Vreemd geld trekt verstarde economie weer vlot

In 'The American Dream', aan de brede 'Bulevardi Deshmoret e Kombit' schenken ze Heineken-bier onder Marlboro-parasols. “Brewed in Holland” verzekert de ober. “En niet dat spul uit Griekenland!”. Hij is niet de enige, ook 'Palermo Pizza' weet wat kwaliteit is. Het zijn slechts twee van de tientallen gloednieuwe cafés in de dynamische Albanese hoofdstad Tirana. Het land dat geacht wordt het armste van Europa te zijn, is hard op weg die status te verliezen.

De groei van de economie behoort met ook dit jaar weer zo'n 7 procent tot een van de hoogste in de wereld. Op het vlakke platteland en in de grillige bergdorpjes wordt driftig gemetseld, terwijl de verloederde steden trillen van het heien.

In Tirana, waar het leeuwedeel van de landelijke studentenpopulatie verkeert, flaneren de dames arrogant in all Italian-style over de brede boulevard die uitkomt op het majestueuze Skanderbeg-plein en, aan de andere kant, bij een van de markantste architectonische gedrochten uit de tijd van Enver Hoxha's absurd isolationistische stalinisme, de hoge stenen Universiteti Politeknik.

Dit stadscentrum met de vele oude en nieuwe monumentale panden, bruist en swingt van de nieuwe horeca, claxonerende auto's (vijf jaar geleden waren er nog geen honderd auto's in het hele land) en kermisattracties als botswagens en kinderdisco's. Van het Rinia-park tegenover het oude hotel Dajti is al niet veel meer over. De op het Westen georiënteerde terrasjes vormen hier het moderne uitgaanskwartier voor met name studenten en werkende jongeren.

Eigenaar Alia van een van de twintig cafés in het Rinia-park vertelt dat hij niet de enige jonge ondernemer is: “Er zijn hier maar vijf cafés met een eigenaar die ouder is dan dertig jaar”. Het zegt iets over de nieuwe mentaliteit die onder jongeren sneller wortel schiet dan onder de ouderen die gewend waren aan de communistische commando's van bovenaf.

Albanië heeft de jongste bevolking van Europa. De gemiddelde leeftijd is 26 jaar. Dat alleen al is hoopgevend. De mentaliteit verandert sneller dan in Roemenië of Bulgarije. De hier en daar chique kleding, de luxe merken, en het driftige autoverkeer, veel begint steeds meer op Italië te lijken. De welgesteldheid van een aanzienlijk deel van de studentenpopulatie (28 000 in totaal) blijkt ook uit het bestaan van zo'n 25 nieuwe moderne discotheken in de hoofdstad.

Tirana telt op het moment zo'n 300 000 inwoners, waar het er vijf jaar geleden krap 200 000 waren. Aan het eind van de eeuw zullen het er zo'n half miljoen zijn, voorspellen de statistieken. De straathandel begint inmiddels naar binnen te schuiven. De eerste westerse winkels zijn al niet zo uniek meer. Exclusieve Italiaanse merken vinden ook steeds vaker een agentschap, en het net geopende hypermoderne Businesscenter achter het luxueuze Hotel Tirana, komt nu al ruimte tekort. Is dit stadscentrum representatief voor de toekomst, dan zal Albanië ooit tot de welvarende landen aan de Mediterrané behoren. Het is bijvoorbeeld rijk aan delfstoffen als olie, gas, koper en chroom. In 1990 was de industrie nog goed voor 37 procent van het BNP, nu is dat slechts 13 procent, aldus de cijfers van het ministerie van financiën. Potentie voldoende dus nog, maar voor de ontwikkeling van een efficiënte industrie is Albanië volkomen afhankelijk van buitenlandse investeerders en steun van internationale hulpinstellingen. De vele obstakels voor een sterke markteconomie zullen de potentiële investeerders ook niet ontgaan. De slechte infrastructuur in Albanië is de grootste hobbel. Deze is niet berekend op de snelle groei van het aantal mensen dat naar de steden trekt.

De watertoevoer in de steden duurt gemiddeld niet langer dan vier tot zes uur per dag. De elektriciteit valt vaak uit en de telecommunicatie behoort helemaal tot de dagelijkse ergernissen van het startende bedrijfsleven. Minder dan tien procent van de interlokale telefoontjes is succesvol. Veel particulieren en bedrijven kopen om die reden een GSM-satelliettelefoon in Griekenland.

De verbetering van het verpauperde wegennet is het grootste karwei dat Albanië staat te wachten. Deze zomer is een eerste begin gemaakt met de aanleg van een nieuwe weg tussen de in potentie belangrijke havenstad Durrës en Macedonië, het achterland van de Balkan. De nieuwe (economische) vrijheid van de mensen en de miljardensteun die inmiddels in het Balkanland is gepompt, heeft de overgang van het ijzeren communisme niettemin in een ijltempo naar een soms extreem vrije markteconomie gebracht. Albanië is als het ware één grote bouwput annex marktplaats. Op elke denkbare straathoek worden produkten als appels, sigaretten en jeans verkocht.

Bij elkaar heeft Albanië sinds 1991 ruim twee miljard dollar toegezegd gekregen uit hulpfondsen. Bijna de helft daarvan heeft het land al uitgegeven. In het begin merendeels voor voedselhulp, maar tussen nu en 1997 wordt er in totaal voor meer dan 1,3 miljard dollar geïnvesteerd in de wegenstructuur, de watertoevoer, de energiesector, de agrarische sector, gezondheid (de ziekenhuizen verkeren nog steeds in een schrijnend slechte staat en de dreiging van cholera is nog levend), onderwijs en telecommunicatie. De grootste donor is de Europese Unie (671 miljoen dollar) gevolgd door de Wereldbank (249 miljoen dollar), Italië (282), de Verenigde Staten (196) en Duitsland (120).

Het land is drie jaar na het aantreden van een op het Westen georiënteerde regering al een monetaire baaierd van rust op de roerige Balkan. De intensieve bemoeienis van het IMF, de Wereldbank en de Europese Unie blijken te werken. De publikaties van zowel het Albanese bureau voor de statistiek als die van de Wereldbank zijn voorzichtig, maar optimistisch. De inflatie, in 1992 nog 240 procent, is op het moment nog geen 5 procent. De Albanese lek is nu al een jaar stabiel. Begin volgend jaar zal de voor Europa nog onbekende munteenheid convertibel worden.

En binnen zes maanden, zo meldt de regering-Berisha, start er een eigen beurs in Tirana, waar de eerste twintig geprivatiseerde staatsondernemingen een notering krijgen. Binnen twee jaar moeten er 150 ondernemingen een beursnotering hebben. De privatiseringen zijn het belangrijkste onderdeel van de harde voorwaarden voor de internationale hulp.

De slechte conditie van de banken is voorlopig nog een zorg voor het slagen van de hervorming van de economie. De meeste bronnen voor financiering van private ondernemingen komen niet uit de inefficiënte bankwereld, maar uit de vriendennetwerken of uit de spaarcenten van baantjes in het buitenland en wellicht ook uit de lucratieve smokkel.

Ontwikkeling van het toerisme, dat volgens de regering in de toekomst de helft van het nationaal inkomen zou kunnen genereren, staat vrijwel stil. Maar een aantal projectontwikkelaars heeft serieuze interesse in de nog maagdelijke locaties aan de 450 kilometer kustlijn langs de azuurblauwe Adriatische en Ionische Zee.

Sectoren die het goed doen zijn de bouw (verwachte groei in '95: 32 procent), de transportondernemingen en de agrarische branches. De voedselhulp die in 1992 en '93 bij elkaar ruim driehonderd miljoen dollar bedroeg, is dit jaar tot vrijwel nul teruggebracht. Albanië is zelfvoorzienend geworden en er is zelfs al een kleine export geconstateerd. Dat succes is toe te schrijven aan een recente hervorming van de landbouw. Begin dit jaar heeft de regering-Berisha de boeren (40 tot 60 procent van de bevolking) in staat gesteld om stukjes grond van 1,5 tot 3 hectare te kopen of in erfpacht te nemen. Sindsdien zijn de boeren massaal op het land teruggekeerd. Maar het optimisme over het landbouwsucces is mogelijk voorbarig. Nu al klagen veel keuterboeren dat hun kavels veel te klein zijn. Sommigen van hen verkopen hun vruchtbare grond in het Albanese laagland om die reden door aan mensen die er een huis willen bouwen. Het korte-termijnsucces kan de groei van de landbouwsector in de nabije toekomst danig in de weg staan. De bouw- en transportsector kunnen daarentegen makkelijk doorgroeien. De behuizing van de vaak kinderrijke gezinnen in de vele oude, vervallen flats is uiterst krap. Er is intussen geen gezin meer zonder uitbreidings- of verhuisplannen. In 1990 leefde 65 procent nog in dorpen en op het platteland, 35 procent leefde in de steden. Pas sinds de politieke omwenteling kan de bevolking zelf uitmaken waar ze wil wonen.

Bij het optimistische verhaal over de Albanese groeieconomie horen wel twee kanttekeningen. De forse internationale hulp en het geld dat de 400 000 tot 600 000 Albanese emigranten (Albanië heeft 3,2 miljoen inwoners) naar hun familie terugsturen, vormen voorlopig de grootste inkomstenbronnen. De economie is dus nog kwetsbaar, zeker nu de waarschijnlijk roerige parlementsverkiezingen er aan komen (mogelijk in april of mei). Er bestaat immers veel ongenoegen. Twintig procent leeft van de bedelstaf, schrijft een verslag van de Verenigde Naties. En de werkloosheid kan officieel wel 20 procent zijn, onofficieel (iedereen met een kistje kan een tros bananen en wat sigaretten verkopen) kan het net zo goed 50 procent zijn. Een gemiddeld maandinkomen bedraagt nu 45 tot 65 dollar, ministers krijgen 200 dollar.

De Socialistische partij, met veel voormalige communisten, kan de verkiezingen winnen en de liberaliseringen frustreren. De investeerders wachten en masse. Tegelijkertijd maken internationale organisaties en investeerders zich zorgen over de corruptie in de Albanese samenleving die van oudsher sterk op familie- en vriendennetwerken is gericht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden