: de carburateur moest open om te zien of Rob de maximaal toegestane inlaat had overschreden. Maar alles klopte volgens de regels.

Rob had iets met carburateurs. Wat hij precies met zijn vijl deed, is zijn geheim gebleven. Maar ook in de racerij rukte de elektronica op. Dat was niks voor hem.

In 1985 stopte Rob met racen en hij legde zich toe op de verkoop van racemotoren en onderdelen. Hij opende een winkel op de begane grond. Wie bij hem kocht, kreeg meteen een schroevendraaier in handen om de fiets uit elkaar te halen. Want hij verkocht vooral kennis van zaken. Hij leerde zijn klanten ook te luisteren naar het motorgeluid. Als je goed luistert, dan kom je alles te weten.

In 1996 meldde zich een tengere jonge vrouw van negentien als koper. Zij werd een van zijn beschermelingen. Hij coachte haar zoals hij vond dat zijn vader dat met hem had moeten doen. Maar zoals Rob op het circuit nooit wilde remmen, zo was dat ook in zijn leven. Hij maakte plannen om met haar opnieuw te beginnen. Hij dacht aan Nieuw-Zeeland, het werd België. Maar dat avontuur bracht hem geen geluk.

Rob keerde terug naar het vertrouwde nest in Amsterdam. Alle wanden werden weer bedekt met foto’s van racende motoren. De vitrinekast stond weer vol met zijn bekers.

Hij bleef plannen maken. Deze keer om terug te keren in een zogeheten classic race op motorfietsen van vroeger. Zijn lijf was te zwaar geworden, dus ging hij op dieet. „Als ik weer in mijn overall pas, dan doe ik het”, zei hij. Het is er niet meer van gekomen. Hij werd ziek. Zijn laatste race duurde vijf maanden.

De dynastie wordt voortgezet. Zoon Eddy verhuist de zaak van zijn vader naar Beilen, dichtbij het circuit van Assen. Op zijn beurt heeft Eddy van zijn vader geleerd te luisteren naar de motor. En te balanceren op een eenwieler.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden