Voortbouwen op de traditie

Architect Sjoerd Soeters wordt door sommige collega’s verguisd om zijn gebouwen die geïnspireerd zijn door historie en traditie. „Maar zelf willen ze niet in die kale, moderne shit wonen die ze promoten.”

Het vak van architect is eigenlijk heel eenvoudig, zegt Sjoerd Soeters, als je probeert te leren van het verleden. Want waarom zou je als architect het wiel opnieuw moeten uitvinden, als er zoveel modellen zijn ontwikkeld die hebben geleid tot goed functionerende en levendige steden. „Ik pleit er niet voor modellen en stijlen uit het verleden klakkeloos te kopiëren. Maar je kunt er wel veel van leren en hergebruiken.”

En zo gebeurde het dat Soeters (1947) op een dag de stadsplattegrond van Parma in Italië erbij haalde om het gemeentebestuur van Zaanstad uit te leggen hoe het nieuwe stadscentrum ingericht moest worden. Dat er iets moest gebeuren om de verloedering en leegloop te stoppen, snapte iedereen wel. Soeters vergeleek de situatie rondom het station zelfs met Beiroet en Grozny. „Het leek er wel een oorlogsgebied, het was gewoon verschrikkelijk, zo’n armoedig zootje. Er klopte ook helemaal niets van de inrichting.” Soeters stelde voor om net als in Parma te kiezen voor heel veel bebouwing en zo weinig mogelijk openbare ruimte. Dus geen grote stadspleinen met aan de rand glimmende gebouwen met veel staal en glas. „Want waarom zou je voor staal en glas kiezen in Zaanstad met zijn eigen karakteristieke architectuur van groene houten huizen?”

Soeters pakt er in zijn kantoor in een voormalig kerkgebouw in Amsterdam een boek bij om twee plattegronden te laten zien. Alle zwarte vlakken zijn bebouwd, legt hij uit. De grotendeels zwarte plattegrond is die van het dicht bebouwde Parma. Het andere plaatje waarop het wit overheerst, is het plan dat de architect Le Corbusier maakte voor Le Saint-Dié. Soeters: „De meeste architecten willen grote open plekken zodat je hun gebouwen goed kunt zien. Wij draaien het om: veel gebouwen en weinig ruimte ertussen, zodat het al gauw druk en levendig is op straat. Daarbij is het belangrijk om zoveel mogelijk voordeuren te hebben waardoor alle functies in de gebouwen zo intensief mogelijk verbonden zijn met de openbare ruimte.”

Soeters geldt al jaren als het enfant terrible van de Nederlandse architectenwereld. Verguisd is hij om de nostalgische grachten en huizen die hij ontwierp voor het Java Eiland in Amsterdam. Om nog maar te zwijgen van de eigentijdse kastelen die hij liet bouwen in de vinexwijk Haverleij bij Den Bosch. En dan nu weer Zaanstad, dat een compleet nieuw stadshart krijgt, doordrenkt van Zaans groen – een stedebouwkundig ontwerp van Soeters. Blikvangers zijn een hotel, ontworpen door Wilfried van Winden, dat bestaat uit een opeenstapeling van Zaanse huisjes, en het stadhuis, dat Soeters heeft ontworpen als een aaneenschakeling van een aantal grote Zaanse huizen. Daarbij heeft hij de kenmerken van de lokale architectuur op een nieuwe manier toegepast.

Soeters verdiepte zich in de geschiedenis van de Zaanstreek, waar in de 17de eeuw het eerste industriegebied van de wereld ontstond, mede dankzij de uitvinding van de krukas. Die was van groot belang voor de houtzagerijen die langs de Zaan stonden, die daardoor nieuwe bedrijvigheid creëerden, zoals scheepswerven. Dat de huizen van hout werden gebouwd, sprak niet alleen voor zich vanwege de aanwezigheid van de zagerijen, maar had ook te maken met de slappe bodem. Zaanse huizen hebben van oudsher een pronkgevel. „Als je weet dat er uit de hele wereld mensen komen kijken naar de Zaanse Schans en je combineert dat met de behoefte aan een levendig stadscentrum, dan ben je toch gek als je die streekgebonden architectuur niet gebruikt? Wie komt er nu naar Zaandam om naar moderne gebouwen van staal en glas te kijken?”

De architect moest praten als Brugman om het stadsbestuur te overtuigen. „Het vertrouwen en het zelfbeeld waren zo laag. Ik heb toen een plaatje laten zien van een basiliek uit de Renaissance, de Santa Maria Novella in Florence van Leon Batista Alberti, die ook een pronkgevel heeft in de vorm van een hele dikke façade. Kijk, zei ik, we gaan niet de Zaanse huisjes kopiëren, we gaan de ideeën van Alberti gebruiken om voor het stadhuis een pronkgevel te maken.”

Een ander kenmerk van Zaanse huizen is dat uit allerlei stijlen en tijden elementen zijn overgenomen. Die eclectische lijn heeft Soeters ook doorgetrokken in de gevels van het stadhuis door elementen uit ontwerpen van internationaal vermaarde architecten als Rossi, Venturi, Piano, Pei en Natalini toe te passen. „Dat is toch ook een vorm van hergebruik.” De architect heeft in het stadhuis meer typisch Zaanse symbolen verwerkt. Zo heeft het balkon waar pasgetrouwden kunnen verschijnen een balustrade van twee zoenende walvissen, weg gezwommen uit het Zaanse stadswapen.

De andere architecten die meewerken aan het nieuwe stadscentrum, moesten vooraf beloven karakteristieke Zaanse elementen te verwerken in hun ontwerp. „Natuurlijk heeft iedereen daar een eigen draai aan gegeven. Zo begon Liesbeth van der Pol (de rijksbouwmeester, red.) aanvankelijk met een halsgevel met krullen, maar ze is daar later op teruggekomen. Toch roept de verspringende gevel die ze heeft ontworpen Zaanse associaties op, onder meer door het in groen en wit uitgevoerde metselwerk.”

Soeters maakt zich inmiddels niet meer druk, zegt hij, over de voorspelbare kritiek van collega’s ’die zweren bij strakke moderne glazen dozen’. „Eén van de belangrijkste dingen in de architectuur is voor mij dat gebouwen tot leven komen en dat mensen er met plezier verblijven. Dat is nog lang niet gemakkelijk, hoor.” In de Nederlandse architectuur is men naar zijn smaak veel te lang doorgegaan met het ’gedachtenloos kopiëren’ van de ontwerpen van beroemde voorgangers als Le Corbusier en Mies van der Rohe. Daar komt bij dat veel architecten zo geobsedeerd zijn door hun gebouw, dat ze de woonomgeving uit het oog verliezen. „Die zuivere, strakke, ideale architectuur die zij willen, heeft niets te maken met het leven en voorkomt zelfs vaak dat er leven ontstaat. Modernisten zouden het liefst een hele nieuwe wereld maken en geloven ook in een nieuwe mens. Maar dat is een verkeerd uitgangspunt. De continuering van de geschiedenis is het belangrijkste en ook duurzamer. Daarbij moet je overigens wel goed nadenken over wat je wilt gebruiken. Het ergert me dat er vaak zo meesmuilend wordt gedaan over meer traditionele vormen van architectuur. Maar die critici wonen opvallend vaak in 17de-eeuwse grachtenpanden of rustieke optrekjes zoals koetshuizen en oranjerieën in Aerdenhout en Bloemendaal. Zelf wonen ze niet in die akelige, kale moderne shit die ze promoten.”

Maar geldt zijn kritiek niet evenzeer voor architecten die klakkeloos bouwstijlen uit de jaren dertig kopiëren, omdat die nu zo populair zijn onder huizenkopers?

„Laat ik voorop stellen dat het neotraditionalisme in de architectuur geen modegril is. Het is een reactie op een teveel van hetzelfde, de bloedeloze kaalheid die de architecten in het naoorlogse Nederland hebben geproduceerd. Er is verlangen naar meer traditionele vormen, huizen die op huizen lijken – doordat ze daken hebben en als zodanig herkenbare ramen, voordeuren en schoorstenen. Dat is een behoefte die als je hem serieus neemt, tot hele mooie architectuur kan leiden. In elke opvatting kun je ’slecht’ en ’goed’ bouwen, dat hangt van je kwaliteit als architect af. Wat met de moderne architectuur is gebeurd, gebeurt nu inderdaad ook met de retroarchitectuur. Je kunt naar mijn smaak niet klakkeloos een Haagse wijk uit de jaren dertig kopiëren in een polder bij Dordrecht. En eindeloos gereproduceerde notarishuizen, dat is het ook niet.”

Maar hoe zit het dan met de kastelen die hij ontwierp bij Den Bosch. Wat moeten die op het Brabantse platteland?

Soeters: „De eerste keer dat ik die locatie zag, moest ik meteen aan Slot Loevestein denken. Vroeger doken er in het Nederlandse rivierenlandschap ook kastelen en forten op. Ik heb gezocht naar aansluiting bij de streekgeschiedenis, zonder dat ik die terug wilde bouwen. Maar het model van wonen in een boerderijtje op het Brabantse land is niet meer aan de orde, want dan moet je groene vingers hebben en veel tijd om de tuin te onderhouden. Zo kwam ik op het idee om moderne kastelen te bouwen, vanwaar je kunt uitkijken over en genieten van het land. Door de woningen te concentreren in een vesting, houd je ook nog eens heel veel groen over.”

Soeters hoopt dat de crisis die de architectenwereld zwaar heeft getroffen – het bureau Soeters Van Eldonk moest ook dertig procent inkrimpen – zal leiden tot een herbezinning en wezenlijke veranderingen. „Ik hoor nu dat architecten de CO2-uitstoot kunnen oplossen, maar daar geloof ik niet in. Ik denk dat het hergebruik van steden en landschappen een veel belangrijker bijdrage kan leveren. We moeten veel bewuster nadenken over wat we kunnen gebruiken uit het verleden. Maar om te beginnen moet het onderwijs op de schop. Daar zal meer aandacht moeten komen voor het bestuderen van de architectuurgeschiedenis en modellen die succesvol zijn gebleken. Studenten moeten niet opgeleid worden met het gevoel dat ze een ster worden. Laat ze eerst maar eens leren hoe je voor gewone mensen hele gewone gebouwen kunt ontwerpen, waarin ze met plezier verblijven. Ach, eigenlijk is architectuur heel eenvoudig als je probeert te leren van het verleden. Ik zeg altijd maar: zie het leven als een rivier die stroomt. Ga niet proberen er een dam in te leggen om een zijkanaal te kunnen graven.”

Meer informatie: www.soetersvaneldonk.nl

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden