VVD / Wilders is een last voor alle partijen

'Het liberalisme heeft de toekomst', juichte de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD, gisteren bij haar vijftigjarig bestaan. Toch worstelen de liberalen met een niet te stoppen neergang en niets helpt, ook harde taal over de islam niet. Het wantrouwen onder kiezers dreigt weer toe te slaan.

Wat is er toch aan de hand met de VVD? Wie de droefgeestige sfeer proeft bij de liberalen, kan zich nauwelijks voorstellen dat zij zich nog maar kort geleden, aan het einde van Paars, opmaakten voor de strijd met de PvdA om de positie van grootste partij. Politicologen vertelden ons in die dagen dat het een kwestie van tijd was. De VVD stevende onherroepelijk af op de leidende rol in de Nederlandse politiek.

Zij stoelden die verwachting op een plausibele sociologische verklaring. Die luidde als volgt. Sinds de oprichting van de VVD in 1948 dijde haar potentiële kiezersgroep alleen maar uit. Terwijl de PvdA nagenoeg stabiel bleef en de christen-democratie zo goed als halveerde, ging het zeteltal van de VVD op een enkele dip na in een vloeiende lijn omhoog. Zonder binding aan kerk of zuil waren de liberalen beter dan christen-democraten of sociaal-democraten toegerust om profijt te trekken van processen als ontkerkelijking en verzelfstandiging van het individu.

Dankzij de naoorlogse welvaarts groei was bovendien een brede middenklasse ontstaan die een direct materieel belang had bij het liberale programma van belastingverlaging en terugdringing van de overheidsbemoeienis. Weliswaar hadden ook CDA en PvdA zich begeven in de strijd om de stem van de middenklasse, maar op straffe van zelfverloochening konden zij tegelijkertijd nimmer hun historische opdracht tot solidariteit met kwetsbare groepen uit het oog verliezen. Dat plaatste beide partijen soms voor het lastige dilemma hoeveel lasten zij bereid waren de middenklasse op te leggen ten behoeve van achtergestelden. De VVD had het minder moeilijk met dat dilemma en kon zich zonder reserves als belangenbehartiger van die gestaag groeiende middenklasse opwerpen. Kortom, de trofee van de grootste kon haar niet ontgaan.

Deze redenering heeft nog niets aan logica ingeboet, en toch houdt de politieke werkelijkheid zich er niet meer aan sinds Fortuyn haar ruw verstoorde. De klap die hij uitdeelde aan de gevestigde partijen onthulde dat we niet meer kunnen vertrouwen op de geijkte interpretaties van politieke processen. De rust onder Paars was schijn, toonde Fortuyn aan. De opkomst van deze flamboyante buitenstaander leek een diep wantrouwen jegens de gevestigde politiek te hebben blootgelegd.

Sindsdien komt de VVD er maar niet bovenop. Herstelde de PvdA, dat andere slachtoffer van Fortuyn, zich wonderbaarlijk snel in de electorale gunst, de VVD bleef kwakkelen. In de peilingen is zij nu ruim twee keer zo klein als de partij waarmee zij nog niet zo lang geleden een strijd voerde om de positie van de grootste.

Maar evenmin als de VVD kan de PvdA of het CDA gerust zijn op de toekomst. Politicologisch onderzoek wijst erop dat het vertrouwen in politieke partijen niet eerder zo laag is geweest. De anti-elitesentimenten in de Arena bij de happening rond de kist van André Hazes wekten al het vermoeden dat de gevestigde orde voor velen verdacht is. De snelle opmars van Wilders in de gepeilde kiezersgunst na de moord op Theo van Gogh en de verdere val van de VVD versterken dat vermoeden.

Op het eerste gezicht zijn de tegengestelde kiezersbewegingen rond Wilders en de VVD raadselachtig. Wilders en de partij waarvan hij zich heeft afgescheiden, wedijveren sinds de moord op de cineast om wie het luidst de angst voor de islam een politieke stem geeft. De eenling heeft na 2 november zijn aanhang zien groeien als kool, de VVD zakt met een gelijkluidende boodschap steeds verder weg. Hoe kan dat?

Klaarblijkelijk biedt een hard verhaal over de moslims in Nederland nog geen garantie op succes. Een mogelijke verklaring zit in de verschillen tussen Wilders en de VVD. Wilders voedt heel gewiekst het wantrouwen jegens de gevestigde macht, waartoe ook een oude en traditionele partij als de VVD behoort. Zelfs zijn zorgen om zijn eigen veiligheid wist hij politiek uit te buiten. In kamervragen beschuldigde hij het kabinet van onvoldoende bescherming en zelfs van geniepige belemmering van zijn pogingen een nieuwe politieke beweging te organiseren. Zo riep hij twijfel op aan het vermogen van de overheid om de democratie weerbaar te houden tegen gewelddadige krachten.

Net als Fortuyn voelt Wilders aan dat het ongenoegen van een deel van de burgers zich tegen het politieke establishment richt. Hij voldoet in tal van opzichten aan de beschrijving die de politicoloog André Krouwel geeft van een succesvolle populistische politicus. Dat is een 'buitenstaander' die zegt aan de kant van het volk te staan, een eenzame strijder tegen een afstandelijke overheid die het contact met 'de gewone burgers' kwijt is. Voor de tv is hij met z'n rake oneliners een dankbaar onderwerp, zeker als hij zich van de grauwe middelmaat onderscheidt met een opvallend uiterlijk en een niet-alledaagse auto.

En van een klassieke politieke partij moet een populistische leider niet veel hebben. Hij ontleent zijn autoriteit immers aan de 'wil van het volk' en zo'n partij staat maar tussen hem en dat volk in. Bij Pim Fortuyn zagen we die weerstand tegen de politieke partij terug. Hij was een groot voorstander van allerlei vormen van directe democratie die de 'wil van het volk' tot uitdrukking zouden brengen.

Jegens Leefbaar Nederland, de partij die hem in het najaar van 2001 tot lijsttrekker koos, voelde hij dan ook geen enkele verplichting zich aan het programma te houden. De kortstondige relatie tussen Fortuyn en LN was niet meer dan een verstandshuwelijk. Jan Nagel en andere bestuurders van Leefbaar Nederland zochten een bekende Nederlander met aantrekkingskracht op kiezers, Fortuyn had een campagnemachine nodig. De eerste de beste keer dat het kon, in een interview met de Volkskrant, zette Fortuyn zich demonstratief af tegen het LN-programma, met een breuk tussen partij en lijsttrekker als gevolg. Fortuyn zocht daarna zijn eigen 'lijst' bij elkaar.

Kortom, waar politieke partijen ooit zijn opgericht om te bemiddelen tussen bestuurders en burgers met hun tegenstrijdige belangen, behoren ze in de populistische beeldvorming nu tot de gevestigde machten die het contact met het volk zijn kwijtgeraakt. In dit licht moet de opkomst van Wilders álle partijen zorgen baren .

Een tweede conclusie is dat de VVD waarschijnlijk een illusie najaagt als zij denkt kiezers terug te halen door te radicaliseren in haar opstelling jegens moslims. Het gevaar dat dreigt als de kiezers toch wegblijven, is dat de VVD in een spiraal belandt waarin zij zich steeds verder van de gematigde krachten verwijdert. Dan verandert zij van een partij die een stabiliserende rol kan spelen in een polariserende kracht. Nu is het al moeilijk voorstelbaar dat een politicus als Hans Dijkstal met zijn ingeboren neiging om tegenstellingen te pacificeren nog maar kort geleden lijsttrekker van de VVD was.

Die radicalisering van de VVD is goed zichtbaar in de metamorfose van fractieleider Jozias van Aartsen. In het eerste jaar van zijn fractievoorzitterschap was hij een beraden, ontspannen politicus die in tijden van spanning rustig bleef.

Van die politicus is bij hem niet veel meer zichtbaar. Al direct na de moord op Theo van Gogh repte hij van heuse 'moslimterreur' waarover ons land even argeloos was als over de Duitsers in mei 1940. Als gematigde politicus was hij spoorloos in zijn rede voor het VVD-congres in Noordwijkerhout, waar hij zich overgaf aan verbale krachtpatserij. Over de tegenstelling in de Nederlandse samenleving zei hij: ,,Wie is een vriend van onze Grondwet, wie is een vriend van de sjaria? Wie kiest voor individuele vrijheid en gelijkheid voor de wet, wie voor de stokslagen van de ayatollahs?''

In fellere bewoordingen dan ooit maakte hij duidelijk wat de VVD bedoelde met de stelling in haar integratienota dat onderdrukking van een cultuur of religie een bevrijding van het individu kan zijn: ,,Weg uit de groepsdwang, weg uit de culturele onderdrukking, niet pappen en polderen. Zie Ayaan, die wegliep bij de rode knuffelaars. Daar moeten wij trots op zijn!''

Van Aartsen nam afstand van 'soft gedoe', klaagde over 'kwebbelen en kakelen' en stelde het 'stevige islamdebat' in Rotterdam ten voorbeeld. ,,Als er iets doodernstigs aan de hand is, dan gaan wij daar niet meteen het wolletje van de dialoog overheen trekken.''

Van Aartsen geeft tot dusver zijn fractiegenote Hirsi Ali alle ruimte voor haar stelling dat moslims alleen in Nederland kunnen integreren als zij zich 'bevrijden' van hun religie. ,,Wie aan Ayaan komt, komt aan ons'', weert hij kritiek op haar af. De steun van de VVD aan de D66-actie tegen de verbodsbepaling op godslastering, de opmerking van VVD-minister Verdonk over het 'lage incasseringsvermogen' van moslims en de handdruk waartoe zij een imam tegen diens wil trachtte te dwingen, dragen bij aan het idee dat moslims er volgens de liberalen alleen bijhoren als zij zich volledig aanpassen.

En het helpt de VVD niet, tot dusver. Haar radicalisering in het integratievraagstuk laat zien wat er kan gebeuren als een partij in haar onrust over wegzakkende kiezersgunst een verkeerde analyse van de oorzaak maakt. Wantrouwen van burgers in de gevestigde politieke macht blijkt ook langs deze weg het bestel onder druk te kunnen zetten, met alle ongewisse gevolgen van dien. Nu al lijkt de VVD van een redelijk stabiele coalitiepartner te zijn veranderd in een risicofactor.

Met zijn uitspraak eerder dit jaar dat de VVD een 'sleets merk' is geworden, toonde de jonge VVD-staatssecretaris Mark Rutte zich wel ontvankelijk voor het idee dat de malaise in de VVD te maken heeft met een probleem dat alle gevestigde politieke partijen treft. De ongerijmdheid dat de middenklasse groter en welvarender is dan ooit zonder dat de VVD daarvan electoraal profiteert, laat ook zien dat de partij niet meer, zoals vroeger, de politieke stem is van een duidelijk te identificeren sociale klasse. Kostte het voorheen weinig moeite een VVD-, PvdA- of CDA-stemmer te typeren, nu steekt iemand bij de verkiezingen zo maar over van de sociaal-democraten naar de liberalen of de christen-democraten.

Aan dat fenomeen moeten alle partijen wennen. Ze hebben afgedaan als representant van maatschappelijke krachten of klassen en zijn stemzoekende organisaties geworden die met elkaar in een concurrentiestrijd zijn verwikkeld, als waren het 'merken' op de kiezersmarkt. De partijen zoeken naar nieuwe vormen om zich aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Wilders zou als hij vandaag een partij oprichtte, nooit of te nimmer kiezen voor de overleefde organisatievorm van zijn concurrenten.

In de oude vorm hebben de partijen de idee dat tegenover elke macht een tegenmacht moet staan in hun organisatie geïncorporeerd. De Tweede-Kamerfractie en mogelijke bewindslieden legden verantwoording af aan de partijraad, en de afgevaardigden lagen op hun beurt aan de lijn bij de plaatselijke afdelingen.

Dat is inmiddels een organisatievorm uit de oude doos. Alle formele structuren waarin partijen van onderaf controle uitoefenden op de koers zijn afgebroken. In het CDA, de PvdA, de VVD wordt meer dan ooit gediscussieerd op 'kennisfestivals', 'fontein avonden' en wat dies meer zij, en toch hebben de leden minder te zeggen.

De andere kant van dat verhaal is dat de leider meer macht dan ooit heeft.

De leider kan een partij maken of breken. De PvdA dankte het spectaculaire herstel bij de verkiezingen van 2003 vooral aan Wouter Bos en niet aan de partij, laat staan aan de steun van een maatschappelijke klasse waarop zij vroeger vast kon rekenen. Bos was in die stembusstrijd een goed 'merk'.

Naast alle problemen die de gevestigde partijen gemeen hebben in de strijd met het populisme, worstelt de VVD ook met het gemis aan een vanzelfsprekende leider. Dat probleem verergerde nadat het VVD-congres geen gehoor gaf aan het klemmende verzoek van Van Aartsen hem als dé VVD-leider te erkennen. Hij vergat bij die greep naar het leiderschap de wijze les van zijn oude kompaan Hans Wiegel: ,,Als je van jezelf zegt dat jij en niemand anders politiek leider bent, dan ben je het al niet.'' Het politiek leiderschap is een staatsrechtelijk niet bestaande, informele functie die een politicus in zijn partij kan verwerven door statuur en gezag op te bouwen, niet door zichzelf formeel zo te laten benoemen.

En het zal het gezag van Van Aartsen geen goed hebben gedaan dat hij zich zo het hoofd op hol heeft laten brengen door Wilders en diens geestverwant in de VVD-gelederen, Hirsi Ali.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden