Voorspellen kan wél

Hoe ziet de – verre – toekomst eruit? Veel verder dan speculatie komen we vaak niet, maar historicus Frank Ankersmit vindt in onverwachte hoek zinnige scenario’s: die van de sciencefiction.

Hoewel God de natuur schiep – hemel en aarde, planten dieren – verloor Hij daar al snel zijn belangstelling voor. Die voldeed blijkbaar geheel aan Zijn verwachtingen. Goddelijke ingrepen in de natuur waren niet meer nodig. Daarom heeft de natuur in het bijbelverhaal ook geen geschiedenis. Dat was anders met Gods laatste schepping, de mens. Daarmee heeft God wel heel wat te stellen gehad. Het begon er al meteen mee dat de mens at van de Boom der Kennis, terwijl God hem dat nu juist nadrukkelijk verboden had. Verder heeft de mens een onuitroeibare neiging tot zondig en goddeloos gedrag. Het optreden van Gods eniggeboren Zoon bleek nodig om weer enige orde te krijgen in de relatie tussen God en mens. Maar ook daarna bleef het tobben, zoals wij weten. Over die moeizame relatie tussen God en zijn slechtst gelukte schepping – de mens – viel dus wel heel wat te vertellen. Dat gebeurde in de Bijbel. Maar de Bijbel zwijgt over de natuur, want die heeft vanuit het perspectief van de Bijbel geen geschiedenis.

Na alle wetenschappelijke ontdekkingen van de laatste driehonderd jaar zien we het heel anders. We weten nu dat het universum dertien miljard jaar geleden uit de Big Bang ontstond, dat de aarde zo’n vijf miljard jaar oud is, het leven ongeveer de helft daarvan en dat de mens van de apen afstamt. De geschiedenis van de natuur is dus pas echt het grote geschiedverhaal en de geschiedenis van de mens is er maar een piepklein en verwaarloosbaar onderdeeltje van.

Maar er zijn mensen die nog steeds vasthouden aan dat achterhaalde model van het bijbelverhaal. Dat zijn de historici. Die gaan er nog steeds vanuit dat de geschiedenis van de natuur en die van de mens niets met elkaar te maken hebben. Zij ontkennen die natuurgeschiedenis niet, maar zeggen dat hen dat als historici niet aangaat. Zij laten de geschiedenis drie- tot vierduizend jaar voor Christus beginnen en zien de natuur – ook de menselijke natuur – als een ahistorische en onveranderlijke realiteit waar je je niet om hoeft te bekommeren. Zelfs historici die niets ophebben met religie of de Bijbel, hanteren zonder het te weten dus nog steeds de systematiek van het bijbelverhaal.

Maar de laatste jaren begint dat in de geschiedbeoefening te veranderen. Je kunt daarbij denken aan Jared Diamonds bestseller ’Guns, germs and steel’ (1997) waarin wordt aangetoond hoezeer het ontstaan van de beschaving bepaald werd door klimaat, gewassen en diersoorten. Onze geschiedenis is hier veel meer een product van de natuur dan van de mens. Of denk aan Günther Dux, die in zijn ’Geschlecht und Gesellschaft’ (1994) onze liefdegevoelens, zoals bezongen door Homerus, Shakespeare of Goethe, verklaart uit enkele banale evolutionaire gegevens over homo sapiens.

Helemaal onthutsend is Richard Dawkins’ ’The selfish gene’ van een jaar of twintig terug, Hierin is de mens niets anders dan het wegwerpartikel waarvan onze genen gebruikmaken om zichzelf te vervolmaken. Niet ’wij’ maken de geschiedenis, maar onze genen doen dat; en die hebben een heel ander en veel beslissender soort van geschiedenis op het oog dan ’wij’. Zo verschijnen er de laatste jaren ook talloze boeken en artikelen over de vraag hoe biologische kenmerken van de menselijke soort de randvoorwaarden vastleggen waarbinnen de menselijke geschiedenis zich kon ontvouwen. Geschiedenis wordt hier de geschiedenis van de species mens – en daarmee geschiedenis van de biologie of de natuur.

Deze nieuwe vorm van geschiedschrijving heet ’wereldgeschiedenis’; en het idee is hier inderdaad dat je de menselijke geschiedenis vooral moet zien als een onderdeel van de geschiedenis van de natuur. Het Romeinse Rijk, de Franse revolutie of de Holocaust verliezen hun belang in vergelijking met de geschiedenis van het leven, van het klimaat, van de evolutie van de mens, van zijn hersenen, van de domesticatie door de mens van planten- en diersoorten, van genetische diversiteit, vruchtbaarheid of van de draagtijd voor de geboorte. Wereldgeschiedenis geeft een heel ander beeld van het verleden dan we gewend zijn: Europa speelt er geen rol meer in en afzonderlijke menselijke individuen als Caesar of Napoleon al helemaal niet. Het is een geschiedenis zonder menselijke actores; een radicaal niet-humanistische geschiedenis, om zo te zeggen.

Wereldgeschiedenis vertelt ons niet alleen een verhaal over het verleden dat we nooit hoorden, ook onze toekomst krijgt er andere, en vooral veel helderder contouren door. Binnen de kaders van de traditionele geschiedenis kon je eigenlijk niets zinvols over de toekomst zeggen. Wat zijn de toekomstige consequenties van de morele, politieke en economische aftakeling van de VS en van de opkomst van China? Zal de EU een verdeeld huis blijven of een echte eenheid worden? Krijgen we nog een derde wereldoorlog? Wie het weet, mag het zeggen.

De filosoof Karl Popper heeft ook het onweerlegbare bewijs geleverd van die onvoorspelbaarheid van de toekomst. Dat gaat zo. Allereerst, de stand van wetenschap en technologie bepalen in belangrijke mate iedere fase in de geschiedenis. Zo heeft de uitvinding van de explosiemotor de menselijke samenleving ingrijpend veranderd. In de tweede plaats, de toekomstige stand van wetenschap en technologie is nooit voorspelbaar. Want was dat wel zo, dan hadden we die toekomstige wetenschappelijke en technologische kennis nu al en was dat dus geen toekomstige kennis. Tel dit bij elkaar op en je weet dat de toekomst van de mensheid nooit te voorspellen is.

De wereldgeschiedenis kan dat wél. Vanuit dat perspectief zijn twee scenario’s denkbaar. Het eerste is het eenvoudigst. De gedachte is hier dat de mensheid uit de natuur voortkwam en dan het lot zal delen van alles in de natuur, van eendagsvliegje tot zonnestelsels: alles ontstaat en verdwijnt uiteindelijk. Dat heeft iets moois en bevredigends. Denn alles was entsteht, ist wert das es zugrunde geht, zoals Goethe het in zijn ’Faust’ heel compact uitdrukte.

Dat was het al het model in Camille Flammarions boek ’La fin du monde’ (1894): een fascinerender boek heb ik mijn jeugd niet gelezen. Bij Flammarion gaat het om een komeet die in ergens in de 26ste eeuw met de aarde zal botsen en met zijn koolmonoxide de dampkring zal vergiftigen. Maar het bleek in de praktijk allemaal erg mee te vallen. De klap van de botsing was niet zo groot en de koolmonoxide eiste minder slachtoffers dan gevreesd. Volgens de eerste berichten was de rooms-katholieke kerk (waar Flammarion een grote hekel aan had) het ernstigste slachtoffer doordat een brokstuk van de komeet precies op het Vaticaan neerviel. Daar waren juist alle kardinalen in concilie bijeen om het dogma van de goddelijkheid van de paus vast te stellen. Nu de paus en alle kardinalen dood waren, kon geen nieuwe paus meer gekozen worden – het einde van de rk-kerk. Maar ook dat bleek mee of tegen te vallen, afhankelijk van hoe je over de kerk denkt.

Maar de mensheid zou zijn lot niet ontlopen: „het leven op aarde is geboren; het moet dus noodzakelijk sterven”, aldus Flammarion. Hij zag dat over tien miljoen jaar gebeuren, doordat de waterdamp – die de warmte van de zwakker wordende zon vasthield – uit de lucht verdween. In feite dus het omgekeerde van de global warming die de ecologen nu zozeer vrezen.

Het laatste mensenpaar, Omegar en Eva, wordt in hun laatste omarming benaderd door de geest van de farao Cheops die hen naar een nieuwe wereld, namelijk Jupiter, voert. Het is uitstel van executie: ook Jupiter deelt uiteindelijk in het lot van de aarde. En zo kwam er toch een einde aan de mensheid, in overeenstemming met de universele natuurwet dat wat een begin heeft, ook een einde hebben zal.

Nu het tweede en interessantere scenario. Zie je de menselijke geschiedenis als onderdeel van de geschiedenis van de natuur, dan lijkt er op het eerste gezicht geen alternatief voor Flammarions model. En het vereiste daarom het genie van Hegel (1770-1831) om toch nog een andere optie te ontdekken. Het aardige van Hegel is dat hij een middenpositie kiest tussen het bijbelse standpunt (de mensengeschiedenis staat buiten de natuur) en dat van Flammarion (de mens is een onbelangrijk tussenspel binnen de grote natuurgeschiedenis).

Hegel ent de menselijke geschiedenis op die van de natuur. En hij doet dat door de geschiedenis van de mens te laten evolueren tot geschiedenis van de natuur. De mens wordt in de natuur opgenomen en daarmee zelf natuur, om zo te zeggen. Aldus overbrugt Hegel de afstand tussen de geschiedenis van de mens en die van de natuur.

Hegels sleutelbegrip hier is ’bewustwording’. Het unieke van de mens is dat hij zich bewust is van de wereld buiten hemzelf. Dat komt nergens anders voor. Atomen en moleculen zijn zich niet bewust van de wereld, planten ook niet en dieren maar tot op zekere hoogte. Alleen de mens heeft een wonderspiegel tot zijn beschikking waarin heel de wereld, heel het universum, met al zijn geheimen zich weerspiegelen kan. Anders gezegd: eerst in de mens kunnen wereld en universum komen tot zelfinzicht, tot een bewustwording van zichzelf.

Maar, zo gaat Hegel verder, het is eigen aan bewustwording dat het leiden moet tot een versmelting met datgene waar het bewustwording van is. Noem datgene waarvan we ons bewust worden B, en onszelf A. Zolang wij – A dus – nog niet geheel met B versmolten zijn, moet B onvermijdelijk nog iets hebben wat voor ons vreemd en onherkenbaar is. Pas wanneer A en B – mens en universum – geheel met elkaar versmolten zijn, pas dán kan sprake zijn van een volledige zelfbewustwording van het universum in, en door de mens. Anders gezegd: het aangeboren streven tot bewustwording van het universum leidt tot een identificatie ermee. Door die opdracht van bewustwording wórdt de mens uiteindelijk het universum. En dan heeft hij aan de natuur, aan het universum, ook de dimensie van het zelfinzicht toegevoegd. Want dat bezat de natuur zelf niet. Dat is volgens Hegel de welhaast goddelijke bestemming van de mensheid.

Dat zijn allemaal hele grote woorden en de vraag is wat je je bij dat alles nu in concreto voor moet stellen? Hegel zelf liet zich daar niet over uit omdat je naar zijn mening alleen maar in de meest algemene en meest filosofische bewoordingen over die uiteindelijke bestemming van de mens kan spreken.

Toch zijn er antwoorden – die ik in onverwachte hoek vind: die van de sciencefiction. In romans van Sir Arthur Clarke (1917-2008), verreweg de beste sciencefictionschrijver.

Het basispatroon vind je in ’2001. A Space Odyssey’ (1968), door Stanley Kubrick indrukwekkend verfilmd. Het idee is hier dat we nu al protheses hebben voor geamputeerde ledematen en dat gaandeweg de wetenschap al onze kwetsbare en sterfelijke lichaamsdelen door iets soliders zal vervangen. Uiteindelijk ook onze hersenen. De kloof tussen geest en materie lijkt dan overbrugd. Dat gaat zeker in de richting van wat Hegel op het oog had.

Maar Hegel zou hiermee nog niet tevreden zijn. Hij zou er op wijzen dat we met onze soliedere ledematen toch nog altijd onszelf blijven en nog steeds niet in het universum, in de natuur zijn opgegaan.

Dat brengt Clarke tot een volgende stap in zijn roman ’Childhood’s End’ (1964). Stel je ieder individueel mens voor als een geïsoleerd eiland omringd door de oceaan, zegt hij. Haal je nu die oceaan weg, dan worden al die afzonderlijke eilanden met elkaar verenigd door de zeebodem waar ze allemaal aan vastzitten. Ze zijn een eenheid geworden. Zo zou het volgens Clarke ook met onze individualiteit gaan. Maar zelfs dan zijn we er nog niet. Want is er nog steeds een kloof tussen enerzijds die alomvattende bewustwording en datgene waar die bewustwording een bewustwording van is.

Ook die kloof moet gedacht worden, willen we komen waar Hegel ons hebben wil.

Ook daarin voorziet Clarke. ’Childhood’s End’ eindigt met de versmelting van alle kinderen in zo’n allesomvattend bewustzijn. De geest van kinderen heeft nog de vereiste plooibaarheid; met volwassenen gaat dat niet meer. En dan blijkt dat dat ’bewustzij n’ meer is dan alleen maar een bewustwording van de natuur: het gaat zich namelijk ook met de natuur bemoeien. De laatst overgebleven mensen zoals u en ik zijn daar getuige van. Clarke constateert dat dat ’bewustzijn’ iets met de zwaartekracht uithaalt: die lijkt te verdwijnen. Verder begint de hele zichtbare wereld – gebouwen, de grond, de bergen et cet e ra – doorzichtig te worden. Een gloed begint van onderen te schijnen: het is de verschroeiende hitte van de aardkern. De gloed wordt sterker, sterker, en sterker . dan breekt het verslag af: de laatste mens werd met de aarde verzwolgen door het bewustzijn dat de kloof tussen zichzelf en de natuur overbrugde.

En nu zijn we waar Hegel ons hebben wil. Bewustwording van de natuur ging hier over in een identificatie of eenwording met de natuur. Immers, het bewustzijn kan hier klaarblijkelijk met de wetten van de natuur en die naar zijn hand zetten. De oversteek van bewustwording naar waar het bewustwording van is, werd hier dan gemaakt. De mens is hier natuur geworden. Maar hij heeft aan de natuur wel zijn meest uitzonderlijke eigenschap – namelijk het vermogen tot bewustwording – toegevoegd; dat is zijn unieke bijdrage. Het lot van de natuur is nu ook dat van de mens: de mens participeert in de oneindigheid van het universum. Aldus komt een huwelijk tot stand tussen mens en natuur, waarin de natuur haar eeuwigheid inbrengt en de mens de dimensie van het zelfbewustzijn. Er valt zeker veel voor te zeggen dit ’God’ te noemen. Zij het dat God hier dan niet staat aan de aanvang der dingen maar pas aan het einde daarvan. God is hier niet onze oorsprong, maar onze bestemming. En God is hier niet de ander, maar wijzelf in ons toekomstig verbond met de natuur.

Arthur Clarke heeft nog een laatste fascinerend inzicht. Hij zinspeelt erop dat de mens zich van deze uiteindelijke bestemming altijd vagelijk bewust was. Het is daarom alsof hier sprake is van een herinnering – niet aan het verleden, maar aan de toekomst.

De geschiedenis staat hier als het ware op haar kop; het heden is niet zozeer doortrokken van het verleden, maar van de toekomst. En dan kunnen we iets van de toekomst aflezen uit onze bewustwording van het heden. De huidige belangstelling voor wereldgeschiedenis is in dit verband interessant. Daar gaat het immers ook om het opnemen van de menselijke geschiedenis in de geschiedenis van de natuur en dat gaat dus de kant uit van hoe Hegel (en Clarke) zich de toekomst van de mensheid voorstelden. De wending naar de wereldgeschiedenis is daarom te zien als een voorafschaduwing van hoe in de toekomst het lot van de mens verweven raken zal met dat van het universum. Het fundament van de religie ligt dan niet in het ’er was eens’, maar in het ’er zal zijn’.

Dat is ook het scenario van Harry Jansens indrukwekkende ’Triptiek van de Tijd’ (2010) – een boek dat veel van bovenstaande samenvat. De centrale categorie in dit boek is het tijdsbegrip. Dat is inderdaad het begrip waarbinnen de menselijke ervaring van de geschiedenis en de geschiedenis van het universum in elkaar vervloeien. De tijd is enerzijds uitdrukking van menselijke subjectiviteit, maar anderzijds de enige categorie in termen waarvan wij oorsprong en lot van heel het universum verwoorden kunnen. Onze eigen subjectieve tijdservaring is daarom de op mensenmaat gesneden anticipatie van hoe wij opgenomen zullen worden in de geschiedenis van het universum. Of, zoals Jansen het zelf krachtig verwoordt in een van de meest diepzinnige passages van zijn boek: „de tijd heeft als doel op te gaan in de eeuwigheid. Tegelijkertijd is de tegenwoordige tijd, waarin verleden, heden en toekomst zich voltrekken, een onvolmaakte voorafschaduwing daarvan.” Beter en compacter valt het niet te verwoorden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden