VUILE HANDEN - H.J. Heering

Het portret van zijn grootvader dat op de studeerkamer hangt, ademt - in veel tinten donkerbruin - de deftigheid van de oude remonstrant. Zijn grootvader was dominee, zijn vader G.J.Heering was hoogleraar in de godgeleerdheid. Zijn kleinzoon is groot in de 'rapwereld' (“als u dat wat zegt”). Tussen hen in bevindt zich H. J. Heering (85), oud-hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek aan de rijksuniversiteit te Leiden.

Hij schreef vorig jaar een boekje 'voor de generatie van zijn kleinkinderen': De God die niet meer nodig is. “Ze horen wel eens iets over het boeddhisme, over de Zen-beweging of over New Age. En uit de verte horen ze ook wel eens iets over het christendom, maar of David nu vóór of ná Christus geleefd heeft, dat weten ze echt niet. Mijn vader en mijn grootvader waren beiden dominee. Onze oudste dochter is trouw lid van de kerk. De anderen hebben er geen boodschap aan. Gewoon een generatiebreuk. Bij tijd en wijle ervaar ik dat als tragisch, maar het is eenvoudigweg gebeurd. Ik heb mijn kinderen nooit dwingerig, overdogmatisch of stompzinnig met het geloof geconfronteerd. Het hele klimaat is zo anders geworden en waarom dat zo is, weet ik niet.” Maar onlangs liep hij met zijn kleinzoon langs het strand: ach nee, die kerk van u. “En toen zei hij: maar elke avond eindig ik met een gebed. Dan sta je als dominee-opa met open mond. Dat was een heel goed gesprek, daar aan zee.”

Zeventwintig jaar speelde hij cello in een strijkkwartet “de mooiste vorm van muziek.” En na zijn emeritaat heeft hij nog zangles genomen. Hij vertelt het terloops, midden in het verhaal over de jaren dertig, waarin de dreiging vanuit het Oosten toenam. Soms kon je vluchten in de muziek.

“Mijn generatie groeide op met de illusies van het begin van het interbellum. Mijn vader was niet zo'n grote optimist, maar we leefden toch wel in een opgaande sfeer, die al heel gauw werd verstoord: in 1932 kwamen de eerste vluchtelingen uit Duitsland in mijn ouderlijk huis. Dus we waren gewaarschuwd.”

Zijn opvoeding stelde hoge eisen. “Veel te hoge en strakke eisen. De moraal moest het altijd maar voor het zeggen hebben. Mijn vader was de stichter van Kerk en Vrede. Eén van zijn grootste drijfveren was het breken van het verband tussen Christus en het militarisme. Hij heeft dat altijd volgehouden, ook in de oorlog. Als je Hitler bestrijdt met Hitlers methoden, is het eind zoek, was zijn standpunt. Ik ben daar gaandeweg anders over gaan denken. In de jaren '30 heb ik nogal wat Duitse, vaak joodse literatuur gelezen: Stephan Zweig, Franz Werfel, Wassermann. Die boeken ademen een sterk besef van de eenzaamheid van het ethos in deze wereld: de wereld heeft de ethiek nodig, maar drijft er tegelijkertijd de spot mee. In 1935 studeerde ik een jaar in Amerika. Daar leerde ik de persoon en de boeken van Reinhold Niebuhr kennen. Boeken zoals 'Kinderen van het licht en kinderen van de duisternis'. Niebuhr was van mening dat de ethiek zich eventueel moet kunnen wapenen met de wapens van de duisternis. Dat boeide mij mateloos, juist omdat ik in zo'n moralistische sfeer was opgegroeid. De liefde, de arbeid en de politiek storen zich niet altijd aan de moraal.

Juist het moralisme waarin ik was opgegroeid, heeft me nogal wat fouten laten maken. Ik wou als predikant 'het' evangelie brengen en dat wou ik zo goed mogelijk doen. Dan ga je op stelten lopen en bereik je de mensen niet echt: een man die bij de ingang van de kerk altijd de mensen ontving, ging scheiden. Scheiden was voor mij iets horribels. Ik heb hem gevraagd: blijf gewoon lid van de kerk, maar ga nou niet daar vooraan staan. Daar heb ik die man onnoemelijk veel verdriet mee bezorgd en pastoraal is het natuurlijk een blunder van jewelste. Zo heb ik er wel meer gemaakt. Rechtlijnig. Maar je ambt maakt je nederig. Dat was ik aanvankelijk niet. Dat leer je niet aan de universiteit, maar in de praktijk, met schade en schande.''

Uitermate klemmend deed de vraag naar de mogelijkheden en de grenzen van de ethiek zich voor tijdens de oorlogsjaren. Mede op grond van de ervaringen in die tijd is de vraag naar de macht van het kwaad voor hem een centrale vraag geworden en gebleven. “Mijn vader placht te zeggen: het is niet erg te lijden omwille van Zijn naam. Alles goed en wel, maar als je andere, onschuldige mensen ziet lijden, kan dat oneindig veel harder aankomen. In de oorlog was ik predikant in Amsterdam en in het Gooi. Hoe erg het was, wist je niet. Je wist alleen dat mensen verdwenen. Ik heb de Ariërverklaring getekend, want dan kon ik mijn telefoon behouden en mijn kerkeraad zei: teken in 's hemelsnaam nu maar, want je kan tegenwoordig moeilijk over straat en anders kunnen we je helemaal niet meer bereiken. Dus hou die telefoon nu maar en laten we dan op andere manieren des te harder voor de joden werken. Maar één van mijn liefste catechisanten die joden in huis had, is in Ravensbrück doodgeknuppeld. Andere gemeenteleden die wij via bemiddeling hadden willen redden, werden weggevoerd doordat de bemiddelaar een verrader bleek te zijn. Ik kwam zelf in kontakt met joodse mensen die niet wilden onderduiken, want ze konden wel werken en zo erg zou het toch wel niet zijn? Ze hadden twee kinderen. Sita was negen jaar en Annie zeven. Ik kreeg later een briefje in handen gespeeld, geschreven op een stukje w.c.papier, dat uit de trein was gegooid. De jongste schrijft: 'we worden weggevoerd, pappa en mamma zijn hier al niet meer. Ik ben zo bang.' En de oudste schrijft: 'ik heb elke avond tot God gebeden en Hij helpt niet.' Dat beeld van die kinderen, Sita en Annie Wolffers blijft altijd op mijn netvlies staan.”

Na de oorlog pas hoorde hij de uitroep van de Haagse remonstrantse predikant Kleyn 'waarom hebben we niet zoveel mogelijk joden in de Nieuwe Kerk laten schuilen en zijn we als predikanten en pastoors niet allemaal in toga vóór de deur gaan staan?' Heering: “Dát hadden de kerken moeten doen. En als die geweldloze manier niet had geholpen, hadden we desnoods geweld moeten gebruiken. De ervaringen in de oorlog vervullen me van een diepe existentiële schuld.”

Hij schreef over de vraag naar goed en kwaad twee boeken: Tragiek en Het boze. “Goed en kwaad liggen vaak zo door elkaar: dat is het thema van de tragiek. Het tragische is de schuldeloze schuld.” In zijn boek Tragiek betoogt hij dat ook de christelijke ethiek oog moet hebben voor het onvermijdelijke, dat overigens ook weer niet geheel vastligt. En dat je onvermijdelijk vuile handen maakt als je betrokken bent in de wereld. “Neem nu een arts. Je bent druk, er komt een dringend telefoontje: laat je dat vóórgaan? En als later blijkt dat je dat telefoontje verkeerd hebt ingeschat? Dat is een voorbeeld van schuldeloze schuld. Het kwaad roept zoveel vragen op: hoe ga je om met het kwaad? En wat bedoel je met het kwaad: de ziekte of de schurkenstreek? Hoe verhoudt het geweten zich tot het dagelijkse leven? De mooiste idealen kunnen het meest verschrikkelijke resultaat opleveren. Een ontwapend mens lokt de bruten uit. Dat heeft me erg beziggehouden. Misschien ook door veel persoonlijke dingen in mijn leven die ik verder niet noemen wil, maar die elk optimisme ondermijnden. Er is veel fysieke narigheid in het gezin geweest. Maar ook de ervaringen in de jaren dertig en veertig hebben de vraag naar de macht van het kwaad opgeroepen. Hoe doet God dat dan? Wat heeft Hij ermee bedoeld toen Hij de wereld schiep en ons schiep? Moet je aannemen dat er ook een duivel is? Of moet je aannemen dat God niet almachtig is?”

Buber, Rosenzweig en Levinas wezen hem nieuwe wegen in de omgang met de vraag naar het kwaad. “Vóór de oorlog al had ik Buber ontdekt. In 1936 had een vriend - die later door de Duitsers is gefusilleerd - mij een boekje van Buber gegeven: Die Stunde der Erkenntnis. Daarin stond een toespraak tot de Duitse joodse jeugd. 'Wass soll man tun? Mán soll nichts tun. Aber dú. Wass sollst du tun?' Je zal jezelf niet sparen, je volkomen inzetten. Dat deed me opkijken. Dat is een man die weet wat er in deze tijd gedacht en gezegd moet worden. Toen heb ik alles bij elkaar gegaard wat ik van Buber te pakken krijgen kon. Op de universiteit was mij geleerd dat het jodendom een antieke godsdienst was met rare, animistische gebruiken. Maar Buber heeft mij het Oude Testament geopend. De Profeten en de Thora. Buber heeft mij geestelijk door de oorlog heengeholpen. De Thora heeft zijn geldigheid ook als je niets ziet van Gods leiding. Je moet niet leven voor de hemelse heerlijkheid of het hiernamaals. Je bent verantwoordelijk gesteld voor deze aarde.”

Na de oorlog heeft hij zich een tijd met de meer orthodoxe opvattingen van Rozenzweig beziggehouden. Daar is Levinas op gevolgd. In 1964 werd hij hoogleraar in Leiden. Hoewel hij hield van het gemeentewerk, was hij blij met de adempauze. “Een predikant moet allerlei mensen te woord staan: zowel de fabrikant die z'n arbeiders moet ontslaan als kinderen die de weg kwijt zijn. Ik was bang dat ik een grammofoonplaat ging afdraaien en had de behoefte even te mogen nadenken. Maar ik had wel een achterstand: ik had zoveel boeken nog niet gelezen. Van Peursen heeft me op streek geholpen en gaf me van alles te lezen. Hij beval me onder andere Levinas aan. Dus aan het eerste bruidspaar dat me als dank voor de trouwdienst een kadootje aanbood, heb ik Totalité et Infini gevraagd.

Levinas kwam net op tijd. We waren allemaal geschokt en van ons stuk gebracht door de oorlog. De filosofie en de theologie waren op een dood spoor geraakt. De katholieken konden niet verder met hun natuurrecht, want wat is natuur nog in een wereld die we helemaal in cultuur hebben gebracht? De calvinisten wisten zo langzamerhand wel dat de bijbel niet letterlijk het Woord van God kon zijn. Maar waar moet je dan naar toe? De humanisten waren na de oorlog voldoende geschokt om niet meer zo hard in de mens te kunnen geloven. En dan komt deze joodse denker die zegt: het hele westerse denken is gebouwd op de veronderstelling dat de mens in de rede de enige toegang heeft tot de werkelijkheid. Dat is een zelfoverschatting. De mens ontvangt veel meer dan hij zelf ontwerpt. De mens werkt vanuit oerervaringen die zijn denken kleuren en richting geven. En zo'n oerervaring is om te beginnen de poging om jezelf te handhaven. Je kiest je vrienden naar je eigen belangen: met de een kan je praten, met de ander voetballen. Maar er zijn ook figuren die zich niet naar jouw wensen voegen. Zo iemand kan je laten stikken óf je kunt iets voor hem zijn. De schokkende ervaring dat je ergens nodig bent en dat je een rotzak bent als je je daar niets van aantrekt. De blik die de ander-/Ander op je werpt heeft gezag over je. Dat zijn de sporen van God die vanuit de ander naar je toekomen. Levinas heeft dus heel erg veel voor me betekend. Levinas, de jood die zijn hele familie uitgemoord weet, die het allemaal heeft doorstaan, maar die er bovenuit is gekomen. Het is toch ongelofelijk aangrijpend dat het juist een jood is, die zegt dat je naaste belangrijker is dan jezelf?''

Het christendom en de theologie hebben het thema van de tragiek verwaarloosd. Ze redeneerden volgens Heering te snel van de moraal via de zonde naar de vergeving en hadden te weinig begrip voor de de realiteit. “Misschien heeft de christelijke ethiek zich daardoor ook vaak onttrokken aan maatschappelijk verantwoordelijkheid. Want de christelijke ethiek ging toch in hoofdzaak over seksualiteit en wat allemaal niet mocht? Augustinus en Calvijn namen op politiek gebied stelling, maar sinds lang is er geen goede christelijk-sociale ethiek meer gepresenteerd. Het christendom heeft de politiek weinig steun geboden.”

Op het lijstje dat hij bij de hand heeft, staan vijf vragen die hem hebben beziggehouden. Aan het eind van het gesprek wil hij wel toegeven dat er twee uitspringen: de vraag naar het kwaad en de vraag naar de 'vertaling' van het evangelie naar deze tijd. “Wij leven in een geseculariseerde, pluriforme, autonome wereld. Wij mogen de schepping beheren, maar we hebben daartoe geen concrete handelingsaanwijzingen gekregen. Daarom geloof ik niet in christelijke politiek. We moeten over het beheer van de schepping flinke ruzies maken en elke bondgenoot kiezen die meedoet. Ook Marx.

Ik ben ten aanzien van de kansen van de kerk ambivalent. Als de prediking en het pastoraat goed zijn, staat een levende gemeente daar voor open. Maar routine heeft afgedaan. Het komt heel erg aan op goede prediking en goede liturgie. Ik ga zo trouw mogelijk naar de kerk, maar ik erger me soms dood. Babbeltjes, vol met 'eh' of 'vindt u ook niet?' Dat kán eenvoudigweg niet. Maar er zijn niet zoveel bronnen van inspiratie en ik vind dat de kerk daar nog altijd wel over beschikt. Mits er heel goed gepreekt wordt en er ruimte is voor individuele invulling. De kerk moet pluriform zijn. Ik smaal niet op stromingen als New Age: er zijn zoveel wegen naar God toe. Ik respecteer alle wegen waar men eerbied heeft. Misschien is het een voorbijgaande fase: ik heb er niet zoveel fiducie in, omdat het alle richtingen uitwaaiert. De religieuze supermarkt is tegenwoordig wel voorzien.''

Van jongsaf aan heeft hij zich ingezet voor de oecumene. Maar de ontwikkelingen op dat front stemmen hem niet vrolijk. “Ik heb geleerd dat het in de oecumene om vernieuwing gaat en niet om verandering. Ik ben een remonstrant, lid van een klein kerkgenootschap. Ik heb gepleit voor de kerkfusie met de gereformeerden, hervormden en lutheranen. Maar in de grondslagen van de Verenigde Protestantse Kerk staan nog altijd de artikelen tegen de remonstranten. Ik kon daar wel mee leven, maar voor anderen was dat moeilijk. De oecumene staat er vandaag de dag moeizaam voor. En ik zie de kerken elkaar niet helpen in hun moeilijkheden. Rome trekt zich van onze kritiek niets aan. En er is weinig dat ons aantrekt in Rome.”

Als kind had hij meer met God dan met Jezus. En gedurende je studententijd is er altijd een periode dat je je afvraagt wat je nu eigenlijk gelooft. “Maar ik ben door de oorlog weer christocentrisch gaan denken. In Christus vond ik iemand die tegen de hele rotzooi inging en stand hield en die het leven ook overstraalde met een genade, groter dan de grootste schoft kapot kan maken. Dat hielp me mijn geloof vast te houden. De vraag waarom God zoveel ellende toelaat, is voor mij nooit echt een probleem geweest: het is een mysterie hoe God in deze wereld aan de slag is. Als ik over God spreek, zet ik niet de Almachtige voorop, maar de Heilige, die zich in Christus openbaarde als de Barmhartige. 'Heilig' is niet alleen maar fascinerend en beangstigend; in de oorlog hebben we gemerkt hoe barmhartigheid ook heilig kan zijn. Die sporen van God en Christus zijn te vinden tot ver buiten het christendom. Je kan de ethiek niet losmaken van de genade. Dan raak je gefrustreerd. De tragiek heeft niet het laatste woord. Wel het voorlaatste woord. Maar het laatste woord is niet aan ons en niet aan de wereld en zijn noodlottigheden. Genade is zeer goddelijk en zeer menselijk.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden