Vrouw en cormorant

Waar zijn mijn vrienden, cormorant? 1 Gij keert hier daaglijks op uw stee En droogt uw vlerken boven 't strand# Na tochten over stroom en zee.

Uw stee, den zwarten strandhoofdpaal, Waarop uw zwarter vleugels staan,# Uw kop, verzadigd van het maal, Gehesen als een noodlotsvaan.# Spreek cormorant, waar zijn zij nu Die gingen in dien zwarten tijd?# Wie kan ik vragen dan aan u Die eeuwig langst het water glijdt?# Gij moet het weten, cormorant. Zij stierven onverwacht en snel,# Wellicht door wanhoop overmand, Rivieren, plotseling zonder wel.# “Uw vrienden zijn niet in uw staat. Hun lichaam heeft den grond gevoed.# Meet ook hun uur niet met uw maat, Want door de zee heen stroomt hun bloed.# Zoekt gij hun vorstelijken geest? Geen tijd die dezen slopen kan;# Die hen het naaste zijn geweest# Behouden er de sporen van. Ontstegen aan dien zwarten brand# Ontwiekt hun hart, hun hoog verstand En waren over zee en land# Gelijk ik, zwarte cormorant.”

Clara Eggink

Op het vissersmonument te Urk lees ik de namen van twee van mijn broers, Noordzeevissers. Hun lichamen zijn niet teruggevonden. Even verderop zie ik aan het eind van een dam enkele aalscholvers, flapperend met hun vleugels. Het gedicht van Clara Eggink wordt op heterdaad betrapt. De vraag aan de aalscholver en het antwoord van die vogel geven mij de gewaarwording van herkenning en identificatie.

Dagelijks ziet de vrouw de zwarte vogel op een strandpaal, de kop “gehesen als een noodlotsvaan.” Het is voor haar alsof de vogel uit onbereikbare verten komt, zelfs voorbij de grenzen van de dood waar zich de vrienden van de vrouw bevinden die niet uit de oorlog zijn teruggekeerd. De oneindigheid van het water waaruit de cormorant komt opdoemen, is een beeld van de eeuwigheid waarin de vrienden zijn.

In de laatste drie strofen komt het antwoord van de vogel op de wanhopige vragen van de vrouw. Zij moet niet menen dat ze nog contact kan hebben met hen die gebleven zijn in die zwarte tijd. Hun lichaam is aarde geworden, hun bloed is opgenomen in de zee, hun tijd is overgegaan in eeuwigheid: de vrouw kan die niet meten met haar aan tijd en ruimte gebonden maat.

Wat echter wel is overgebleven, is “hun vorstelijke geest.” Die is onvernietigbaar. De “zwarte brand” van de oorlog heeft deze niet kunnen verwoesten. Die geest heeft zijn sporen nagelaten in hen die met de niet-teruggekeerden zijn omgegaan.

Het valt op dat de korte regels nergens uitvloeien in een zwakgeaccentueerd einde, maar dat ze alle eindigen in een beklemtoonde lettergreep. Ook enjambementen, het overlopen van een regel in de volgende komen in dit gedicht vrijwel niet voor. Daardoor krijgt alles een staccato-karakter, kenmerkend voor de inhoud van het gedicht waarin de stroom van het leven is gestold. Het gaat immers over de dood?

Zulke vormkenmerken zijn geen onbelangrijke bijkomstigheden; zij geven reliëf aan de geest en sfeer van het gedicht en leggen hun suggestie op aan de lezer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden