Voorwereldlijke monsters moeten niet in tuinen staan

In menige voortuin staat een apenboom. Restant van de jaren zeventig, toen ze in de mode waren. Of worden ze ook nu nog geplant?

Een week geleden hebben we besproken wat we kunnen doen om onze tuin zo ontoegankelijk mogelijk te maken voor inbrekers. Daarbij hebben we een zeer probaat middel over het hoofd gezien: de apenboom (Araucaria araucana).

Nu is, in mijn ogen althans, inbraakpreventie de enige reden waarom je zo’n gedrocht in de tuin zou willen zetten. Zeker niet voor het mooi, al schijnt een heel woud van die dingen een spectaculair gezicht te zijn. Maar goed, daar heeft de gemiddelde tuinbezitter in Almere of Breda niets aan, die heeft als het meezit net genoeg ruimte voor een zo’n boom.

Met de apenboom is het als met skiën: je vindt hem prachtig of afschuwelijk, een tussenweg is er niet. Ik houd me aanbevolen voor reacties van andersdenkende lezers, maar het enige positieve dat ik kan bedenken is dat hij het al 230 miljoen jaar volhoudt. In de prehistorie kwamen deze coniferen trouwens ook boven de evenaar voor, later waren ze alleen nog op de hellingen van de Andes in het zuiden van Chili en Argentinië te vinden.

De eerste westerling die deze merkwaardige boom met eigen ogen zag, was de Spanjaard Don Francisco Dendariarena. Dat was in 1780 en de goede man heeft blijkbaar niet veel gedaan met zijn vondst, want pas vijftien jaar later horen we er opnieuw iets over. In 1795 kreeg de Schotse scheepsarts en plantenverzamelaar Archibald Menzies tijdens een etentje in Chili een bord met onbekende zaden voorgezet. Hij nam er een paar mee aan boord en zaaide ze. Omdat een zeereis in die tijd jarenlang kon duren, waren het al flinke boompjes tegen de tijd dat zijn schip in Groot-Brittannië aanmeerde. Menzies gaf er vijf cadeau aan de Royal Botanical Gardens in Kew, waar de bomen jarenlang angstvallig onder glas werden gehouden.

Pas in 1808 durfde iemand het aan om er een paar buiten te planten. Tot ieders verrassing bleken de bomen de Europese winters prima aan te kunnen. Vanaf dat moment wilde iedereen in Groot-Brittannië zo’n aparte boom in zijn tuin hebben. Waarbij we met ’iedereen’ uiteraard de mensen bedoelen die het zich konden veroorloven. In die tijd was het namelijk gebruikelijk om met exotisch groen je mate van welstand te etaleren. Een béétje rijkaard had meerdere plantenjagers in dienst die de wereld afstruinden op zoek naar onbekende bomen en planten die andere rijkaards nog niet hadden.

De apenboom werd ’Chileense den’ genoemd, hoewel het strikt genomen geen den is. De naam ’apenboom’ heeft hij te danken aan een negentiende eeuwse grapjas, die zei dat het zelfs voor een aap een heel gepuzzel moest zijn om in zo’n boom te klimmen. Vanaf dat moment had iedereen het over de ’monkey puzzle’, wat bij ons verbasterd werd tot ’apenboom’ of ’apenpuzzel’. Daarnaast wordt hij ook apentreiter, apenschrik of apenverdriet genoemd. Of slangenden, omdat zijn kronkelige geschubde zijtakken aan slangen doen denken. Zijn wetenschappelijke naam Araucaria araucana heeft te maken met de Araucanen, een indianenstam in Zuid-Chili voor wie de zaden van de boom een belangrijke voedselbron waren.

Toen halverwege de 19de eeuw bleek dat de boom makkelijk te zaaien was, wilden ook minder gegoede lieden zo’n ding in hun tuin. Het liefst in de voortuin natuurlijk, zodat iedereen kon zien hoe apart ze wel niet waren. Al snel was er sprake van een heuse apenboomrage. Bij ons gebeurde dat in mindere mate in de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen in veel tuinen zo’n voorwereldlijk monster werd geplant.

Voorwereldlijk is hij zeker, met zijn kaarsrechte stam waaruit zware zijtakken groeien. De bladachtige naalden overlappen elkaar en bedekken de hele tak. Ze zijn taai, hebben de vorm van schubben en eindigen in een vlijmscherpe punt. De naalden blijven ongeveer vijftien jaar aan de tak zitten, daarna verdorren ze en vallen af. Na verloop van tijd worden ook de onderste takken afgestoten, zodat je een rechte stam overhoudt met bovenin een brede kroon. En toegegeven, dan ziet hij er een stuk vriendelijker uit.

In Chili en Argentinië kan de apenboom 45 meter hoog worden, bij ons half zo groot. Hij is meestal – maar niet altijd – tweehuizig, wat betekent dat mannelijke en vrouwelijke bloemen aan verschillende bomen groeien. Erg vlot is de boom niet – het kan tientallen jaren duren voordat hij gaat bloeien en na de bevruchting duurt het ook weer twee jaar voordat de zaden rijp zijn.

De apenboom voelt zich prettig op een zonnige, maar niet al te droge plek. Jonge boompjes kunnen niet tegen een snijdend koude wind en hebben bij vorst bescherming nodig. Snoei hem niet, want dan raakt hij uit model. Moet er om een of andere reden toch een tak afgezaagd worden, laat dan een klein stompje (de takaanzet) zitten, dat beperkt het bloeden. Na een tijdje stoot de boom het stompje vanzelf af. Haal ook nooit de top uit de boom, want dan komen er nieuwe groeischeuten en ziet het arme ding er helemáál niet meer uit.

Omhakken kan natuurlijk ook.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden