’Vrijheid is er, mits je geld hebt’

Er is veel kritiek op islamitische scholen. Maar krijgen zij wel een eerlijke kans en is het Nederlandse onderwijsstelsel eigenlijk wel toegankelijk voor nieuwkomers? „In de praktijk worden allerlei drempels opgeworpen”, vinden betrokkenen.

’Nederland kent vrijheid van onderwijs. Maar in de praktijk worden voor islamitische scholen allerlei drempels opgeworpen die die vrijheid aantasten. De overheid probeert doelbewust het islamitisch onderwijs te ondergraven.’

Zo sprak Saïd Bellari, bestuurslid van de vereniging van islamitische schoolbesturen Isbo, eind vorig jaar. De onderwijsinspectie had net een vernietigend rapport uitgebracht over de handel en wandel van islamitische besturen. Slechts drie van de 22 besturen konden de toets der kritiek doorstaan.

Zeker, sommige schoolbesturen hebben regels overtreden, reageerde de Isbo. Dat kan niet, dat mag niet en dat moet afgelopen zijn. Maar, voegde zij er meteen aan toe, het wordt de islamitische scholen ook wel erg moeilijk gemaakt.

Een gelegenheidsargument of zit er een kern van waarheid in? Paul Zoontjens, hoogleraar onderwijsrecht in Tilburg, kan zich het gevoel in islamitische kringen wel voorstellen. „Al sinds het begin van de jaren negentig is het voor nieuwkomers heel moeilijk geworden om een school te stichten. Niet alleen voor moslims, maar bijvoorbeeld ook voor evangelischen.”

Het zit als volgt. De vrijheid van onderwijs, geregeld in artikel 23 van de Grondwet, houdt onder meer in dat ouders hun kinderen naar scholen kunnen sturen die aansluiten bij hun eigen levensbeschouwing. Als zo’n school er niet is, kunnen zij zelf een school te stichten.

Maar wie een nieuwe school wil opzetten, moet eerst aantonen dat die genoeg leerlingen zal trekken. Tot begin jaren negentig lag die zogeheten stichtingsnorm vrij laag, zeker voor scholen in een nieuwe levensbeschouwelijke richting. Maar in 1993 werd de norm fors verhoogd: tegenwoordig moet een nieuwe basisschool bewijzen dat ze binnen vijf jaar minstens tweehonderd leerlingen zal tellen. In de meeste steden gaat het zelfs om een minimum van driehonderd leerlingen – anderhalf keer de gemiddelde omvang van een bestaande basisschool.

De norm werd verhoogd, juist in de tijd dat de eerste islamitische basisscholen werden opgezet. Toeval, zegt Zoontjens, want die maatregel was niet bedoeld om een drempel op te werpen voor islamitisch onderwijs. „Het bestaande onderwijsstelsel was af, was destijds de gedachte. Nog meer nieuwe scholen zouden het stelsel alleen duurder maken.”

In de praktijk betekent de verhoogde norm dat alleen in nieuwbouwwijken scholen zonder grote hindernissen van de grond komen. Mondjesmaat is het ook islamitische scholen nog wel gelukt. „Maar daar zijn er nu zo’n veertig van, op ongeveer een miljoen moslims”, zegt Zoontjens. „Als je dat afzet tegen het aantal katholieke en protestants-christelijke scholen, groeit het islamitisch onderwijs in een uitzonderlijk laag tempo.”

Maar die hoge stichtingsnorm is slechts de eerste hindernis die nieuwe islamitische scholen moeten nemen, zeggen schoolbestuurders. „Ik zeg vaak: een land als Nederland is een zegening, ons door de almachtige geschonken. We mogen hier onze eigen scholen opzetten, wat in onze landen van herkomst ongekend is”, zegt Ismail Taspinar, directeur van Simon, een bestuur met acht basisscholen. „Maar elke keer als ik aanklop bij een wethouder met het plan voor een nieuwe school, krijg ik het gevoel: eigenlijk vindt men het islamitisch onderwijs ongewenst.”

Hilversum is een van de zeldzame gemeenten waar die weerstand hardop uitgesproken werd toen de Almeerse stichting voor islamitisch onderwijs Sis daar een paar jaar geleden een school wilde vestigen. ’Slecht voor de integratie’, sprak de gemeenteraad bijna unaniem, ’gescheiden leren leidt tot gescheiden leven’ en kinderen worden op deze school ’opgevoed met een verwrongen wereldbeeld’.

Pas nadat Hilversum door toenmalig minister van onderwijs Van der Hoeven op de vingers was getikt, stemde de gemeente in met de komst van de nieuwe school. Zo gaat het vaker, is de ervaring van islamitische schoolbesturen: de regels dwingen gemeentes mee te werken, maar van harte gaat het lang niet altijd.

Als gemeenten uiteindelijk toch gaan meewerken, duikt er vaak meteen een nieuw obstakel op: de huisvesting. De nieuwe school in Hilversum, bijvoorbeeld, zit in een oud kantoorpand op een bedrijventerrein, met een ’schoolplein’ dat regelmatig onder water staat. De school ging er destijds van uit dat dat kort zou duren, maar vier jaar na de start is er nog steeds geen zicht op een beter gebouw. „We zijn destijds begonnen met zo’n 150 leerlingen en enthousiaste ouders”, zegt Sis-directeur Redouan Boudil. „Maar dat enthousiasme is verdwenen; ouders voelen zich voor de gek gehouden.”

Voor het voortbestaan van de school is vereist dat ze binnen vijf jaar vanaf de start driehonderd leerlingen binnenhaalt. Maar in plaats daarvan is de school zelfs iets gekrompen – terwijl de onderwijskwaliteit volgens de inspectie een stijgende lijn vertoont. Boudil: „In deze omstandigheden is het nagenoeg onmogelijk om die norm te halen.”

De situatie in Hilversum is niet uitzonderlijk, zegt Menno de Jong, adviseur van enkele islamitische schoolbesturen. Hij somt op: „Hilversum is slecht, inderdaad. Lelystad: goed gebouw. Haarlem: drie lokaaltjes in een oude kleuterschool, de rest anderhalve kilometer verderop. Amsterdam-Overtoomse Veld: al sinds 1992 in een noodgebouw. In Utrecht zijn een nieuwe school nu zes lokalen in een oude middelbare school aangeboden. Je kunt al voorzien: met dit gebouw komen de ouders niet.”

Niet alle betrokkenen bij het islamitisch onderwijs zien achter deze gang van zaken boze opzet van gemeentebesturen. Gemeenten zijn weliswaar verplicht om nieuwe scholen huisvesting te bieden, maar goede, leegstaande schoolgebouwen zijn er nu eenmaal niet veel. En nieuwbouw is voor een beginnende school meestal niet verstandig: pas vijf jaar na de start wordt immers duidelijk of die de stichtingsnorm haalt en dus blijft voortbestaan.

„Gemeenten redeneren: eerst zien, dan geloven”, zegt De Jong. „En dus krijgen scholen te horen: kom over vijf jaar maar terug. In de tussentijd worden ze ergens weggestopt.”

De huisvesting is, tenslotte, een van de oorzaken van een laatste obstakel dat islamitische scholen uit de weg moeten ruimen om tot bloei te komen: de afstand tussen school en huis. Soms komen deze scholen terecht in een gebouw in wijken waar nauwelijks een moslim woont. En sowieso trekken islamitische scholen doorgaans leerlingen uit een veel groter gebied dan de gemiddelde buurtschool.

Veel islamitische scholen hebben dat probleem opgelost door zelf vervoer voor hun leerlingen te regelen (of een afzonderlijke stichting op te zetten die dat doet). Per dag worden her en der in Nederland dus duizenden leerlingen met een busje van huis naar school gebracht, en weer terug.

Maar die oplossing heeft wellicht haar langste tijd gehad. Zeker twaalf schoolbesturen hebben daar de afgelopen jaren namelijk overheidsgeld voor uitgetrokken dat bestemd is voor onderwijs. En dat mag niet, stelde staatssecretaris Dijksma van onderwijs. Dat standpunt is niet onomstreden, maar vooralsnog ziet het ernaar uit dat islamitische scholen een andere oplossing moeten vinden voor het vervoersprobleem.

Geen van de tien schoolbesturen waarmee Trouw de afgelopen tijd contact had, heeft die oplossing al gevonden. Weliswaar kunnen leerlingen die ver moeten reizen voor de school van hun keus, een reiskostenvergoeding van de gemeente krijgen, maar die krijgen ze pas als ze verder van de school wonen dan zes kilometer. Zó ver weg wonen ze vaak ook weer niet. Sowieso zijn die vergoedingen niet genoeg om er busjes van te laten rijden.

Voor ouders zit er dus weinig anders op dan hun kinderen voortaan zelf naar school te brengen. Maar, zeggen meerdere betrokkenen, dat is in de praktijk nauwelijks haalbaar. „Het gaat meestal om gezinnen met veel kinderen, in verschillende leeftijdsgroepen”, zegt Menno de Jong. „Moeder kan er vaak niet even tussenuit om Achmed naar school te brengen.”

Sommige schoolbesturen zien de bui al hangen. Ouders meer in rekening brengen voor het vervoer per busje biedt geen soelaas, omdat zij het geld daarvoor vaak niet kunnen opbrengen. En zonder leerlingenvervoer geven veel ouders waarschijnlijk de voorkeur aan een school in de buurt boven de islamitische school verderop. Daarmee dreigt een leegloop van islamitische scholen. „Die vrijheid van onderwijs”, stelde Isbo-bestuurder Bellari eind vorig jaar al, „bestaat kennelijk alleen voor draagkrachtige gezinnen.”

Die bittere opmerking wordt door vele betrokkenen onderschreven. Directeur Huib de Priester van de Al-Ummahschool in Enschede spreekt zelfs van ’verkapte discriminatie’. „Ik kan het niet anders zien.”

Maar volgens adviseur De Jong is er geen sprake van ’moslimpje pesten’. „De politiek heeft tegenwoordig niet veel op met islamitisch onderwijs”, zegt hij. „Maar de meeste gemeentebestuurders passen uiteindelijk gewoon de regels toe.”

Een hoge stichtingsnorm, vaak slechte gebouwen, hindernissen voor het leerlingenvervoer waardoor islamitische scholen in hun groei belemmerd worden – is daardoor al met al de vrijheid van onderwijs in het geding? Nee, zegt onderwijsjurist Zoontjens. „Maar als islamitische scholen klagen dat ze geen gelijke kansen krijgen, dan begrijp ik dat.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden