Review

Vragen van het eeuwige kind

Zelf zou Daniël Rovers niet zo snel met de bestseller ’Mam vertel ’s!’ in de hand zijn moeder over haar leven bevragen: te dwingend het concept, te opgewekt de vragen. Toch ligt aan het succes van de reeks een kwellende gedachte ten grondslag waar ook schrijvers als Blake Morrison, Tom Lanoye en Roland Barthes mee worstelden. Waarom hebben ze bij leven niet méér met hun moeder gepraat?

Om en nabij een half miljoen exemplaren zijn er in Nederland inmiddels verkocht van Elma van Vliets ’Mam vertel ’s!’. Rond Moederdag komt het boek telkens weer met stip de bestseller top-60 binnen. Vorig jaar verscheen een stoeptegelgrote jubileumeditie van het boek, feestelijk vormgegeven in goud en paars, met dubbel leeslint in dito kleuren. En inmiddels is er ook een (digitale) variant voor vaders, opa’s en oma’s op de markt.

De serie ontstond in 2001, toen bij de moeder van Elma van Vliet een dodelijke spierziekte werd geconstateerd. Van Vliet, destijds communicatiemanager bij een telecombedrijf, realiseerde zich op dat moment twee dingen: dat ze nog heel veel aan haar moeder wilde vragen, en dat ze in het verleden te weinig tijd had vrijgemaakt om dat daadwerkelijk te doen. Om anderen dit pijnlijke besef te besparen stelde ze ’Mam vertel ’s!’ samen, een boek dat ze opdroeg aan haar moeder.

Zelf zou ik het niet snel doen: met ’Mam vertel ’s!’ op schoot en mijn moeder naast me op de bank een gesprek beginnen over haar leven. De imperatief in de titel schrikt me al af. De vragen die in het boek gesuggereerd worden, stellen evenmin gerust. Ze zijn wel érg positief gesteld. Zo wordt bijvoorbeeld gevraagd naar de ’beste beslissingen’ die moeder in haar leven heeft genomen, en ook nog naar ’een van de moeilijkste beslissingen’; slechte of zelfs fatale beslissingen blijven onbenoemd. En ’Mam vertel ’s!’ leert dat je je moeder kunt vragen wat er ’fijn’ is en wat ’moeilijk’ aan ouder worden, maar niet wat daar eventueel ondraaglijk aan zou zijn. Nu kan uit psychologisch onderzoek best blijken dat dergelijke opgewekte vragen de uitgebreidste antwoorden opleveren, maar ik krijg het er enigszins benauwd van. Er gaat een geluksdwang van uit, door filosoof Slavoj Zizek het (moederlijke) superego van het postmodernisme genoemd, dat de genieting niet verbiedt maar juist verplicht.

En dan zijn er nog de hoofdstukken getiteld ’Vertel ’s iets over mij!’, die moeder opporren iets over kindlief te vertellen. Hier wordt wel erg nadrukkelijk naar bevestiging gehengeld. Heel vreemd is dat natuurlijk niet. In de omgang met ouders blijkt het lastig om af te zien van kinderlijk narcisme. ’Mam vertel ’s!’ is dan ook geen geschenk in de traditionele, genereuze zin van dat woord. In de inleiding wordt al gesteld dat het boek een uitzondering is op de regel dat je cadeaus normaliter niet hoeft terug te geven. Het is namelijk nog maar de vraag wiens feestje dit is. Enigszins vrijpostig moet je toch zijn opgevoed om je moeder de vraag voor te leggen: ’Ben ik de persoon geworden die je hoopte dat ik zou worden toen je me voor het eerst in handen hield?’

Maar vergeet alle kritiek: Elma van Vliet heeft haar boekenreeks niet voor sceptici samengesteld. Duizenden tevreden lezers geven bevestiging genoeg. Wat dat betreft ligt een positieve duiding van het succes van haar publicaties meer voor de hand. ’Mam vertel ’s!’ kunnen we ook zien als de democratisering van hetgeen de afgelopen eeuw voorbehouden was aan de biografisch georiënteerde literatuur, namelijk het verzamelen en vertellen van familieverhalen. Het is een van de contemporaine vormen van zingeving, een zin die niet langer wordt gezocht bij ’Onze Vader die in de hemel zijt’, maar bij onze vader en onze moeder – ’Smoeder’, om met Maria Goos te spreken – die als we geluk hebben nog onder ons zijn. Vragen stellen staat vrij; raar eigenlijk dat we dat niet vaker doen.

In 1997 overleed de moeder van de Britse auteur Blake Morrison. Zelfs Morrison, die vier jaar daarvoor over zijn overleden vader had geschreven, moest bij het overlijden van zijn tachtigjarige moeder beseffen dat ze ’meer hadden moeten praten’. Het uitblijven van dat gesprek had niet in de eerste plaats met tijdgebrek te maken, maar met de nogal gesloten aard van zijn moeder. De schrijver kreeg na haar dood beschikking over een koffer met brieven die zijn ouders elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog schreven. De koffer, weggemoffeld door de moeder, bleek een goudmijn voor de schrijvende zoon.

Met ’Wat mijn moeder mij nooit verteld heeft’ (2001) verrichtte Blake Morrison een klein wonder. Nadat hij in het eerste hoofdstuk heeft beschreven hoe Agnes Morrison-O’Shea is gestorven in het verpleeghuis waar ze de laatste jaren van haar leven doorbracht, laat hij haar in het tweede hoofdstuk weer tot leven komen. Morrison beschrijft het leven van een jonge gynaecologe in een Britse provinciestad, waarvan de bevolking bedreigd wordt door voortdurende oorlogsbombardementen; ze wisselt brieven uit met een legerarts die op IJsland gelegerd is, gaat dansen met haar collega’s, wijst flirtende artsen af. Het voor de hand liggende weten is nog iets anders dan het ervaren: al onze moeders zijn ooit jonger geweest dan wijzelf nu zijn.

Morrison zou het boek over zijn moeder niet hebben kunnen schrijven zonder de schat aan brieven – die zijn moeder hem nooit had laten lezen. Zelf kost het hem al moeite, schrijft hij, zich te herinneren hoe zijn moeder eruit zag toen ze nog gezond was. Daarnaast zou hij, als hij zich louter op gesprekken had gebaseerd, al snel geneigd zijn te gaan sentimentaliseren. De waarheid verzin je namelijk niet. Wat overigens niet wil zeggen dat gesprekken tot de waarheid zouden hebben geleid. Wat ze hem wel heeft verteld, blijkt niet zelden een verdraaiing van de feiten. Haar katholieke geloof, dat ze van haar echtgenoot Arthur (hij vond het ’achterlijk’) moest afzweren, heeft ze altijd verdrongen. En over haar Ierse wortels vertelde ze amper. Zo verzweeg ze dat ze uit een gezin van zeventien kinderen afkomstig was. Moederbiograaf Morrison concludeert gelouterd: „De verhalen die binnen een familie als het heilige evangelie worden doorgegeven, kunnen grotere verzinsels blijken te zijn dan een schrijver ooit zou kunnen bedenken.”

Een groot deel van ’Wat mijn moeder mij nooit verteld heeft’ besteedt Morrison aan de vraag waarom zijn intelligente moeder zich uiteindelijk heeft laten domineren door haar echtgenoot. In de brieven tijdens de oorlog biedt ze nog weerwerk, maar in het huwelijk daarna geeft ze zich helemaal over. Ze zegt, op verzoek van haar man en op aandringen van haar omgeving, haar baan op en neemt genoegen met een assisterende functie, als de vrouw van de dokter. En haar man, Arthur Morrison, dat moet gezegd, heeft verder weinig consideratie. Hij vindt het bijvoorbeeld niet bezwaarlijk zijn maîtresse op een familievakantie mee te nemen. Van dat verblijf vindt zoon Blake één vakantiekiekje terug. Zijn moeder staat er niet op, zij nam de foto. „Waarom liet ze over zich heen lopen?” luidt de kardinale vraag in het boek. Is het toch wellicht haar katholieke achtergrond, overweegt Morrison, tot hij zich realiseert dat hij met die redenering het vooroordeel van zijn vader bevestigt. En zijn moeder kleineert tot een willoos slachtoffer van het geloof. Een antwoord op de vraag vindt de schrijver uiteindelijk niet.

Blake Morrison stelt zichzelf in een moment van twijfel een pijnlijke vraag: „Moest mijn moeder doodgaan voordat ik haar leerde kennen?” Het is ook een interessante vraag, temeer ze een radicalisering inhoudt van het uitgangspunt van ’Mam vertel ’s!’. Namelijk dat een schrijver, om objectief over zijn ouders te kunnen schrijven, hen eerst op afstand dient te plaatsen. Akelig uitgedrukt: dat de ouders op symbolische wijze moeten worden omgebracht.

Morrison durft hierin behoorlijk ver te gaan. Hij vraagt zich af, refererend aan de mythe van Oedipus, waarom hij als adolescent nooit over zijn moeder heeft gefantaseerd. Maar Morrison lijkt meer op de Griekse antiheld dan hij zelf aanneemt. Hij wekt zijn moeder tot leven als aantrekkelijke vrouw; een jonge arts die uitgebreid over haar ongesteldheden correspondeert met haar aanstaande echtgenoot – volgens de zoon vooral om de mythe te ontkrachten dat de menstruatie haar zou belemmeren bij de uitoefening van haar beroep. Wordt Agnes op deze manier niet een beetje Morrisons eigen Iokaste? En de vader? Die figureert toch vooral als snoodaard, als lomperik. Wordt hij, ondanks alle begrip van zijn zoon, niet gewoon postuum vermoord? De migraineaanvallen en depressies waar moeder Agnes onder leed, werden volgens de zoon veroorzaakt door de zorgen om haar man. Tenminste, dat vermoedt hij. Want de waarheid is niet altijd voor kinderen te overzien: „Misschien verwar ik haar verdriet met mijn eigen droefheid en dat is de droefheid dat ik haar niet meer hier heb.”

Tom Lanoye publiceerde vorig jaar ’Sprakeloos’ – een boek over zijn moeder, de beenhouwersvrouw, dwingeland, Samaritaan en amateur-actrice Josée Verbeke, die bij een beroerte haar spraakvermogen kwijtraakte en daarna steeds verder aftakelde, zoals dat in onbarmhartig Nederlands heet. Het boek werd bekroond met de Gouden Uil-publieksprijs en maakt aanstaande maandag kans op de Libris literatuurprijs. Bij Lanoye geen overzichtelijke vertelling of troostende kroniek waarin het leven van zijn moeder gedocumenteerd wordt. Alleen al de eerste zeventig pagina’s handelen over het uitstelgedrag dat hij vertoonde bij het schrijven. Lethargie is het niet; Lanoye stort zich wel op allerlei andere projecten. Maar het talmen maakt integraal onderdeel uit van zijn rouw. Hij moet zijn tijd verdoen met een stilzwijgend lamento. En hij aarzelt ook omdat hij geen al te hoge verwachtingen heeft van zijn schrijverij, in ieder geval niet in de religieuze zin. ’Sprakeloos’ zal geen opstanding teweeg brengen.

Schrijven, dus ook schrijven over je overleden moeder, betekent niet hetzelfde als bewaren. Lanoye: „Schrijven is vernielen, bij gebrek aan beter. Waar je over schrijft gaat pas dan en juist daardoor verloren. Literatuur is loslaten. Schrijven is verdrijven.”

Het verdriet en de woede, die zijn bij Lanoye nog niet ’verwerkt’. In ’Sprakeloos’ heerst de chaotische wanhoop, waarin een herinnering aan moeders kippensoep („Gezever, dát mag uit pakskes komen. Soep van mij? Nooit!”) over kan gaan in het relaas van de beroerte: een aanslag van een minuscuul bloedpropje dat het leven van een felle zeventigjarige lamlegt. Maat wil het boek niet kennen. Woedend wordt de schrijver opeens, op driekwart van de vertelling, omdat hij een calvinistische samenzwering ontwaart van less-is-more-estheten, die hem zouden belemmeren te schrijven over zijn moeder zoals het hem belieft. Hé, denk je bij eerste lezing, het gaat niet over jou, de grote schrijver, columnist, performer, het gaat over je moeder. Maar bij een tweede lectuur komt de bedenking dat Lanoye zich hier een echte zoon van zijn moeder betoont, ook al zo’n kei in de goedgeplaatste emotionele chantage, zoals de keer dat ze haar oudste zoon (’haar Sportiefste, haar Knapste, haar Lastigste’) dwong tot excuses door niet minder dan hartfalen te fingeren.

Hoe wordt een moeder in de eerste plaats door haar kinderen herinnerd? Dat lijkt evident: als iemand die voedt, als iemand die verzorgt. Voor Josée Verbeke waren die twee zaken eigenlijk niet van elkaar te scheiden. Alle zieke Lanoye-kinderen, onder wie de jongste zoon Tom, worden prompt op een strikt dieet gezet: geen koffie, wel thee. Geen roggebrood, maar dunne toast met fijn gesneden paardenvlees. En heel veel zoetigheid, want ’troost begint met zoetigheid’. En omdat voorkomen beter is dan genezen zet moeder het gezin altijd vers voedsel voor, groente en vooral vlees. Biefstuk wordt natuurlijk ’saignant’ geserveerd, want: „De ware kracht zit in het bloed”.

Op de voorkant toont Lanoye een karakteristieke foto van zijn moeder: in een jurk van zijde en tule is zij de ster van een kostuumdrama in de Stadsschouwburg van Sint-Niklaas. Een foto genomen na afloop van de opvoering; zijn moeder had de fotograaf, zo leek het, niet eens opgemerkt. Maar, zo schrijft Lanoye: „Ze was er wel in geslaagd om met mij plaats te nemen op uitgerekend die ene chaise longue die pal onder de enige kristallen kroonluchter stond, een monumentaal geval dat de zaal overheerste. Men zag ons van ver.” Op de binnenflap een foto van Josée Verbeke die voor de laatste keer is bevallen: baby Tom als een blind aapje in haar armen. Aan haar bed kijken zeven familieleden, een dochter en een echtgenoot toe; ook de vertolking van de moederrol wordt met verve op de bühne gebracht.

Dit zal geen bellettrie worden, roept Lanoye dreigend in de inleiding van zijn roman. Eenzelfde uitspraak – ’dit mag geen literatuur zijn’ – valt te noteren bij de Franse essayist Roland Barthes (1915-1980), een schrijver van protestantsen huize. Barthes poneerde de stelling in het dagboek dat hij bijhield na het overlijden van zijn moeder. Al voegde hij daar aan toe dat literatuur haar oorsprong heeft in dit soort ’waarheden’.

Van Barthes verscheen vorig jaar het ’Rouwdagboek’, een verzameling rouwnotities die de auteur tijdens zijn leven niet zelf heeft willen publiceren. Sterker nog: Barthes schreef een essay tegen dagboekproza. Maar nu dit dagboek dan toch is gepubliceerd, met al zijn ’passieloos geschrijf’, ’gekopieerde emoties’ en ’zinnen zonder werkwoord’ (dixit Barthes), brengt het dit toch maar teweeg: ontroering. Ontroering vanwege het moedergemis dat in de beknopte aantekeningen tastbaar wordt.

Barthes, wiens vader overleed toen hij amper een jaar oud was, had een zeer hechte band met zijn moeder. Tot op hoge leeftijd bracht de schrijver, die nooit het geluk had de man van zijn leven te treffen én te behouden, de zomers bij zijn moeder door in de buurt van Bayonne. Nadat zij ernstig ziek werd, verpleegde hij haar de laatste maanden van haar leven. Uit het ’Rouwdagboek’ kunnen veel hartbrekende zinnen overgeschreven worden, maar misschien volstaat hier deze ene regel: „Vandaag – mijn verjaardag – ben ik ziek en ik kan – ik hoef het niet meer tegen haar te zeggen.”

De moeder, zij is er niet meer om te zorgen voor de zieke zoon, noch om hem te voeden. Zij is er zelfs niet meer om voor te zorgen, om van voedsel te voorzien. Die ene regel mag dan al pathetisch zijn, Barthes durft – als is dit geen kwestie van moed – nog verder te gaan, door zijn moeder letterlijk te beschrijven als een heilige: „Bij haar nooit een metataal, een pose, een opzettelijk imago. Dat is heiligheid.”

Ook dit sentiment was niet bedoeld om openbaar gemaakt te worden. Het is het onbeschaamde, want ongezien gewaande narcisme van de jongenskamer. Zelf doorziet Barthes de tirannie van zijn emoties ook wel. In een moment van luciditeit noteert hij dat bij de dood van de geliefde ander ook de dienstbaarheid aan die ander verdwijnt: een ’acute fase van narcisme’ treedt in. Die is hopeloos, vooral omdat ze plaatsmaakt voor ’een triest egoïsme, een ontbreken van grootmoedigheid’.

Die grootmoedigheid probeerde Roland Barthes vervolgens opnieuw te bereiken in de teksten die wél voor publicatie bedoeld waren. In de eerste plaats was dat het essayboek over fotografie ’La chambre claire’, dat in het ’Rouwdagboek’ nog de titel ’Photo-mam’ draagt. In dit boek wilde Barthes zijn verdriet ’inpassen’, zoals hij dat noemde. In dat streven slaagde hij bepaald niet. Precies dat maakt ’La chambre claire’ (’De lichtende kamer’) zo memorabel. Het verdriet steekt er in dit geordende essay nog altijd uit. Dat geldt vooral voor de bespreking van één specifieke foto, een foto van Mam. (met punt), zoals Barthes zijn moeder noemt.

Barthes vindt een foto uit 1898 waarop volgens hem de ’essentie’ (een begrip dat Barthes in de rest van zijn oeuvre vermeed) van zijn moeder te zien valt. Zijn moeder is vijf jaar oud op die foto, en poseert met haar twee jaar oudere broer in de wintertuin van haar ouderlijk huis. In dit vijfjarig meisje vindt Barthes eindelijk zijn moeder terug, haar ’soevereine onschuld’, haar ’goedheid’, haar ’zachtheid’. Het zijn de lovende nominatieven die Barthes ook in zijn ’Rouwdagboek’ gebruikte. Spreekt hij de waarheid? De lezer moet de schrijver en zoon hier op zijn woord geloven, want de desbetreffende foto laat Barthes niet afdrukken. Die foto zou de lezer nooit werkelijk kunnen raken (’aucune blessure’) zoals zij hem geraakt heeft. De zoon houdt het unieke beeld voor zichzelf.

In een terzijde – al is dit hele ’Photo-mam’-boek een bundeling van terzijdes – schrijft Barthes dat hij zijn moeder nooit belerend heeft toegesproken; evenmin heeft zij hem ooit berispt of terechtgewezen. Hij heeft, vult hij trots aan, nooit met zijn moeder ’gepraat’, nooit gediscussieerd met haar. Als verklaring daarvoor geeft hij: „Zonder elkaar iets dergelijks te zeggen geloofden we dat de luchtige onbeduidendheid van de taal, de opschorting van de beelden niets anders konden zijn dan de eigenlijke ruimte van de liefde.”

Simpel gezegd: moederliefde heeft geen woorden nodig. Denkt de schrijvende zoon.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden