Vriendelijk volk in een woeste natuur

De Oostenrijker Stifter ontwaarde in zijn tijd, rond 1850, een hang naar drift en geweld. Maar juist rust en eenvoud sieren de mens, vond hij. Stifters beste novellen zijn nu subliem vertaald.

Adalbert Stifter: Kleurige Stenen. (Bunte Steine). Uit het Duits vertaald door Wilfred Oranje. Met een nawoord van Theo Kramer. Atlas, Amsterdam. ISBN 9789045000589; 317 blz. euro 34,90.

In een beroemde brief uit 1858 merkte de Oostenrijker Adalbert Stifter (1805-1868) op dat hij boeken schreef om de ’slechtheid’ van zijn tijdperk aan de kaak te stellen, om de ’ellendige verdorvenheid’ te contrasteren met een ’grote (...) zedelijke kracht’.

Het zijn programmatische woorden, die zowel van toepassing zijn op Stifters opvallend handelingsarme ontwikkelingsroman ’Der Nachsommer’ (1857) en zijn nog iets dikkere historische roman ’Witiko’ (1867), alsook op zijn misschien wel beste en boeiendste werk: de tientallen novellen en verhalen waarvan er nu zes in het Nederlands zijn vertaald.

Stifters credo was een rechtstreeks antwoord op de revolutie van 1848 en op het emancipatorische pathos van zijn tijd, waar hij als conservatief ronduit afwijzend tegenover stond. Conservatief is misschien niet de beste benaming, eerder was hij een utopist. Stifter probeerde niet het bestaande te behouden of het verleden te restaureren (in zijn tijd vormde hij al een anachronisme), maar creëerde een sterk geïdealiseerde tegenwereld, een kunstmatig paradijs. Het is dan ook geen toeval dat de grote dromers en estheten uit de Duitse literatuur rond 1900 – Hugo von Hofmannsthal, Rilke en deels ook Thomas Mann – Stifter herontdekten en op handen droegen. (En dat Carl Schorske hem in zijn standaardwerk ’Fin de siècle Vienna’ zelfs een apart hoofdstuk toebedeelt.)

De nu fraai uitgegeven en door Wilfred Oranje subliem vertaalde bundel ’Kleurige Stenen’ biedt met zes novellen een uitstekende introductie tot Stifter, een in Nederland nog vrijwel onbekende schrijver.

In het beroemde voorwoord, een soort cri du coeur van de Biedermeier-tijd, ontvouwt Stifter zijn ’zachte wet’: „Een leven dat volledig in het teken staat van rechtvaardigheid, eenvoud, zelfbeheersing, redelijkheid, werkzaamheid in eigen kring, bewondering van schoonheid, gepaard aan een blijmoedig en kalm sterven, houd ik voor groot. Sterke gemoedsbewegingen, vreselijk opbruisende drift, wraakzucht, de ontvlamde geest die (...) omverwerpt, verandert en verwoest(...) houd ik niet voor groter maar voor kleiner...”

Conform dit programma gaat het er tamelijk geordend en ingetogen aan toe in deze novellen, die vaak in afgelegen en welhaast idyllische streken spelen. De mensen zijn vriendelijk, hulpvaardig en ietwat bedeesd, conflicten lijken – met uitzondering van het in Wenen gesitueerde ’Toermalijn’ – bijna geheel afwezig of onderdrukt. Enkel de natuur vormt nog een bedreiging. In ’Graniet’ is het de pest, in ’Kattenzilver’ zijn het hagel en vuur die het leven bedreigen.

’Bergkristal’ begint met een topografische beschrijving van het berglandschap waar de novelle zich afspeelt. Twee kinderen verdwalen op Kerstavond tijdens een hevige sneeuwstorm en zoeken toevlucht in een gletsjerspleet. Ze overleven de barre nachtelijke kou en worden de volgende dag op wonderbaarlijke wijze gered.

In het schitterende ’Kalksteen’ worden twee verhaaldraden vernuftig met elkaar verbonden. Op het eerste gezicht gaat het over een ascetische en wereldvreemde dorpspastoor, die zich met zijn testament ontpopt als weldoener voor kinderen. Maar het is ook een liefdesverhaal. De man is pas laat tot de geestelijke stand overgegaan, na een ongelukkige liefde; levenslang draagt hij – ondanks zijn armoede – het allerfijnste linnengoed, omdat dit hem herinnert aan een jeugdvriendin die bij rijke families wasgoed bezorgde. ’Kalksteen’ is een raamvertelling, zoals wel vaker bij Stifter, en zijn subtiele gebruik van motieven en (kleur)symbolen bereikt hier een hoogtepunt.

Stifters taalgebruik is tamelijk archaïsch en vormelijk, zeker niet zonder clichés. Desondanks gaat er een sterke werking van uit, en zijn natuurschilderingen zijn waarschijnlijk uniek in de wereldliteratuur. Oranje heeft hem geheel in stijl vertaald, hem gelukkig niet ’vlotter’ laten klinken. Als Stifter nogal stijf noteert: „Ich verfügte mich nun auch wieder nach Hause”, luidt het in de vertaling: „Ik begaf me nu ook weer naar huis.”

De schrijver-schilder Adalbert Stifter leidde een tamelijk ongelukkig leven, en de bedenker van de ’zachte wet’ sneed zich op het laatst de keel door. Thomas Mann verbaasde zich over die wanhoopsdaad, en van hem zijn in zijn privénotities– in de dagboeken uit 1933 – de wellicht passendste woorden over Stifters novellen en romans te lezen. Mann sprak van ’een stille, grootse, lichtelijk dwaze en edele eigenzinnigheid’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden