Vuur van Engelandvaarder en spion bleef altijd branden

Jan Bakker 1922-2016

Als meesterspion Virgil luisterde hij goed naar zijn informanten. Zo goed dat hij nooit terugkeerde naar Indonesië, waar hij opgroeide en tijdens de politionele acties voor de republikeinen uitgroeide tot staatsvijand. Als militair won hij, maar het politieke verlies van de overzeese gebiedsdelen maakte van Nederland volgens hem een 'tienderangs staatje als Denemarken'.

Jan Bakker stond als patriot fier achter het koningshuis. Daar kon hij heel rechtlijnig in zijn. Als zijn zoon kritiek uitte op prins Bernard, dan moest hij dekking zoeken. Vijftig jaar lang ging hij bij de Engelandvaarders voorop tijdens het bevrijdingsdefilé, waarnaar hij reikhalzend uitkeek. Al werd dat minder na het overlijden van Bernard, met wie hij kon praten 'als oude makkers'.

Jan woonde tot het laatst in de Oranjeflat in Scheveningen, op de plaats waar het in de oorlog kapotgeschoten Oranjehotel stond. In de woonkamer hing als symbool van zijn ijdelheid zijn geschilderde portret. Hij genoot op de valreep van een deels handgeschreven bedankbrief die koning Willem-Alexander aan alle nog levende Engelandvaarders stuurde. En hij maakte vorig jaar de opening mee van het Engelandvaardersmuseum in Noordwijk.

Hij genoot toen zijn bestelling kaarten voor de musical 'Soldaat van Oranje' werd omgezet in een vip-arrangement compleet met een ontmoeting met de cast. De actrices hingen aan zijn lippen toen hij vertelde over zijn theevisite als Engelandvaarder bij koningin Wilhelmina in Londen. Op de expositie in de foyer kon Jan een eigen uitspraak teruglezen over de Duitse invasie: "Ik heb die rotkerels zien binnenkomen met hun motorfietsen en zijspan. Echt, de tranen liepen me over de wangen. Ik kon ze wel vermoorden, vermóórden."

Die eerste confrontatie was in Den Haag, toen hij als 18-jarige hbs'er in een internaat woonde. Weliswaar was Jan in Eibergen geboren, in de toenmalige burgemeesterswoning Huize 't Simmelink, hij groeide op in Bandoeng, Indonesië. Als jongste zoon van kolonel van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger August Johan Bakker en Angelika Bakker-Wilhelm, dochter van een Knil-officier.

Tot in de napoleontische tijd bestond zijn familie uit militairen. Zelfs na de scheiding van zijn ouders, toen hij nog jong was, hertrouwde zijn moeder met een militair, A.G. van Tricht, de latere generaal-majoor. Toen de oorlog in Nederland uitbrak werd laatstgenoemde militair attaché in Bern.

In zijn ongeduld tot verzet ondernam Jan met financiële steun van zijn vader een vroege vluchtpoging. Nadat bij de Belgisch-Franse grens de beloofde contactman werd gemist, keerde hij terug naar Den Haag. Daar profiteerde hij van zijn succesvolle bokscarrière in Indonesië. Hij hield zich als straatvechter "in goede conditie met heftige knokpartijen tegen de gehate in zwarte pakken geklede Volk & Vaderland verkopende NSB-ers".

Dankzij zijn stiefvader kreeg hij in 1941 een visum voor Zwitserland. In Bern studeerde hij 'wat' geologie en criminologie en beklom hij de Mont Blanc. In feite waren die activiteiten dekmantels voor zijn eerste stappen op het pad van geheim agent, vluchtlijnen onderzoeken voor de militair attaché.

Jan moest tot november 1943 wachten tot hij onder de naam Pierre Thierry zijn drie maanden lange reis via Frankrijk, Spanje, Portugal en Gibraltar naar Londen kon maken. Van Tricht, verantwoordelijk voor het doorsluizen van Nederlandse militairen naar de vrije wereld, wilde met zijn stiefzoon elke schijn van bevoordeling vermijden. Tot Jan in een café een over het Derde Rijk pochende Duitser een oog uitsloeg, en het tijd was om te vertrekken.

Vanuit Engeland ging hij in 76 dagen per boot naar Australië voor een para- en officiersopleiding. Daar redde een blindedarmoperatie zijn leven. Terwijl hij in het ziekenhuis lag, vlogen alle andere leden van zijn opleiding tijdens een oefening te pletter tegen een berg.

Toen was hij al druk met het ontwikkelen van de springschoen, een sandaal maat 54 met zes ijzeren springveren. Die moest de door de primitieve parachutes veroorzaakte beenbreuken en rugletsels voorkomen. Hij testte de schoenen door ermee van een barak te springen. Wegens gebrek aan oorlog werden ze later nooit in productie genomen.

Na de Japanse capitulatie werd Jan tijdens de eerste en tweede politionele actie, die het Indonesische onafhankelijkheidsstreven de kop in moesten drukken, door generaal Spoor als hoofd veiligheidsgroep van de Tijgerbrigade in Semarang op Midden-Java gestationeerd. Met zijn sproetige, melkfleswitte huid en rossige haar vermoedde niemand dat hij de volkstaal Bahasa perfect beheerste.

Zo speelde hij een belangrijke rol bij opsporing, arrestaties en ondervragingen van de 'trawanten' van Soekarno, die in 1945 de onafhankelijke staat Indonesië had uitgeroepen. En uiteindelijk zelfs in de arrestatie van Soekarno zelf. Toen had hij zich met zijn rode baret en haren als leider van razzia's de reputatie van 'rode duivel' verworven.

Na de onafhankelijkheid op 27 december 1949 werd gevreesd voor zijn leven en moest hij uit Indonesië vertrekken, om er tot zijn verdriet nooit terug te keren. Hij had te veel vijanden gemaakt die het blijvend op hem hadden voorzien. Zijn informanten ontmoette hij in zijn latere rol van spion op de Filippijnen.

Met de haat tegen hem had hij geen moeite. Anders dan Nederlandse soldaten die vechten in Irak of Afghanistan, vocht hij voor een eigen ideaal, voor de instandhouding van een koninkrijk mét de grond waar hij opgroeide. Het vuur waarmee hij dat deed zou zijn hele leven blijven branden.

Gedurende de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog was Jan tijdens verlof in Nederland getrouwd met Edith D'Arnaud van Boeckholtz, die hij in 1947 had ontmoet in de officiersmess in Semarang. Hun verbintenis zou 65 jaar standhouden. Terwijl Jan met het vliegtuig gedwongen Indonesië verliet, maakte Edith de reis met hun negen maanden jonge zoon Jack met de boot.

Ridder

Jan werd hoofd veiligheidsdienst van het commando landmacht in Nieuw-Guinea, dat tot 1962 gebiedsdeel van Nederland bleef. Dankzij zijn inlichtingen kon het Nederlandse opperbevel in 1960 inspelen op een vierfasenaanvalsplan van Indonesië op Nieuw-Guinea. Daarvoor werd hij in 1961 ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1971 werd hij op voordracht van toenmalig secretaris-generaal van de Navo Joseph Luns bevorderd tot officier.

Omdat Jan onder codenaam Virgil voor de Nederlandse Inlichtingendienst Buitenland (BID) werkte, werd hij wegens onverenigbare taken in 1955 uit zijn officiersfunctie bij de luchtmacht ontheven. Toen de BID in 1968 werd ondergebracht bij Defensie was dat einde Operatie Virgil, werd hij ontslagen en mocht hij niet terugkeren als militair. Onterecht volgens de rechter, maar hij moest het tegen zijn zin in doen met een afvloeiingsregeling.

Met op zijn visitekaartje 'J.A. Bakker, Industrial Consultant' reisde hij onder zijn dekmantel van zakenman voor Nederlandse ondernemingen de wereld over met als doel inlichtingen inwinnen. Hij werd beschouwd als meesterspion, met een mol in de Indonesische regering. Nooit gaf hij zijn informanten of bronnen prijs, ook niet binnen zijn familie. Die moest zich tevredenstellen met anekdotes over rondvliegende kogels en onconventionele gerechten in Zuid-Vietnam.

Toen hij als geheimagent was uitgerangeerd, ging Jan met zijn netwerk als zakenman verder. Toen Lubbers in 1996 de Inlichtingendienst Buitenland ophief, noemde hij dat een onzinnige actie. "Inlichtingen zijn als het vizier op een geweer. Zonder vizier schiet je lukraak in de ruimte."

Schieten deed Jan vanaf zijn tiende, toen hij van zijn oudere broer Rolf een luchtbuks kreeg. Sindsdien was jagen zijn grootste passie. In Indonesië schoot hij als jongen een verzameling fraai gekleurde vleugels bijeen. Vijftig jaar lang ging hij met zijn zoon op jacht in Oudewater, Haastrecht en Moordrecht waar hij jachtvelden pachtte. Op zijn 91e schoot hij zijn laatste twee hazen.

Ook al was hij er als bezoldigde niet meer welkom, Jan bleef nauw betrokken bij Defensie. Wekelijks bezocht hij de officiersmess in Den Haag, voor een borrel met oude maten of om samen met zijn vrouw feesten te vieren.

Maar vooral werd hij gezien als een charmante persoonlijkheid die met een sigaartje in de ene hand en een whisky in de andere genoot van het leven. En met zijn ervaringen de kloof dichtte die was ontstaan tussen de veteranen en de nieuwe generatie. Nabij de bar hangt als dank daarvoor een herinneringsplaquette met zijn naam.

Altijd lachte hij, nooit kwam er een klacht over zijn lippen. Ook niet toen hij de blind wordende Edith in de laatste jaren van haar leven verzorgde. Met het geduld en de zorgzaamheid die je van een in oorlogstijd zo opvliegende militair niet zou verwachten.

Johannes August Bakker werd geboren op 12 augustus 1922 in Eibergen. Hij overleed op 7 mei 2016 in Den Haag.

Als Engelandvaarder en spion kwam hij op voor zijn vaderland. Dat hij zich als 'rode duivel' gehaat maakte bij de Indonesische republikeinen, deerde hem niet.

'Inlichtingen zijn als het vizier op een geweer. Zonder vizier schiet je lukraak in de ruimte.'

In Naschrift beschrijft Trouw het leven van onlangs overleden bekende of heel gewone mensen. Een tip voor Naschrift? Mail naar naschrift@trouw.nl Of per post naar Trouw/Naschrift, postbus 859, 1000 AW Amsterdam

Boven: in Semarang, tijdens de eerste politionele actie. Onder: tijdens een bevrijdingsdefilé.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden