Waanzin tussen religie en kunst

Uit de papieren en brieven van de Franse toneelschrijver, tekenaar en dichter Antonin Artaud (1896-1948) blijkt dat hij verslaafd was aan opium. Dat bleef Artaud, die ook schizofreen was, tot zijn dood. Hij fulmineerde tegen de hem toegediende elektroshocks. Maar psychiater Hans van der Ploeg denkt dat die behandeling wel degelijk hielp.

'Elke keer dat u zegt dat u mij wilt genezen', schreef Antonin Artaud aan zijn psychiater Gaston Ferdière, 'is het alsof ik een messteek recht in mijn hart en mijn bewustzijn krijg. Want ik wéét dat ik niet ziek ben en dat u zelf tot drie maanden geleden dacht dat ik in perfecte geestelijke gezondheid verkeerde. Ik weet niet onder wiens invloed u van mening bent veranderd, maar ik heb het gevoel de laatste vriend die me begrijpt te hebben verloren.'

Artaud was nog geen vijftig toen hij na negen jaar opname terugkeerde in Parijs. Hij zag er ouder uit dan zeventig. Op 26 mei 1946 was hij met de nachttrein naar de hoofdstad vertrokken in gezelschap van zijn psychiater Ferdière. Zijn kunstenaarsvrienden verwelkomden hem de volgende dag op het Parijse Gare d'Austerlitz.

Ferdière had Artaud op aandringen van diens vrienden uit het gesticht van Rodez met ontslag laten gaan. Ferdière had achteraf het gevoel dat hij Artaud aan zijn moordenaars had overgeleverd. Artauds vrienden hebben hem volgens Ferdière in Parijs met opium de afgrond in geholpen.

Hij was daarom niet over één nacht ijs gegaan. Eerst had hij de kunstenaar een maand op proef in een naburig dorp ondergebracht, om te kijken of hij dat aankon. Eenmaal in Parijs regelden Artauds vrienden een onderkomen voor hem in een oud paviljoen in de tuin van een psychiatrische kliniek in de Parijse buitenwijk Ivry. De dichter Gérard de Nerval was daar volgens Artaud een eeuw eerder nog opgenomen geweest.

Artaud beweerde dat de helden van de Franse Revolutie, zoals Robespierre en Murat, er hun belangrijkste redevoeringen hadden geschreven. Terug in het vertrouwde Parijs ontplooide Artaud een waanzinnige activiteit. Artaud, die vroeger vaak geblokkeerd was geraakt en zoveel moeite had gehad om zijn gedachten op papier te zetten, zat nu dag en nacht te schrijven, in zijn kamer, bij vrienden in het café en in de metro. Artauds taal spuwde lava gelijk een vulkaan, met neologismen en betekenisloze woorden, lukraak opgetekende klinkers en medeklinkers, waarmee hij primitief geschreeuw en gestamel tot expressie dacht te brengen. De Duitse psychiater Kahlbaum noemde deze opwindingstoestand katatonie (letterlijk: 'door-en-door-spanning').

Artauds schrijfwoede doet denken aan de ongebreidelde productiviteit van Vincent van Gogh (1853-1890) gedurende de laatste anderhalf jaar van diens leven. In januari 1947 werd een grote tentoonstelling in Parijs gewijd aan Van Gogh. Artaud raakte diep onder de indruk van zijn werk. Op een krantenartikel waarin Van Gogh werd getypeerd als een gedegenereerde figuur reageerde Artaud furieus. In de kortst mogelijke tijd schreef hij 'Van Gogh: le suicidé de la société'. Daarin fulmineerde Artaud tegen de psychiaters en de gehele psychiatrie. Volgens Artaud had Van Gogh zelfmoord gepleegd omdat de maatschappij hem het onmogelijk had gemaakt verder te leven.

Zelf had Artaud naar eigen zeggen in de inrichting nooit last van zelfmoordneigingen gehad. Wel voelde hij door elk gesprek met zijn psychiater 's morgens de wens zich te verhangen, omdat hij wist dat hij hém niet kon wurgen. Zijn hoofdpijn en moeite om zijn gedachten te verwoorden maakten hem tegelijkertijd afhankelijk van psychiaters. Deze ambivalentie -wel of niet hulp willen- is volgens de Zwitserse psychiater Bleuler één van de kenmerken van schizofrenie. Artaud klaagt in zijn geschriften over een gebrek aan aansluiting met anderen, een innerlijke breuk in de samenhang van alle zenuwen: hoogtevrees van de ziel.

Artaud herkende zich totaal in Van Gogh. Toch leden ze niet aan dezelfde kwaal. Van Gogh was manisch-depressief. Beide kunstenaars produceerden op het laatst alsof hun leven er van afhing. Bij schizofrenie past behalve het horen van stemmen en achtervolgingsideeën ook verzanding, stilstand en teloorgang. Voor de diagnose moet je niet alleen kijken naar hoeveel, maar ook naar wát de kunstenaars produceerden. Artaud schreef verward en gebruikte eigengemaakte woorden, en was voortdurend achterdochtig. Van Gogh schreef tot zijn dood helder.

Artaud raakte bekend als de pionier van het moderne toneel, door hem 'Theater van de Wreedheid' genoemd. De acteurs moesten al het cerebrale en rationele laten varen voor de totale uiting van hun gevoel. Ze moesten hun onbewuste met het publiek delen, geheel versmolten met hun personage. Heftig en authentiek, alsof Artaud de remedie voor zijn eigen gevoelsvervlakking van toepassing achtte op de rest van de wereld. En ook Artauds verlangen naar mystiek en exotische culturen worden zo begrijpelijker. Desondanks bleef zijn innerlijke leegte bestaan, ,,de onafgebroken pijn en het duister, de nacht van de ziel, het ontbreken van een stem om te schreeuwen.''

Zelf dacht Artaud dat hij leed aan godsdienstwaanzin. Hij voelde zich verwant met de dichter Gérard de Nerval (1808-1855). Er bestaan veel parallellen tussen hun psychosen, al was bij Artaud de achterdocht meer uitgesproken. Hij dacht dat de ene na de andere mooie vrouw hem in het gesticht wilde komen bezoeken. Ze arriveerden nooit, omdat ze onderweg vermoord werden door lieden die afgunstig waren op Artauds succes. Een zekere Catherine Chilé, een verpleegster, zou hem in mei 1945 bezoeken, maar ook zij werd gedood. De vrouw met die naam die op bezoek kwam was haar dubbelganger, dacht Artaud.

Artaud was negentien toen hij in 1915 voor het eerst werd opgenomen, in het sanatorium voor zenuwlijders in Marseille. Plotseling had hij alles verscheurd en zijn boeken aan vrienden uitgedeeld. Hij vertelde later dat hij door een souteneur met een mes in de rug was gestoken. In de kliniek stotterde hij en had kramp in de spieren van gezicht en tong. In 1916 moest hij in het leger. Na negen maanden werd hij afgekeurd.

Tussen 1916 en 1918 leed hij aan zenuwpijnen en aan aanvallen van mysticisme, zat hele dagen met een rozenkrans te bidden. Van 1918 tot 1920 was hij opgenomen in een Zwitsers sanatorium. Omdat er geen therapie bestond die hem kon genezen, namen de artsen hun toevlucht tot laudanumdruppels -opiumtinctuur opgelost in alcohol. De rest van zijn leven bleef hij verdovende middelen gebruiken.

'Mensen die drugs gebruiken', schreef Artaud, 'doen dat omdat ze een seksueel en voorbestemd Gemis hebben -of omdat ze als dichters van hun bestaande Ik eerder dan anderen hebben gevoeld wat er aan het leven ontbreekt. Als je de afgrond in jezelf probeert te dempen, demp je dus datgene wat het leven scheidt van het Leven. Die gewaarwording van lichamelijke hoogtevrees is de afkeer van het bestaan.'

Na een actief leven bij het toneel ging Artaud in 1936 naar Mexico. Hij woonde bij de Tarahumara's, de oorspronkelijke Mexicaanse indianen die peyotl verbouwden en de zonnecultus bedreven. Binnen het jaar was hij terug in Frankrijk, volgens vrienden volslagen gek. Hij had een stok bij zich, die hij van God gekregen zou hebben en die hij terug moest brengen naar Ierland aan 'handen die weten'. Zijn vrienden ontvingen vreemde brieven: 'Het is mogelijk dat ik binnenkort naar de gevangenis ga; maak je niet ongerust, het zal vrijwillig zijn en niet lang duren.' Artaud ging niet naar de gevangenis, maar naar een gesticht, en het duurde negen jaar.

In tweeërlei opzicht blijft Artaud actueel: door de verslaving en de elektroshocktherapie. Bij verslaving hoort afkicken. En dat heeft Artaud minstens twee keer geprobeerd, voor een mooi meisje, de Belgische Cécile Schramm. Op 18 mei 1937 ging het mis toen hij een lezing hield over de crisis van het culturele leven in Parijs. Zijn toespraak klonk heftig: ,,Door u dit te openbaren heb ik mezelf vermoord.'' Daarna bleef hij bewegingloos staan, met de ogen gesloten. Een katatone blokkade? Naderhand deed in Brussel het gerucht de ronde dat Artaud gesproken had over de gevolgen van zelfbevrediging bij de Jezuïeten. De verslaving leek even weg, maar Artauds gekte was beslist erger geworden.

Begin jaren veertig onderging Artaud zes kuren van de pas ontdekte elektroshocktherapie (ECT), met succes. Hij klaagde over denkstoornissen en rugpijn door deze behandeling. De rugpijn is gezien de toenmalige praktijk van ECT zonder narcose en spierverslapping niet ondenkbaar. De rugklachten hoorden evenwel ook tot Artauds waansysteem. Uit recent onderzoek blijkt dat ECT bij chronisch schizofrene patiënten in veertig procent van de gevallen beperkte verbetering geeft, terwijl meer dan tachtig procent van de katatone patiënten door ECT opknapt.

Behalve om zijn 'idiosyncratische' toneelbenadering is Artaud nog altijd bekend vanwege zijn indringende portretten van medepatiënten in het gesticht: gezichten uit de hel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden