Vreugde en poëzie

In de serie 'De groentetuin' volgen we de tegenslagen en bescheiden succesjes van moestuinbeginneling Alma Huisken. Aflevering 26 (slot).

Aan het winters slot van dit seizoen bloeit op tuin 83 alleen nog wat calendula -de 'kalenderbloem'. Tijd voor mijmeringen, over volkstuinieren in het algemeen en kleine succesjes in het bijzonder.

De Britse tv-serie 'The Good Life' -erg jaren zeventig maar ook zeer geestig, en gelukkig om de haverklap herhaald- toont het wel en wee van de diametraal tegenover elkaar staande echtparen Good en Leadbetter. De Goods leven volgens het destijds populaire principe 'terug-naar-de-natuur': in hun streven naar volledige zelfvoorziening kweken ze preien in de voortuin en houden varkens achter het huis. De Leadbetters -hun naaste buren- zijn snobs. Margo Leadbetter (een glansrol van actrice Penelope Keith) velt als gedegen upper-middle-classdame dan ook een bikkelhard oordeel wanneer buurman Tom Good een volkstuin neemt. Ze vindt zo'n landje bijzonder onbenullig, of, in Margo's Queen's English: 'a silly spot where silly men sit in silly sheds on Saturday afternoons'.

Woorden die het zittend verblijf in een schuurtje op zaterdagmiddag volledig logenstraffen zijn de namen van vaderlandse volkstuincomplexen. Sinds hun ontstaan rond 1910 heten ze onveranderlijk 'Tot Nut en Genoegen', 'Wie Zaait zal Oogsten', Eigen Arbeid', 'Nooit Rust' en 'Zonder Werken Niets'. Geploeterd zal er worden, en niet zo zuinig ook. Aanvankelijk bedoeld voor arbeiders, was verheffing dezer klasse (en bestrijding der ledigheid) het hooggestemde doel. In zijn rol van parttime landman kon de arbeider mogelijk zelfs vreugde en poëzie ervaren, meende men, hoewel ik vermoed dat het de werkman-cum-tuinder vooral ging om twee kilo bijna gratis worteltjes. (Weer zes monden gevoed.) Nimmer is dat noeste element 'Nut' verdwenen, maar op voorspraak van de AVVN, het Algemeen Verbond van Volkstuinders Verenigingen (dat nog steeds het buitengewoon nuttige blad 'De Amateurtuinder' uitgeeft), kwam er later ook plaats voor 'Genoegen', op de landjes bloemrijk gedemonstreerd in kweek van dahlia's en lathyrus.

Ook op 'ons' complex is die mix van Genoegen en Nut nog voelbaar. Je hebt genoeglijke klaplopers zoals ik en zwoegende, 'ouderwetse' nutstuinders. Soms weet je alleen niet wie je voor je hebt, dus toen ik in het vroege voorjaar in een kletsje op weg naar de kruiwagenschuur opmerkte zo blij te zijn met de bomen aan onze begrenzingen, kreeg ik onverhoeds teruggebeten: ,,Bomen! Nog meer bomen! Altijd maar bomen planten ze hier! Maar ík heb straks het blad tussen m'n gewas en de sloot slibt ervan dicht!'' Het bleek een collega die pas opleeft bij kisten onberispelijke boontjes en wastobbes vol spinazie. In de drukke tuinmaanden april en mei zag ik hem met hysterische blik het complex opfietsen en zich als een zak aardappels op de grond laten vallen om vervolgens met een pincet alle onkruidjes te verwijderen. Dat zijn de ware, hoor! Zo iemand laat je ook fijntjes in vaktaal weten uitsluitend in 'platte bedden te doen' als je informeert of hij een stek van een sierklimmer wenst.

Toch vraag ik me in gemoede af of dit wel het waarachtige volks tuinieren is, nu bijna niemand nog hoeft te oogsten voor het kroost of 'de weck'? Mag het misschien een onsje meer genoegen zijn? Natuurlijk, tuin nummer 83 is hopeloos onordelijk, ik scoor geen zwembad vol sla en menig gewas vertikt het door mijn onkunde en nalatigheid. Maar de tuin maakt me gelukkig. Zelfs als ik er niet ben. Want nu het stilletjes wintert op het landje, haal ik thuis m'n tuinschrift tevoorschijn en noteer mijn plannen en idealen, voor het volgend seizoen, wanneer altijd alles beter gaat. Vergeten zijn de mislukkingen, alleen succesjes beklijven. Een bundeltje gedroogde lavendel en ritselende klaproosdoppen houdt de herinnering aan de voorbije zomer levend. Ook koester ik bewaarde kievitsbonen en zelfgewonnen zaad van rucola en dille. Gewassen die het wél deden en waarmee ik me tijdens hun groei verbonden voelde. Vanzelfsprekend mogen ze weerkeren, evenals tuinbonen, doperwtjes, groene kool en maïs.

Uit antroposofische hoek begrijp ik dat de tuin nu moet rusten, tot Maria Lichtmis, begin februari. Dat treft, want uitgerekend in deze tijd van herstel voor de tuin en meditatief moment voor mezelf kwamen de nieuwe zaadgidsen binnen. Daarin vind ik de 'Neckarkönigin' (stamslaboon) en de 'Witte Mei' (raapje): nog meer gewassen die me vreugde en poëzie zullen brengen. Volgend jaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden