Vrolijk

In een middeleeuws kerstliedje werden wij vroeger al zingend aangespoord te zingen en vrolijk te zijn: 'singhet ende weset vroo'. Nu er in mijn hoofd een vaag en onvervulbaar plannetje rondspookt voor een klein vocabulaire van de vrolijkheid, dringen deze woorden zich onwillekeurig op als een mooi uitgangspunt.

Want wat hier aan de hand is of de manier waarop ik het mij herinner, geeft veel stof tot denken over dit onderwerp. Het eerste en het meest algemene punt is dat wij werden aangespoord om vrolijk te zijn en dat dit niet dreigend gebeurde, althans niet voor degenen die niet over woorden zaten te tobben, maar zingend, dus door middel van een als aanstekelijk bedoeld voorbeeld van vrolijkheid. De nadrukkelijk voorgezongen gebiedende wijs betekende namelijk dat de voorgeschreven vrolijkheid er al was en het blijde gezang al ingezet. Je hoefde alleen maar mee te doen en dan werd je zelf ook vrolijk.

Zo gaat dat gewoonlijk met optimistische geluiden: je moet je daaraan overgeven om te zien dat zij waar zijn en dat inderdaad achter de wolken de zon schijnt. Kortom: op het gebied van de blijdschap valt heel wat te moeten; nergens wordt zo gebiedend bevolen. Komt er anders niets van terecht?

Wat allicht ook bleef haken, was dat rare 'vro' dat we moesten zijn. Dat blijkt, nu ik wat snuffel in het vocabulaire van de blijdschap, niet de voor insiders en meedoeners gebruikte afkorting of het codewoord voor 'vrolijk' te zijn, maar de oude vorm van het woord. Daaraan is -lijk toegevoegd, zoals dat ook gebeurd is met 'ziek' en 'zoet' om aan te geven dat er een overeenkomst in betekenis bestaat tussen het korte en het langere woord. De gedachte is moeilijk te vermijden, dat het hier ook gaat om graden van echtheid en dat bijvoorbeeld 'ziekelijk' iets minder ernstig is dan 'ziek' en 'zoetelijk' eerder als onecht beschouwd zal worden dan 'zoet'. Zo zou het kunnen zijn dat bij 'vrolijk' eerder wordt gedacht aan een uiterlijke schijn die op bevel te produceren is, dan aan iets dat van binnen uit naar buiten straalt. Ook bij een woord als 'blijdschap', dat verwant schijnt te zijn met 'blinken', kunnen achterdochtige geesten zich een dergelijke vraag stellen. Er is, kunnen ze dan eventueel bedenken, een zo grote behoefte aan een positieve instelling tegenover het leven en vrolijkheid is zo aanstekelijk dat we het kunnen riskeren een dorre tijd te overbruggen met alleen maar de uiterlijke tekenen en de nobele schijn van echte vrolijkheid. Ik zou niet graag beweren dat de befaamde 'roomse blijdschap' nooit deze functie vervulde en op louter pedagogische gronden werd verkondigd.

Het lijkt mij duidelijk dat zulke aansporingen alles te maken hebben met het besef dat opgewektheid uit zichzelf aanstekelijk werkt. Ook dat woord, voltooid deelwoord van 'opwekken', slaat op de invloed van een kracht van buiten af die de stemming doet omslaan van negatief naar positief, van dof naar alert of van slaperig naar wakker. Wij gebruiken het woord 'vrolijk' dan ook minstens even vaak als het gaat om een invloed die wij ondergaan van een gezelschap of van kleuren dan om aan te duiden wat al in ons leeft. Wij worden vrolijk of maken ons vrolijk en dingen buiten ons brengen ons in een vrolijke stemming. Het begin van de situatie ligt gewoonlijk niet in ons zelf en in onze eigen stemming, maar in de omgeving waarin wij verkeren. Altijd is er wel vrolijkheid en zij werkt misschien nog het meest aanstekelijk als we er geen bedoelingen achter kunnen zoeken, bijvoorbeeld bij spelende kinderen of bij levendige kleuren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden