Vreemdeling in liederlijk Rome

Gravure van paus Adriaan VI door Hendrik Bary, 1671. (Trouw)

Wat de Nederlandse paus Adriaan VI bijna 500 jaar geleden in Rome aantrof, beviel hem allerminst. Antoine Bodar, priester te Rome, beschrijft hoe de rechtlijnige Adriaan de wereldlijke mores in het Vaticaan probeerde te hervormen. Het werd hem, zacht gezegd, niet in dank afgenomen. „Zou de paus nu zijn zogeheten C-factor testen, hij zou er als calvinist uit tevoorschijn treden.”

Was Adriaan VI een Nederlandse paus? Vanzelfsprekend, menen wij. Geenszins, menen de Duitsers. De Nederlanden bestonden destijds nog niet als zelfstandige natie, maar maakten deel uit van het Heilige Roomse Rijk. Adriaan, gekozen in 1522, was in hun ogen de zevende Duitse paus (en Joseph Ratzinger, gekozen in 2005, de achtste).

Hoe het ook zij, Adriaan was slechts een twintigtal maanden paus. En in de Eeuwige Stad was hij spoedig hoogst ongeliefd. Naar verluidt was hij even onbuigzaam als onkreukbaar, een barbaar uit het Noorden die schraapzuchtig heette, uit zuinigheid bier dronk en vis at en het Latijn alleen onwelluidend wist aan te wenden.

Rome begreep Adriaan niet en Adriaan Rome niet. De stad bleef Adriaan vreemd waarin Adriaan vreemdeling bleef.

Zou hij nu, in het vijfhonderdste geboortejaar van Calvijn, zijn zogeheten C-factor testen, hij zou er als calvinist uit tevoorschijn treden. En niet alléén omdat in die test alles wat goed en edel en eerlijk is calvinistisch heet. Ook en veeleer omdat Adriaan van natuur en van hart rechtlijnig was en wilde zijn. De Germaanse mentaliteit (waartoe ook te rekenen de Nederlandse van toen) bleef hem eigen.

Het zou een reden kunnen zijn om Adriaan te vieren als calvinist avant la lettre. Maar veel meer nog verdient hij aandacht omdat hij zich als paus op drie kwesties richtte die ook nu nog vanuit het perspectief van de Wereldkerk overweging verdienen: de islam, de Reformatie en de Romeinse curie.

De figuur van Adriaan is het treffendst getekend als kind van de Moderne Devotie, waarvan hij de invloed alleen al in zijn Zwolse jaren bij de Broeders des Gemenen Levens heeft ondergaan. Deze hervormingsbeweging van vooral leken ontstond in de veertiende eeuw te Deventer, door toedoen van de diaken Geert Grote. Razendsnel verspreidde zij zich langs de Hanzesteden door Europa. De beweging verzette zich zowel tegen de verloedering van de clerus als tegen de verruwing van de zeden, en wekte op tot verinnerlijking van het christelijke geloof: door ernstig leven in soberheid en bescheidenheid, door toeleg op bidden en Bijbel, en door het met eerbied naderen tot de Tafel des Heren.

De priester Thomas a Kempis zette de praktische vingerwijzing van de Moderne Devotie uiteen in vier traktaten die samen het boek ’De navolging van Christus’ vormen – voor het eerst verschenen in 1471-1472 en tot op de dag van vandaag talloze malen herdrukt.

Adriaan moet geleefd hebben naar deze wenkingen en daarin ook troost hebben gevonden. Zo leerde Thomas dat tegenspoed ons tot bezinning brengt. Want als we tegenspraak krijgen en als er ongunstig over ons wordt geoordeeld, dan kunnen we vordering maken in nederigheid en worden we behoed voor ijdele roem.

De kloof tussen deze geestesgesteldheid en die in Rome destijds kon niet dieper zijn. Daar was geen verinnerlijking te vinden maar veruiterlijking, geen soberheid maar weelde, geen bescheidenheid maar praalzucht. Het centrum van de Moederkerk functioneerde als een wereldlijk hof met hovelingen en baantjesjagers die prebenden vergaarden, aflaten verhandelden, ambten verkochten en nepotisme hielden voor deugdzaamheid.

In de Eeuwige Stad werd het leven gevierd met optochten en maaltijden, terwijl de muzen zich betuigden in muziek en architectuur, in dicht- en schilderkunst. Eenieder genoot van de herontdekte kunstschatten uit de Oudheid. De paus was absoluut vorst, de eerste en voornaamste van Europa – gemakkelijker te vinden op zijn paard om oorlog te voeren of op de steigers van de Sint Pieter in aanbouw dan op de preekstoel of aan het altaar.

Adriaan woonde destijds ver buiten Rome, in Spanje, waar hij kardinaal van Tortosa was en regent van keizer Karel V. Hoe kon het dat uitgerekend deze onbekende man in januari 1522 tot paus werd verkozen?

Op 1 december 1521 was paus Leo X – Giovanni de Medici – plotseling gestorven. Samen met keizer Karel V en koning Hendrik VIII van Engeland vormde hij een liga tegen Frans I van Frankrijk. Dat verbond kwam met de dood van de paus in gevaar. In het conclaaf stonden twee onverzoenlijke groepen kardinalen tegenover elkaar. Frans I schermde zelfs met een schisma, als een kandidaat van de tegenpartij paus zou worden. Giulio de Medici, de aanvoerder van die tegenpartij, aanvankelijk gedoodverfd als de aanstaande paus, zag in dat hij niet voldoende stemmen zou halen.

Karels gezant in Rome noemde Adriaans naam. Giulio stelde voor hem als buitenstaander bij afwezigheid te kiezen vanwege zijn eerbiedwaardigheid en zijn algemene roep van heiligheid.

Het zou niettemin acht maanden duren voordat Adriaan op 31 augustus in Rome kon worden gekroond.

Als ’onderkoning’ van Spanje moest Adriaan eerst staatszaken afhandelen en overdragen. Voorts heerste de pest af en aan, waren de wateren onveilig door zeerovers, moest er een vloot worden bijeengebracht én wilde Adriaan onafhankelijk blijven van de onderling twistende Europese vorsten – reden om zelfs Karel niet meteen al te ontmoeten. Want vooral de keizer was er moeiteloos van uitgegaan dat Adriaan tot de liga zou toetreden. Had hij hem niet tot kardinaal en paus gemaakt? In Rome ging zelfs de mare dat de keizer nu paus en de paus nu keizer zou zijn. Maar Adriaan zwichtte niet en zag het vanaf het begin als zijn eerste taak om de onderlinge vrede te bewerkstelligen, zodat Europa daarna eensgezind het Turkse gevaar kon keren.

Hoeveel meer zou hij hebben kunnen doen, als het pausschap niet verbonden zou zijn geweest met wereldlijke macht – een situatie die nog zou voortduren tot het ontstaan van de Italiaanse staat in 1870.

Hoeveel groter wordt gezag, als macht achterwege blijft.

Schokkend moeten de eerste ontmoetingen met de paus op Italiaanse bodem zijn geweest. Zijn eerlijkheid stond buiten kijf, maar zijn noordelijke rechtlijnigheid – om niet te zeggen Hollandse botheid – moet de hem ontvangende waardigheidsdragers hebben ontriefd.

Onderweg naar Rome landde Adriaan met zijn gevolg in Livorno – om veiligheidsredenen voerde de zeereis vlak langs de kust. Daar begroetten hem vijf Toscaanse kardinalen. Zij wilden hem het zilveren gerei schenken waarmee de maaltijd was versierd. „Hier treden kardinalen als koningen op”, berispte de nieuwe paus. „Verwerft u liever schatten voor de hemel.” In Ostia lieten de kardinalen een feestelijke dis voor hem bereiden. Adriaan weigerde aan te zitten, gaf de voorkeur eraan alleen te eten en besteeg na de maaltijd meteen een muildier dat hem naar de benedictijner abdij van de Romeinse basiliek Sint Paulus-buiten-de-muren zou brengen. Daar zou hij zich het kardinalencollege laten voorstellen, twee dagen vóór de plechtigheid in de Sint Pieter .

Adriaan, de barbaar. Zo werd hij ervaren. Maar zijn ongewone verschijning maakte indruk. „Zijn gezicht is lang en bleek, zijn lijf mager, zijn handen sneeuwwit, zelfs zijn glimlachen heeft iets ernstigs”, aldus een ooggetuige. „Ik zou gezworen hebben dat hij monnik is geweest.”

Zijn vastberaden strengheid baarde onmiddellijk opzien. Hij liet meteen het dragen van wapens verbieden en liederlijke personen moesten de stad verlaten. Priesters mochten geen baard meer dragen, opdat zij er niet langer als soldaten uitzagen. Prelaten en hovelingen van Leo X morden heimelijk. Velen kwamen zonder inkomsten, omdat Adriaan de hofhouding inkromp tot enkele naaste medewerkers. Zijn voorganger had hem alleen schulden en beleningen nagelaten en dus was de schatkist leeg.

Maar evengoed wekte hij bewondering om zijn voorbeeldig leven, zijn eenvoud, vroomheid, gevoel voor rechtvaardigheid. Elke dag droeg hij de Heilige Mis op – in Rome toen geenszins nog gebruik – en bad hij het Brevier. Ondanks de telkens terugkerende pest bleef hij gestaag in Rome, terwijl kardinalen de Urbs ontvluchtten. Anderzijds betreurden de Italianen het dat hij de eenzaamheid beminde, studeerde, zwijgzaam en afgemeten was en vooral een vreemdeling, daarenboven zo niet besluiteloos dan toch langzaam in besluiten.

Mettertijd verdween alle sympathie voor de vreemde paus en werd hij eens temeer en alom voorwerp van spot en haat. Al wat de Romeinen tot het aangename leven rekenden keurde de noorderling af en de met trots opgegraven sculptuur uit de Oudheid zag hij als resten van voorbij heidendom. De Renaissance ontging hem. Het Vaticaanse hof veranderde in een streng klooster, zo luidde de klacht.

Bezorgde de wereldlijke levenswijze van de geestelijkheid Adriaan veel zorgen, meer nog deden dat de dreigende islam en de lutherse ketterij.

Sinds de val van Constantinopel in 1453 bedreigden de moslims, dat wil zeggen de Turken, Europa en daarmee de christenheid. Zaak was met vereende kracht macht te maken. Maar ook tijdens het korte pontificaat van Adriaan waren de Europese vorsten onderling te zeer slaags om zich te verenigen en samen de bedreiging af te weren. Zouden zij onderling als christenheersers vrede sluiten, zij zouden het eiland Rhodos kunnen beschermen en zo ook het gebrekkig weerbare Hongarije. Kon de paus boven de partijen blijven en daarmee voor iedereen aanvaardbaar, hij zou zijn taak als vredestichter binnen Europa kunnen vervullen.

Nadat de Turken in 1521 Belgrado veroverden, zetten zij in op Rhodos. Ze verklaarden de oorlog aan de johannieters die het eiland beheersten. Hulp van de Europeanen bleef uit. Rhodos viel op 21 december 1522. Het bericht aanhorend riep Adriaan met tranen in de ogen uit: „Arme christenheid. Ik zou tevreden sterven, als ik de vorsten tot weerstand had kunnen verenigen.” De moslims zouden nu het oostelijk bekken van de Middellandse Zee kunnen beheersen en daarmee ook Italië nog eens kunnen aanvallen.

Het lukte Adriaan niet de vorsten alsnog te verenigen, ondanks zijn aandringen op een onderlinge wapenstilstand. Na verraad van de zijde van Frankrijk dat voornemens bleek Italië binnen te vallen trad hij zelfs kort voor zijn dood toe tot de Duits-Engelse liga – een defensief verbond, allereerst bedoeld om het gevaar van de Turken het hoofd te bieden.

Na bijna vijf eeuwen spreken we nu niet meer van gevaar van buiten Europa. Wat toentertijd moslims gewapenderhand niet is gelukt, gebeurt nu vreedzaam. Wij hebben hen uitgenodigd als gastarbeiders en zij zijn gekomen. De ’ongelovigen’ van toen zijn niet minder Europeaan meer dan wij – met dezelfde rechten en dezelfde plichten.

Zij blijken tegenwoordig in het algemeen geloviger dan de inwoners van vooral het noordwesten van Europa, die tot een veelkleurig heidendom zijn teruggekeerd – de nog overgebleven christenen daargelaten.

Christelijk Europa heeft zijn gezicht zo niet verloren dan toch wel bedekt.

Sinds het Tweede Vaticaans Concilie omhelst de Kerk van Rome volledig de godsdienstvrijheid. Zij weet andere godsdiensten te waarderen, waarin haars inziens immers ook delen van de waarheid aanwezig kunnen zijn. Tegenover de islam is zij zich ervan bewust dat ook de moslims die ene God aanbidden en zich beroepen op aartsvader Abraham. Wat de ethiek aangaat staan orthodoxe christenen niet al te ver af van wat ook moslims proberen na te streven.

Merkwaardig blijft dat elke Europeaan zich in de tijd van Adriaan met fierheid christen durfde noemen, ook al was de praktijk van dat geloof nogal eens lauw en slordig.

Het humanisme heeft de Europese cultuur verrijkt. Het is pas in de veelgeroemde, maar stilaan ingeslapen Verlichting door wakkere agnosten of liever atheïsten gescheiden van het christendom. Maar dat tegenwoordig menig Europeaan zich niet eens meer wil herinneren dat het christendom te maken heeft met de beschavingswortels van Europa moet toch gezien worden als een ernstige mate van geheugenverlies. Zouden wij ons geheugen hieromtrent opfrissen, moslims zouden ons hier in het Westen niet minder achten, maar meer. Gelovigen laten zich door andersgelovigen beter volgen dan door ongelovigen.

Zou het voorts niet bijdragen aan Europese vereniging, eenwording en elan, als wij zonder geïdeologiseer onze gezamenlijke geschiedenis onder ogen zouden zien en zouden beseffen dat Europa als geheel ook cultureel beter partij kan geven aan economisch leiders als de Verenigde Staten nu nog en weldra China en India? Sluiten wij ons niet nader aaneen, wij blijven steken in onderlinge kloverijen, die tot ruim een halve eeuw geleden nog tot oorlogen leidden, waarvoor indertijd Karel V en Hendrik VIII en Frans I het benepen voorbeeld gaven.

Hoe stelde Adriaan VI zich op tegenover Luther en zijn groeiend aantal volgelingen in de Duitse landen? En wat was in zijn houding toen te leren voor ons die zijn geboortedag herdenken?

Vaststaat dat de paus de zaak van de in 1521 door Leo X geëxcommuniceerde augustijner monnik in volledig verband zag met de trouweloosheid en de losbandigheid van de clerus in het algemeen en die van Rome in het bijzonder.

Hoe Luther binnenboord van de Kerk te houden zonder clerus en curie kordaat te hervormen? Adriaan werden daartoe vele voorstellen aangereikt zowel van binnen de Urbs als van elders – onder meer het verzoek een concilie bijeen te roepen. Het zou vooral uit moeten zijn met de verkoop van aflaten en de verhandeling van ambten. Kardinalen, bisschoppen en priesters zouden het voorbeeld moeten geven in christelijk leven in plaats van in wereldlijke weelderigheid te verkeren.

Had Adriaan langer geleefd, hij zou de hervorming van de curie gestalte hebben kunnen geven. Zo luidt althans het oordeel van welwillenden. Niet in hetgeen hij bereikte maar in hetgeen hij heeft nagestreefd schuilt zijn betekenis. Met Adriaan immers heeft de Contrareformatie feitelijk een aanvang genomen.

Het gezegde Roma locuta, causa finita – ’Heeft Rome gesproken, dan heeft de zaak afgedaan’ – was destijds vanzelfsprekender dan nu. Een zekere laatdunkendheid lijkt in die houding niet te ontkennen. Hoe anders moet je zo’n wijze van denken en doen plaatsen? Hier presenteert zich de Kerkleer van Rome, de ekklesiologie, die toen nog begrepen bleef, maar zich heden ten dage slecht laat communiceren. Enerzijds is de Kerk het instituut met feilbare en zondige mensen, anderzijds is zij evenzeer heilig als Christus’ bruid, als lichaam van Christus, als Gods volk onderweg, als grondsacrament verwijzend naar Christus als oersacrament. Beide facetten zijn te onderscheiden maar niet te scheiden, net zomin als Jezus als Godmens is te scheiden in Zijn goddelijkheid en in Zijn menselijkheid. Zo zijn bijvoorbeeld de genadegaven die de sacramenten bereiden altijd geldig, hoe onwaardig de bedienaar daarvan ook kan zijn. De Kerk is objectief en vol gezag in haar van Godswege gekregen autoriteit, maar subjectief in de zwakten en zonden van Christus’ knechten.

Een ketter heeft zich dus tegenover de autoriteit van de Kerk te verantwoorden en voorts te onderwerpen op straffe van de banvloek (die tegenwoordig niet meer wordt uitgesproken). Luther was wel ondervraagd op de Rijksdag van Worms en hij had zich verdedigd met de gevleugelde maar niet authentieke uitspraak: „Hier sta ik, ik kan niet anders.”

Maar Rome eiste – zo benadrukte Adriaan in de breve die zijn gezant Francesco Chiericati daar in Worms voorlas bij afwezigheid van Luther op 3 januari 1523 – dat inzake het goddelijk recht en met betrekking tot de sacramenten eenieder het gezag van de Kerk moet aanvaarden. Voorts was veel van Luthers opvattingen reeds door verscheidene concilies veroordeeld. En niet in twijfel mocht getrokken worden wat zonder twijfel door concilies en de gehele Kerk als behorend tot het geloof is goedgekeurd. Tot zover het pauselijke schrijven voor wat het Luther zelf betrof.

Historisch en oecumenisch (zoals paus Johannes Paulus II het bij zijn bezoek aan Nederland in 1985 noemde) was de bij de breve gevoegde instructie waarin Adriaan VI schuld beleed – door velen toen veroordeeld, door enkelen toen gesnapt. De paus belichtte die belijdenis in een drietal punten.

„Wij bekennen openhartig dat God deze vervolging van Zijn Kerk toelaat om de zonden van de mensen, in het bijzonder van priesters en prelaten. Zonden scheiden ons van Hem. Daarom verhoort Hij ons niet. De zonden van het volk vinden haar oorsprong in de zonden van de geestelijkheid. Dat verkondigt de Schrift. Sinds tal van jaren zijn bij deze Heilige Stoel verfoeilijke zaken voorgekomen. Zo is de ziekte van het hoofd op de leden, van de paus op de prelaten overgegaan. Daarom moeten wij allen God eren en ons jegens Hem verootmoedigen.”

Na deze erkenning van schuld beloofde de paus verbetering: „Wij zullen ervoor ijveren eerst de Romeinse curie te hervormen. Daar wellicht heeft al dat kwaad zijn oorsprong gevonden. Laat waarvandaan de ziekte zich heeft verspreid, nu de genezing aanvangen. Wij zien het als onze plicht deze dringend gewenste hervorming te bewerkstelligen. Maar laat tevens zich niemand erover verbazen dat niet meteen alle misbruiken uit de weg worden geruimd; want de ziekte is te diep ingeworteld en de kwaal is te veelvormig geraakt.” Als derde punt bekende de paus liever in eenzaamheid te leven dan in openbaarheid met de tiara op het hoofd. „Alleen de vrees voor God en de wettigheid van de keuze en het gevaar voor een schisma hebben ons doen besluiten het opperherdersambt te aanvaarden. Wij voeren dit pontificaat uit niet uit heerszucht of om verrijking maar opdat de Kerk, Gods bruid, haar vroegere schoonheid terug krijgt.”

De Rijksdag schatte Adriaans mea culpa niet naar waarde. De vergadering verdaagde zoals voorheen de uitvoering van het edict van Worms op grond waarvan Luther vervolgd zou kunnen worden. De adviseurs van de aanwezige vorsten waren reeds al te zeer gewonnen voor de ’nieuwe’ godsdienst. Luther zelf liet naderhand niet na Adriaan te beschimpen als ’antichrist’ en ’tiran, huichelaar, dienaar van Satan’.

Door het Concilie van Trente enerzijds en de Heidelbergse Catechismus anderzijds bleven Rome en Reformatie eeuwenlang van elkaar onwetend, voor zover zij al geen bestendige vijanden waren. Zij weten nog steeds weinig van elkaar, al trachten zowel Rome als Reformatie sinds het Tweede Vaticaans Concilie elkaar te leren kennen en vooral te overwegen wat over en weer bindt in plaats van scheidt. Veel bindt ons en weinig scheidt ons. Dat besef dringt door in het oprukkende nieuwe heidendom en te midden van de kinderrijke moslimgezinnen.

In zijn encycliek Ut unum sint uit 1995 verkondigde paus Johannes Paulus II dat werkelijk alle christenen ertoe geroepen zijn één te worden – naar de bede van Christus Zelf in Johannes 17:21. In ditzelfde kader valt bij uitnemendheid zijn schuldbelijdenis te begrijpen van het jubeljaar 2000. In die nederige bekentenis volgde de Poolse paus de Nederlandse van een half millennium eerder. Beiden staan als enigen nu schouder aan schouder in het toegeven van schuld en derhalve vragen om vergeving. Niets zou erop tegen zijn, indien ook nu Vaticaanse waardigheidsbekleders in bepaalde zaken schuld zouden bekennen en vergeving zouden vragen voor aandoend dan wel aangedaan onrecht of leed – ook als dat geen persoonlijke schuld zou beduiden.

Van schuldbelijdenis wordt niemand kleiner, alleen groter. Dat leert al het troostrijke sacrament van de biecht.

Paus Adriaan VI stierf op 14 september 1524 – ziek, verlaten, verguisd, bespuwd, gehaat. Zijn stoffelijke resten werden terstond begraven onder de Sint Pieter. Op verzoek van zijn naaste medewerker Willem van Enckenvoirt – de enige die hij ondanks de weerzin daartegen van de andere kardinalen op zijn sterfbed tot die waardigheid verhief – werd Adriaan na tien jaar opgegraven en overgebracht naar Santa Maria dell’Anima elders in Rome.

Daar rust hij nu in het grote, nooit door hem zelf gewenste grafmonument bezijden het priesterkoor – de niet gezochte tiara nog altijd op het hoofd totdat hij wakker geschud zal worden op de jongste dag.

Elke dag vier ik daar de Eucharistie, bij het graf van die even vrome als hervormingsgezinde paus. In feestelijke dankbaarheid mocht dat ook afgelopen maandag gebeuren, precies 550 jaar na zijn geboorte. In aanwezigheid van de huidige Adriaan van Utrecht, kardinaal Simonis.

(Trouw)
Paus Adriaan VI (1523), door Jan van Scorel (1495-1562). (Centraal Museum Utrecht)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden