Vrouwelijke vernieuwer

Haar oeuvre is klein en haar naam niet zo bekend, maar in de portretkunst was Judith Leyster een grote vernieuwer. Ook was zij gewaagd aan haar stad- en tijdgenoot Frans Hals.

Ambitieuze genrestukken en vlotte, zelden uitgewerkte portretten, maar weinig stillevens en al helemaal geen landschappen. Dat zijn de onderwerpen waarop Judith Leyster als een van de weinige vrouwelijke schilders zich in de 17de eeuw toelegde. Als ingezetene van Haarlem moet ze zich bewust zijn geweest van het feit dat in de belangrijkste stad van het gewest Holland een behoorlijke schare van opdrachtgevers bestond. En ze moet er weet van hebben gehad dat de schilders in deze stad juist in trek waren omdat ze, wat vernieuwing in de kunsten betrof, vooraan stonden.

Haar oeuvre is tot op de dag van vandaag vrijwel onopgemerkt gebleven, het is trouwens ook heel klein. Niet meer dan twintig schilderijen worden aan haar toegeschreven. Dat aantal kon onlangs met de vondst van een bloemstilleven in niet al te beste conditie worden opgehoogd. Het Frans Halsmuseum in Haarlem, in de afgelopen jaren stevig bezig om zich hernieuwd op het gebied van de Haarlemse 17de-eeuwse schilderkunst te profileren, laat van die twintig werken er nu elf zien. Inclusief het ’nieuwe’ bloemstuk, maar zonder al te veel context.

Het is niet de eerste keer dat het Haarlemse museum dieper ingaat op het oeuvre van Leyster, die leefde van 1609 tot 1660. Pieter Biesboer, voorganger van de huidige conservator Anna Tummers, toonde de schilderes in de jaren negentig wél met aandacht voor haar omgeving. Tummers wil het werk van Biesboer niet overdoen, maar heeft nu wel meer belangstelling voor de figuur Judith Leyster, voor de schilderes van genrestukken en portretten en haar rol in de vernieuwingsbeweging waaraan zij zeker een belangrijke bijdrage heeft geleverd.

Bij Haarlemse portrettisten uit de 17de eeuw denk je onmiddellijk aan twee grote namen: Frans Hals, die schare leerlingen had onder wie Vincent Laurensz van der Vinne tot zekere hoogte zou klimmen en Johannes Verspronck (omstreeks 1600-1662). Met de laatste, een volledige tijdgenoot van Leyster in tegenstelling tot Frans Hals die ouder was, moet ze weinig hebben opgehad. Ook Verspronck heeft uitzonderlijk veel in opdracht gemaakt, maar zijn figuurstukken komen vaak stereotiep over, alsof de opdrachtgever er alles over wilde zeggen.

Met Frans Hals deelde Leyster de vrijmoedige omgang met verf en penselen: ze heeft dezelfde losse toets, het vluchtige en het kortstondige dat ruim twee eeuwen later later zo in trek was bij de impressionisten. Maar op het vlak van compositie wijkt ze behoorlijk af van Hals. Figuren worden meestal voor driekwart afgebeeld, waarbij de onderlijn wordt afgeschuind. Die diagonaalwerking die je elders vaak in het landschap terugvindt (denk aan Jan Steen en aan Philips Wouwerman, die beiden uit Haarlem kwamen), komt in het 17de-eeuwse portret meestal bij Leyster voor.

Ze versterkt de diagonaalwerking nog eens door een verlaagd standpunt in te nemen. Dan kijk je tegen de onderzijde van een gezicht aan. Het resultaat pakt niet altijd voordelig voor de betrokkene uit. Het maakt de gezichtsuitdrukking grotesk, alsof de beschouwer nadrukkelijk een al te dramatische blik wil opvangen. Hals legde zich op dat effect toe in zijn tronies (Malle Babbe, Nar met luit) en mogelijk haalde Leyster daar haar inspiratie. Maar in haar visie op haar medemens plaatst de schilderes door de wijze van belichting een extra accent. Ze moet goed op de hoogte zijn geweest van wat de Utrechtse Caravaggisten aan groepsportretten en genrestukken plachten te maken. Veel van haar musici (ze moet dol op luitspelers, fluitisten, violisten en zingende drinkebroers zijn geweest) staan in een spookachtig of theatraal aandoend licht dat voor zware schaduwpartijen zorgt. Het effect zou beklemmend zijn als er niet zo veel gelachen werd. Vrolijkheid is niet altijd troef, Leyster zet haar figuren ook in om een moraliserend vingertje op te steken.

Op het enige zelfportret dat van haar hand bekend is, geeft ze zichzelf trouwens ook een glimlach mee, al verraden de ogen dat ze de kijker (opdrachtgever in spe, want voor deze categorie in de burgerij waren dit soort zelfportretten bedoeld als bewijs van kunne) ook wel even wil peilen. In dit zelfportret dat uit 1632 of iets later dateert, introduceert ze de diagonale lijn die ontstaat als de figuur haar rechterarm optilt in een poging haar penseel naar het doek te brengen. Op de ezel wacht een schilderij dat ook al weer van haar hand is. Het lijkt vrijwel voltooid. Met andere woorden: de pose maakt een niet al te levensechte indruk. De schilderes heeft zich voor deze gelegenheid, waarbij als vanzelfsprekend veel verf gemorst zal zijn, in een rijk kostuum gestoken, met een brede kanten kraag waarop het hoofd als een bal lijkt te dobberen. Het geheel maakt een gekunstelde, weinig overtuigende indruk.

Voor zover bekend heeft Judith Leyster zich nooit meer op zo’n manier afgebeeld. Het heeft er dan ook veel van weg dat het hier om een experiment gaat, haar ingegeven door de verwachting dat latere opdrachtgevers zulke vernieuwing wel op prijs zouden stellen.

Een van de oorzaken van het klein gebleven oeuvre kan ook liggen in het feit dat Leyster maar een betrekkelijk korte tijd heeft geschilderd, tussen 1625 en 1636, bij toeval ook net de jaren dat Rembrandt vanuit zijn jeugd naar een enorme productie begon te pieken. Een enkel stilleven met vruchten dateert uit 1643 en de vorig jaar ontdekte ’blompot’ moet in 1654 zijn gemaakt.

Maar op de grenslijn van 1636 staat een belangrijk historisch feit dat haar ontwikkeling als jonge schilder danig in de weg moet hebben gestaan. In dat jaar (twee jaar nadat Rembrandt met Saskia van Uylenburgh was getrouwd) trad Leyster in het huwelijk met een andere Haarlemse schilder, Jan Miense Molenaer. Ook Molenaer maakte tot dan toe portretten en figuurstukken. Mogelijk heeft ze haar man op dit specifieke terrein niet al te zeer willen beconcurreren en hem bovendien ook zakelijk terzijde gestaan.

Feit is dat ze in haar huwelijk veel minder heeft geschilderd en dan nog alleen maar aan de natuur gerelateerde onderwerpen als bloem- en fruitstilleven en natuurstudies. Deze werken missen de spontane en nonchalante toets waarmee ze eerder de portretkunst had weten te vernieuwen. Ze bleef wel trouw aan haar publiek. De middenklasse bleef tot 1675-’80 gecharmeerd van het kabinetstuk. Grote, monumentale werken of werken die door hun omvang opvielen (denk aan de schuttersstukken en andere groepsportretten van Frans Hals) heeft Judith Leyster niet meer gemaakt. Met zo’n abrupt stilgezet oeuvre scoort een schilder natuurlijk geen eeuwige roem. Pas toen er aan het einde van de 20ste eeuw de waardering voor vrouwelijke kunstenaars toenam, ontstond er ook voor Judith Leyster of mejuffrouw Molenaer zoals ze vreemd genoeg ook wel werd genoemd, kunsthistorische belangstelling.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden