Vrolijke dagen op Jamaica

“Een van de beroemdste dansers was Bogo. Op een nacht werd hij bij een tankstation doodgeschoten. Verdacht werd, onder anderen, Beenie Man. Als antwoord schreef hij een song met de titel 'Ik was het niet', waarin hij zei: 'Waarom zou ik hem van kant maken als ik toch al nummer één ben?'“

Vier uur 's morgens in Tivoli Park, een van de beruchtste wijken van Kingston: uit torenhoge versterkers op het trottoir donderen luidruchtige dancehall-ritmes, de deejay brult: 'Motherfucker! Motherfucker! Let's get dangerous!' Op het plaveisel geven de dansers een parade ten beste, gooien hun armen in de lucht en schreeuwen: 'Boem, boem!' De dames dragen hun killer dress: laarsjes met hoge hakken, hotpants, pailletten-topjes, roze brillen, geblondeerd haar. De boys hebben kilo's zware gouden kettingen omgehangen en dragen modehemden, glanzende puntschoenen, tijgerjasjes of legerjacks. Soms probeert een auto erdoorheen te komen, heel voorzichtig.

Langs de straat staan halfvoltooide of alweer bouwvallige gebouwen, onderkomens van golfplaat en auto's die rijp zijn voor de sloop. In olievaten branden kolenvuren, op pimenttwijgen wordt varkensvlees gegrild, bijtende rook vult de lucht. Het asfalt vol gaten is bezaaid met scherven en plassen olie, elektrische leidingen hangen kriskras boven de hoofden. De apotheek werd snel in een bar veranderd; boven de ingang hangt een guirlande van kleurige lampjes, in een paar leeggeruimde stellingen achter de kassa staan nu whisky en de 63 procents witte rum, overproof genoemd; in de vitrine werd aspirine door champagne vervangen.

Het evenement heet Passa Passa en vindt in principe elke woensdagnacht plaats. In principe, want drie weken geleden kwamen hier bij een schotenwisseling tussen een gang en de politie verschillende mensen om het leven. Passa Passa werd tweemaal overgeslagen. Politieauto's duiken er ditmaal niet op, maar wel drie militaire voertuigen met elk een tiental soldaten in de laadbak, in volle uitrusting, helmen, kogelvrije vesten, de geweren in de aanslag - gespannen als stalen veren.

Zulke dancehall-party's vinden praktisch elke nacht ergens plaats. Meestal beginnen ze na middernacht en duren tot 's morgens vroeg. Dancehall betekent hier enerzijds de muziekstijl, een soort verhevigde reggae: rauwer, luider, sneller, met een deejay die bijna zonder pauze in de microfoon schreeuwt; anderzijds de agressieve, gewild ordinaire dansstijl die deels de bendeoorlog symboliseert, deels rechttoe rechtaan de paring met de lady van achteren (rub-a-dub wordt dat genoemd). Verder staat dancehall, waaruit indirect de rap voortkwam, voor een hele levensstijl, een underground-cultuur, uit het 'getto', de 'jungle'.

Toen wij ons om twee uur 's nachts naar de Passa Passa begaven, werden we door twee politieagenten in kogelvrije vesten aangehouden. Ze vroegen onze chauffeur Fred waar hij rond deze tijd met twee blanken heen ging.

'Tivoli', zei hij.

'Niet erg aan te bevelen', vonden ze.

Maar Fred, anders geen echte waaghals, was niet bang. Hij zette een groene teddybeer achter de voorruit en reed weg,

Groen is de kleur van de conservatieve Jamaican Labour Party (JLP) en van de gang die in de binnenstad haar belangen behartigt, om het netjes uit te drukken. Haar tegenspelers zijn de 'roden', de militante aanhangers van de sociaal-democratische People's National Party (PNP). Tivoli Park is het bolwerk van de JLP en dus had Fred, als 'groene', niets te duchten.Bendes beheersen de politiek

Om de verbinding van politiek en gangs te begrijpen moet men een paar decennia teruggaan.

In 1962 was Jamaica onafhankelijk geworden en Alexander Bustamente van de JLP werd de eerste minister-president. Maar Kingston was altijd een bolwerk van de PNP, en in het bijzonder Michael Manley, eerste minister sinds 1972, gold als held. De zaak sloeg om in 1980. In een verkiezingsstrijd die 700 doden had geëist, werd Edward Seaga van de JLP eerste minister. Hij liet in Kingston een enorme verpauperde wijk platwalsen, PNP-sympathisanten verdrijven en woonblokken bouwen die exclusief door zijn aanhangers bewoond werden. De meeste kieskringen in Kingston werden gecontroleerd door gangsters die Don werden genoemd en die door eigen afgevaardigden gesteund werden. Toen Seaga de macht overnam, gingen velen van de PNP-Dons met valse papieren naar de VS of naar Groot-Brittannië en namen in de grote steden daar de cocaïnehandel over.

Daarmee stroomde plotseling ongelooflijk veel geld het 'systeem' binnen, en opeens was de Don rijker dan de afgevaardigde die hem indertijd voor het vuile werk in de arm had genomen. Zo liet het bendewezen zich definitief niet meer door politiek en politie controleren, maar was het integendeel de Don die de politieke agenda bepaalde, protectiegeld afperste, maar ook kleuter- en basisscholen bouwde en 'wilde misdadigers' (zonder licentie) elimineerde.

,,Kon een 'rode' dan niet aan de Passa Passa in Tivoli Park deelnemen?'' vroeg ik Fred.

'Jawel, maar alleen op de achtergrond', zei hij. ,,Hij moet tonen dat hij de macht van de 'groenen' erkent. Problemen zijn er alleen aan de grens, waar niet duidelijk is wie regeert. Daar vallen bijna elke dag doden.''

Aangezien sinds 1997 Percival Patterson van de PNP aan de macht is, waagt de politie zich niet in het 'vijandelijke' Tivoli Park. Alleen zwaarbewapende soldaten zijn af en toe aanwezig.

Elkaar belachelijk maken

Dancehall betekent rivaliteit, zowel voor de mannen als de vrouwen. Bij de mannen gaat het erom welke groep het grootste 'soundsystem', dus de meest potente versterkingsapparatuur heeft, welke deejay of welke zanger meer publiek voor zich weet te winnen of zijn tegenspeler geraffineerder en gemener belachelijk kan maken. Toen Prince Jazzbo er door I Roy van werd beticht een homo te zijn was zijn carrière voorbij. De openbaar gemaakte tracks zijn een permanente woordenwisseling, 'call and response'. Vaak verschijnt een reactie - dankzij de snelle en goedkope productiewijze in de studio's van Kingston - al na enkele dagen. Toen Shabba bijzonder 'penetrant' met zijn potentie blufte, antwoordde Lady Saw dat hij vergeleken met een vrouwelijke vulkaan een lammetje was; toen Shaggy onder zijn vaderlijke verantwoordelijkheid uit wilde komen, diende ze hem van repliek met 'hoerenzoon'.

Ook het ontstaan van hiphop uit dancehall kan worden gezien als resultaat van een symbolische bendeoorlog. Het was de Jamaicaan Clive Campbell, in 1967 uit Kingston naar New York geëmigreerd, die zich voortaan Kool DJ Herc noemde en de in Jamaica net opgekomen idee van de mobiele versterkingsapparatuur naar de VS bracht. De muziekcriticus David Toop schrijft: 'Het was het monsterlijke soundsystem van Kool DJ Herc dat de hiphop in die beslissende jaren domineerde. Gigantische boxen waren essentieel in de rivaliserende wereld van de Jamaicaanse soundsystems en Herc vermoordde de Bronx-oppositie met zijn geluidsvolume en zijn schetterende frequentiespectrum.'

Herc was echter ook baanbrekend doordat hij als eerste niet meer hele stukken afspeelde, maar korte sequenties uitkoos, deze eindeloos herhaalde en er in straattaal op improviseerde. In Jamaica drong het slang, het inheemse Engels met zijn dubbelzinnigheden en omkeringen ('bad' betekent goed en 'wicked' super), pas met de dancehall-teksten echt door tot de openbaarheid.

Seks en video

Bij de vrouwen gaat het erom wie de 'Dancehall Queen' is. Want hoewel dancehall op het eerste gezicht alles van supermachismo weg heeft, is de eigenlijke kern vrouwelijk. Dancehall heeft meer met theater dan met disco van doen. Op een typische avond ontmoeten de jongelui elkaar op een plek in de open lucht, aan een strand of in een zaal, stellen zich ergens aan de rand op en blijven daar min of meer de hele nacht als vastgeroest staan. Alleen gaat er van tijd tot tijd een naar de bar en haalt voor zijn groep een paar biertjes of een flesje rum. Dat kan zo een paar uur duren. Bij het soundsystem legt de 'selector' onvermoeibaar plaat na plaat op, terwijl zijn collega, de deejay, zijn opzwepende teksten in de microfoon schreeuwt.

De deejays dragen fantastische namen als Ghetto Max, Famous Face, Bobby Lickshot, DJ Duck Man of Baby Vain. Maar de menigte blijft onbeweeglijk. Vindt de avond in een club plaats, dan worden er wedstrijden gehouden. Het publiek kan dan bijvoorbeeld het mooiste achterwerk of de dikste vrouw kiezen. Pas lang na middernacht begint het echte werk. Dan duiken de dansers en danseressen op, meestal twee groepen (zoals 'Monster Crew' tegen 'Shocking Vibes'), die elkaar door nog uitdagender gangsterhoudingen, nog geilere outfit en nog obscenere gebaren de loef afsteken. Scheidsrechter speelt daarbij de alomtegenwoordige videocamera met de schijnwerper er bovenop. Wie in het licht ervan staat weet dat althans voor één moment honderden ogen nu en in de toekomst op hem, vaker haar, gericht zijn. Als de filmer zich afwendt, betekent dat een nederlaag: blijkbaar heeft iemand anders een nog opwindender performance. Een van de beroemdste dansers was Bogo. Op een nacht werd hij bij een tankstation doodgeschoten. Verdacht werd, onder anderen, Beenie Man. Als antwoord schreef hij een song met de titel 'Ik was het niet', waarin hij zei: 'Waarom zou ik hem van kant maken als ik toch al nummer één ben?'

De spanning tussen dagelijkse asfaltjungle en nachtelijke glamour is het onderwerp van de Jamaicaanse cultfilm Dancehall Queen uit 1997. Een eenvoudige, alleenstaande vrouw uit het getto van Kingston wordt belaagd door een gangster die haar beste vriend en beschermer ombrengt; haar oom, van wie ze financieel afhankelijk is, heeft haar minderjarige dochter verkracht. Op een nacht belandt ze in een dancehall-evenement, en de beelden van de glinsterende, excentrieke danseressen laten haar niet meer los. Ze leent geld en laat ook een killer dress maken. Als 'Mystery Lady' wordt ze in de scene dra een begrip en eenmaal zelfs door superstar Beenie Man het podium op gehaald en uitvoerig gefotografeerd en gefilmd. Een machtige Don wordt verliefd op haar, en ze brengt hem ertoe de gangster van kant te maken. Ten slotte neemt ze deel aan de 'Dancehall Queen'-verkiezing. Maar haar rivale probeert haar kapot te maken door haar identiteit te onthullen. Eerst wilde ze onder deze omstandigheden niet meer optreden omdat ze vreest voor de eer van haar naam en haar familie. Maar haar eigen dochter moedigt haar aan voor haar 'donkere kant' uit te komen. In hotpants met pailletten, latex-topje en versierde pruik wint ze de wedstrijd en verdient zoveel geld dat ze ook de slechte oom de laan uit kan sturen.

De dancehall-nachten eindigen meestal met rub-a-dub: de vrouwen schudden met hun achterwerk, de mannen paren symbolisch met hen (voorzover men het nog symbolisch kan noemen als ze ten slotte schokkend op elkaar liggen, omringd door de ritmisch klappende en joelende menigte). Het rubben begint bij de belangrijkste dansers in het centrum en verspreidt zich dan als een aardbeving in afnemende intensiteit naar buiten. Dat is - meestal tegen het ochtendgloren - hoogtepunt en tegelijk einde van de nacht; de deelnemers gaan naar huis, de 'normale' mensen naar hun werk.

Veel vrouwelijke journalisten, sociale wetenschappers en muziekcritici benadrukten het machismo en de vrouwenverachting, die zich in de gangsta-teksten maar ook in dans en outfit uitdrukten: in de souteneursblik van de mannen, in de 'sexy bitch'-blik van de vrouwen. Ook het alomtegenwoordige oog van de camera is, in het bijzonder voor feministisch georiënteerde schrijfsters, uitdrukking van een mannelijke blik die de vrouwen tot objecten van begeerte verlaagt. De afhankelijke vrouwen, aldus deze zienswijze, rest niets anders dan aan het gangbare, ordinaire beeld te beantwoorden en zich aan de mannelijke verwachtingen aan te passen.

Nog 'n keer, nog 'n keer!

Een vrouw die deze zienswijze met klem tegenspreekt, is de Jamaicaanse hoogleraar literatuurwetenschappen Carolyn Cooper: 'De vrouwen hier zijn slachtoffer, zegt men, ze vernederen zich om te behagen. Maar gaat u toch één keer naar een dancehall-evenement en kijkt u eens naar de koninginnen van de dans. Voor vrouwen die enkel onderdrukte objecten zouden zijn zien ze er nogal trots uit, nietwaar?'

De tentoongestelde vulgariteit is voor Cooper geen uitdrukking van een afgedwongen reductie tot het seksuele en vernederende, maar een keuze en statement tegen de preutse bovenlaag met haar leugenachtige moraal. En waarom zou de erotische exhibitie van het eigen lichaam iets verlagends hebben? Spreekt hier niet eerder een westerse lustvijandigheid?

In de feministische teksten over 'gender politics' werd de seksuele aantrekkingskracht tussen mannen en vrouwen plotseling iets pathologisch, zegt Cooper, en sex-appeal iets neurotisch of een vorm van uitbuiting. 'Zelfingenomen vrouwelijke critici die voorgeven in naam van de onderdrukte vrouwen te spreken, zien niet dat de vrouwen zelf vaak het meeste plezier beleven aan de obscene teksten van zowel mannelijke als vrouwelijke deejays die de seksuele macht van de vrouwen bejubelen', schrijft Cooper in haar boek Sound Clash - Jamaican Dancehall Culture at Large. Een beroemd-beruchte tekst die velen in het Westen ongetwijfeld vrouwvijandig zouden noemen, luidt: 'Mi hear you can grind good and can fuck straight / Stab out mi meat, stab out mi meat.' De grap is alleen dat hij van een vrouw stamt, Lady Saw; en er zijn tal van zulke voorbeelden.

Zeker heeft dancehall iets van exhibitionisme en voyeurisme. Maar ligt de macht daarbij per se aan de kant van de toeschouwers? Cooper ziet dancehall als vrouwelijke vruchtbaarheidsrite: 'Het vrouwelijk lichaam staat centraal. Mannen staan aan de periferie. Ze kijken vanaf de kant hoe de vrouwen paraderen. In hun strakke jurken overschrijden ze de grenzen van de conventie en van de huiselijke moraal. Ik zie dat niet als negatief; het is een manier om op te komen voor de schoonheid van hun lichaam in een cultuur die het zwarte, vrouwelijke lichaam niet waardeert.'

Peter-Paul Zahl, de Duitse schrijver, woont sinds 1985 op Jamaica, waar hij de laatste jaren vooral detectives schrijft die hier spelen. Ook hij is nog steeds verrast over de zo heel andere omgang tussen de geslachten hier. Hij vertelt dat onlangs een feministe uit Duitsland bij hem op bezoek was. Samen gingen ze naar een dancehall-evenement. ,,De toehoorsters gingen uit hun dak toen de zanger uitriep: 'Je kutje is zalig, ik wil je naaien!' Mijn collega begreep er geen fluit van dat de vrouwen zich niet kwaad maakten. In plaats daarvan trommelden ze tegen het dak van golfplaat en riepen: 'Nog 'n keer, nog 'n keer!' ''

Zahl moet lachen. 'De vrouwen zijn teleurgesteld als ze niet versierd worden. Zelfs oma krijgt na de kerkdienst een klets op haar achterste, en ze is er blij mee.' (Een actuele hit van Spice - een vrouw met een rode pruik - luidt: 'Fuck me and you made my day'; een andere, eveneens van een vrouw: 'Put your thing inside of me.')

Obsessieve homofobie

Sinds een paar jaar staat de obsessieve vijandigheid jegens homoseksuelen in Jamaica, zoals die juist ook in songteksten tot uitdrukking komt, in de westerse media ter discussie. Er gaat geen kwartier voorbij waarin de deejay niet iets agressiefs over de 'batty man' of de 'chi-chi man' (homo) in de microfoon schreeuwt, waarbij de menigte joelt, klapt of met wijs- en middelvinger een pistool vormt en in de lucht 'schiet'. (Het op één na meest gebruikte scheldwoord is 'bumbo claat': maxi-maandverband.) De anti-homo-song Chi-chi man werd tijdens de verkiezingen van 2001 door de conservatieve JLP als hymne gebruikt. Dat hangt samen met het feit dat president Patterson (PNP) niet getrouwd is en door zijn tegenstanders steeds weer een 'chi-chi man' genoemd wordt. In een talkshow zag hij zich in 2001 zelfs genoopt openlijk mee te delen: 'Mijn geloofwaardigheid als levenslange heteroseksueel staat buiten kijf.'

Buju Banton roept er in Boom By By toe op de 'nichten' uit de weg te ruimen; 'steek ze in brand', stelt reggae-ster Bounty Killer voor; 'schiet ze af als vogels', meent Elephant Man, terwijl Beenie Man voor de lesbiennes de dood door de strop op het oog heeft: 'Hang chi-chi-meisjes op met een lang stuk touw.' Zijn maatschappelijke utopie beperkt zich tot de uitroeiing van de seksueel afwijkenden: 'Ik droom van een nieuw Jamaica, laten we alle homo's executeren.'

Misschien horen de bijna religieuze bewondering voor de (seksuele, vruchtbare) vrouw, waarover Carolyn Cooper spreekt, het machismo en de homofobie wel bij elkaar. Jamaica is namelijk een maatschappij waarin de moeder centraal staat: 86 procent van de kinderen wordt buitenechtelijk geboren. Dat is niet alleen omdat de mannen weglopen; vaak hebben de vrouwen ook geen enkel belang bij een echtgenoot. Die maakt het leven met zijn bezitsaanspraken, zijn jaloezie en gewelddadigheid alleen maar gecompliceerder, zonder iets substantieels bij te dragen. Een baan zal zij hoe dan ook gemakkelijker vinden dan hij. Zeventig procent van de studerenden is vrouw, bij de eindexaminandi is het zelfs tachtig procent. Daarentegen zijn de meeste criminelen en drugsverslaafden man. Zelfs de bond van ingenieurs wordt door een vrouw geleid, en de enige persoon in de politiek die respect geniet is de minister voor toerisme Portia Simpson, die uit de sloppen van Kingston stamt en - toen ze al minister was - in avondcursussen nog economie studeerde. Dat de meeste kinderen zonder vader opgroeien, zal bij de jongens ook niet bepaald tot een stevige mannelijke identiteit leiden, wat dan graag met machogedrag gecompenseerd wordt. Intussen verschijnen er op de tv al reclamespots die de vrouwen aansporen met hun 'baby father' te trouwen, en in de kranten wordt gediscussieerd over quota-regelingen om te verhinderen dat de jongens helemaal uit de scholen verdwijnen.

Crack en geweld

'Met datgene wat men bijzonder haat, heeft men altijd ook een bijzondere affiniteit', zegt Peter-Paul Zahl. 'Misschien vrezen velen van deze tough guys dat ze in werkelijkheid geen echte mannen maar homo's zijn, die ze vervolgens - omdat dit idee zo onverdraaglijk is - des te meer moeten bestrijden.'

Daar komt bij dat crack zich, juist ook in de dancehall-scene als een epidemie verspreid heeft. De door cocaïne veroorzaakte grootheidswaan versterkt de cultus rond mannelijkheid, schiettuig, geweld en potentie. Jammer alleen dat de realiteit precies andersom werkt: 'Na langdurig drugsgebruik broodmager en impotent geworden, kan de man de spot van zijn levensgezellin niet meer verdragen', schrijft Zahl in Jamaica. 'Het plotselinge toenemen van moord en doodslag binnenshuis verbaast niemand meer.'

Een goed voorbeeld van de typische Jamaica-man is Fred, onze chauffeur. Het geld dat hij verdient moet hij meteen aan zijn vrouw afgeven. En dat is zeker terecht. Want nauwelijks laat je hem een minuut alleen, of hij nodigt wildvreemden in een bar uit voor een rondje rum. De school heeft hij vroeg verlaten, alles wat met lezen en schrijven te maken heeft handelt zijn vrouw af. Alleen 's morgens kun je een paar zinnige woorden met hem wisselen; daarna steekt hij zijn eerste joint op, en de rest van de dag bestaat enkel nog uit 'yeah man' en 'no problem'. Een van zijn lievelingsspreuken is een citaat van Bob Marley: 'Hoe meer wiet je rookt, des te eerder breng je Babylon ten val.' En het patroon zet zich voort: terwijl zijn dochter om acht uur in haar nette schooluniform klaarstaat, hangt de zoon bij de buren rond, beweert dat de meester vandaag ziek is en vraagt me om honderd dollar.

Maar afgezien van de verhouding tussen de geslachten heeft de homofobie ook met de verhouding tussen zwart en blank te maken. Homoseksualiteit wordt, aldus Carolyn Cooper, als westerse, 'blanke' perversie gezien. Of in rasta-terminologie: het is de grote, decadente hoer Babylon. Het verlangen naar een homo-vrij Jamaica zou dan tegelijk het verlangen zijn naar een raszuiver zwart land, zonder vreemden, zonder vervreemding. Reeds de stamvader van de rasta's, Leonard Howell, propageerde zwarte suprematie en strikte rassenscheiding: 'Zwarten moeten niet met blanken trouwen en blanken niet met zwarten - rassenhaat.' Blanken zijn voor hem melaatsen die hun band met God verloren hebben.

Ook bij de andere geestelijke vader van de rasta's, de Jamaicaanse volksheld Marcus Garvey, vinden we zinnen als: 'Het spel van de blanke man is liegen en stelen.' Deze zinnen zijn weliswaar vanuit hun tijd (1927) en als omkering van het heersende koloniale racisme begrijpelijk; maar als ze op dit moment blind gerecycled worden, ontstaat bijvoorbeeld een song als Yadd Away Home van Bushman, waarin het niet alleen 'Africa for Africans' is, maar ook 'Europe for Europeans' en 'Italy for Italians'.

De samenhang van dit alles ervoer ik tijdens een dancehall-nacht in de disco 'Asylum' aan den lijve. Al een paar minuten na binnenkomst kwam een Jamaicaan op me af en vroeg me agressief: 'Hoe zit dat? Heb je geen vriendin? Ben je homo?' Dat herhaalde hij om de vijf minuten. Toen ik eindelijk een paar uur later - de stemming bereikte het kookpunt - aanstalten maakte om met een schoonheid wier benen tot in de hemel reikten, zoals de Jamaicanen zeggen, rub-a-dub te dansen (je moet je tenslotte aan vreemde culturen aanpassen), kwam een andere man er woedend tussen en siste me toe dat dat niets was voor blanken als mij. Omdat de danseres geen bezwaar maakte, zei ik hem dat het niet zijn zaak was, waarop hij mij, kokend van woede, wegduwde. Even later danste een zwarte met haar. De man die mij had weggejaagd, wees op de nieuwe danser en riep: 'Zo is het goed: zwart met zwart!'

Oer-Afrikaans én Japans

De continuïteit die van de Afrikaanse traditionele volksmuziek via vele omwegen naar dancehall voert, is verbazingwekkend. Veel van de Afrikaanse traditie kon zich in de slaventijd handhaven, ondanks de rigoureuze onderdrukking van alle uitingen van 'zwarte cultuur'. Bijzonder frappant is dat bij de religie: van de Nigeriaanse yoruba-culten tot de voodoo in Haïti, Bahia en intussen ook Miami, New Orleans en New York. Bij de muziek loopt de lijn van de Afrikaanse trommelgezangen tot de ritmische liederen waarmee de slaven hun werk op de plantages begeleidden, en verder tot de blues, gospel, jazz, soul, hiphop - en dancehall.

De stamvader hier is de griot, de Afrikaanse troubadour die, vaak in dienst van een machtig man, diens heldendaden vertelde in meestal slechts door trommels begeleid spreekgezang, en die op deze wijze als hoeder van de traditie fungeerde, maar ook als een soort journalist, ambassadeur, historicus, scheidsrechter en animator bij feesten, waarbij het er vaak om ging de griot van een andere machtige man met nog fantastischer verhalen over zijn baas te overtroeven. Hij deed min of meer wat nu nog steeds een dancehall-deejay doet als hij met een soundsystem over het eiland reist. Ook het slang als geheimtaal, waarvan alleen mensen van de eigen groep de toespelingen en codes verstaan, was de griot maar al te bekend; officieel was hij wel aan een baas gebonden (zoals de deejay aan een Don en zijn wijk), maar hij zette hem vaak genoeg voor het publiek in zijn hemd, door discrete ironie, dubbelzinnigheden en volkse wendingen die hij niet snapte.

De Afrikaanse muziek was van oudsher polyritmisch: meerdere ritmen werden over elkaar gelegd. Dit laag na laag samenvoegen is precies wat in dancehall dankzij moderne opnametechnieken gedaan wordt: dubbing. Een bekende riddim nemen, hem variëren, aanvullen en er dan overheen spreken is eigenlijk iets oer-Afrikaans.

Ook het theatrale aspect van de dans: dat er niet zoals in Europa paarsgewijs wordt gedanst, maar dat de vrouwen (en soms ook mannen) afzonderlijk of in groepen het binnenste van een kring ingaan om daar kort en intensief de aandacht van het publiek te trekken en dan weer terug te treden, is in West-Afrika heel gebruikelijk. De nadruk op opzienbarende kleding, op wat men in Jamaica bling (opsmuk, glitter) noemt, is geen 'grootsteeds degeneratieverschijnsel', zoals het in een artikel heette, maar kun je ook aantreffen in Kongo, waar het sape heet en in West-Afrika ('faire la classe'; representeren, prestige, bluf).

Dancehall is veel meer dan louter amusementsmuziek; het is een levensstijl, die met het politieke, economische, sociale, seksuele en historische is verbonden. Het is wat men in de etnologie een alomvattend sociaal fenomeen noemt: een microkosmos waarin zich de hele samenleving weerspiegelt. Velen uit de scene menen dat dancehall door het geworteld zijn in een specifiek milieu tegen westerse toeëigening beschermd is. Men zou niet een enkel deel ervan (losse songs) kunnen exporteren. Dat is waarschijnlijk een illusie. Dancehall en zijn verschillende afleidingen hebben immers allang de zwarten in de VS bereikt, wier levensomstandigheden, alle brother-praat ten spijt, in veel opzichten sterk van de Caribische verschillen.

En vóór alles zijn er de Japanners. Japan is een van de grootste afzetmarkten voor reggae en dancehall, in Tokio bloeit de Japanse reggae met Japanse teksten - en een Dancehall Queen in Jamaica was Japanse. In de 'Exodus Nuclear Studio' trof ik een jonge Japanner die naar eigen zeggen stage loopt als 'selector' in Kingston en perfect de straattaal spreekt. 'Ik ben een ambassadeur', zei hij.

'Wat is dat, een ambassadeur?' vroeg ik hem.

Hij dacht even na, toen schreeuwde hij: 'Fuck off Koizumi! Japanese Babylon System boem!'

Zo heeft de reggae, die zich met de rasta's aan de herbezinning van de zwarten op hun Afrikaanse wortels wijdde, in het tijdperk van de globalisering een lange weg afgelegd; zij het in een tamelijk onverwachte richting.

Vertaling Paul Beers

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden