Vurig verlangen naar schoonheid

Ophelia, een dromerig drijvend meisje tussen wilde bloemen, werd Millais’ handelsmerk

Beroemd worden op grond van één enkel schilderij dat alle andere werken in zijn oeuvre deed vergeten. Het overkwam de Britse schilder John Everett Millais (1829-1896) wiens meisjesportret ’Ophelia’ nu het stralende middelpunt vormt van de allereerste monografische presentatie in een Nederlands museum.

Dat het zo lang moest duren voordat Millais in het Van Goghmuseum in Amsterdam te zien is, heeft alles te maken met de positie die hij in de Engelse kunstwereld innam. Vincent van Gogh, die zes jaar voor Millais zou overlijden, wees er al op dat de door hem zeer geroemde Engelse schilders hun werk zelden buiten hun eigen land tonen. In eigen land vonden ze, mede door het ontstaan van een klasse van nouveaux riches in de 19de eeuw, gretig aftrek. Daardoor werd hun werk zelden naar buitenlandse markten verscheept.

De Ophelia is een sleutelstuk in het oeuvre van Millais. Tot hij de onwerkelijke voorstelling van een dromerig drijvend meisje te midden van een fijnzinnig gepenseelde natuur maakte, was Millais een vooraanstaand lid van de Prerafaëlitische broederschap. Dit schildersgenootschap, waartoe ook bekende schilders als Dante Gabriel Rossetti, William Holman Hunt en Edward Burne-Jones behoorden, wezen alle kunst van na de renaissance (en daarmee van Raphaël) van de hand. Zij stonden voor een terugkeer naar aloude waarden als eenvoud en vakmanschap die in de late Middeleeuwen verloren waren gegaan ten gunste van een nieuwe opvatting van het mensbeeld. Hun voorstellingen hadden nu eens een pathetische en dan weer een piëtistische, vrome inslag. Het maakt het werk voor de kijker van nu slecht verteerbaar.

Bij Millais viel deze symbolistisch getinte oprisping echter wel mee en al helemaal toen hij met Ophelia opeens een duidelijk andere belangstelling bleek te hebben. Allereerst dringt de schilder de kijker de vraag op wat er feitelijk te zien is. De jonge vrouw lijkt op het punt te staan om te verdrinken, maar ze doet weinig moeite om zich uit haar benarde positie te bevrijden. In tegendeel zou je zeggen, ze drijft vredig weg en heeft zichzelf omgeven met wilde bloemen. Ze lijkt één geworden met de haar omringende natuur. Dat verraadt tegelijk de visie van de schilder die zich heeft uitgeput in een zo correct mogelijke weergave van de buitenwereld. Geen diepzinnig betoog dus over de naderende dood, maar een ode aan de jeugd, of dat nu in de vorm van een mooie jonge vrouw is of het prille jaargetijde.

Millais was begin twintig toen hij met Ophelia roem kon oogsten. Hij werd al snel een gezocht portrettist die zijn leven lang naar vrouwen bleef kijken in wie hij op zoek ging naar het talent dat hen eeuwig jong hield. Ophelia, althans de uitdrukking van de vrouw in dit schilderij, werd zijn handelsmerk. Poseerde de Engelse dichteres Elisabeth Siddall voor het beroemde schilderij (ze was trouwens het meest geliefde model van de PreRafaëlieten, ook van Dante Gabriel Rossetti die een relatie met haar had), in dezelfde tijd vond Millais haar nobele trekken ook terug in de figuur van Effie Ruskin. Zij figureert in een ander, iets minder beroemd, maar daarom niet minder spannend schilderij waarin de vrouw van een soldaat haar vrijgelaten man welkom heet.

Millais’ model was de echtgenote van John Ruskin, die in nauw contact stond met de Prerafaëlitische Broederschap, maar zijn levenswerk heeft besteed aan het schrijven van de biografie van de schilder Joseph Mallord William Turner. Misschien ligt het aan dit contact dat Millais in zijn landschappen die nu eens niet door vrouwelijk schoon worden bevolkt, zo’n grote voorkeur voor zijn romantische voorbeeld aan de dag legt. Maar Millais bezit uiteindelijk toch niet de grootsheid van Turner. Zijn landschappen zijn doodsaaie en melancholische ’Sehnsucht’-voorstellingen die door de eerste de beste Duitse romanticus in die tijd tien keer beter werden gemaakt.

Van de latere vrouwenportretten valt hetzelfde te zeggen. Toen Millais zijn zo verfijnde stijl inruilde voor een wat grovere toets, ontstonden portretten die schilderkunstig gezien tamelijk gewaagd waren, maar inhoudelijk niet echt kunnen boeien. De vrouwen bleven onveranderlijk mooi, maar de setting waarin ze werden weergegeven oogt door en door burgerlijk. Kun je je in de landschappen niet onttrekken aan het feit dat Turner en Constable het voor hem beter deden, bij de latere vrouwenportretten denk je onmiddellijk aan de ruige toets waarmee Manet zijn modellen zo schilderachtig weergaf. Ook een vergelijking met de Britse portrettist Joshua Reynolds kan Millais niet goed doorstaan: diens visie op de vrouw was aanzienlijk minder gekunsteld.

Virtuoos daarentegen zijn de kinderportretten waarvoor hij de Spaanse meester Velasquez als inspiratiebron koos. Millais lijkt oprecht in de kinderziel geïnteresseerd. Hij verwart de jonge meisjes niet met opgewonden tieners die geen raad weten met hun ontluikende erotische gevoelens, maar valt soms wel in een sentimentele valkuil.

Om die reden moeten er dan ook vraagtekens worden gezet bij de uitspraak van de Tate. Toen deze tentoonstelling in het Londense museum te zien was, riep het gezaghebbende museum Millais uit tot de grootste schilder van zijn tijd. Het museum deed dat waarschijnlijk op grond van dat ene schilderij van Ophelia, zonder een woord van kritiek op de schilderijen die Millais later zou maken. Dat is wel erg veel eer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden