Voornemen: meer oog voor de feiten

2010 was het jaar van naderend onheil. Maar veel Jobstijdingen waren achteraf nogal overtrokken. Deel 1 van een serie over optimisme.

Nog even en het jaar zit er weer op. Voor velen zal het een opluchting zijn, want het was bepaald geen pretje. Somberheid troef in de krant en op televisie. Grote woorden zijn er gebruikt om maatschappelijke ontwikkelingen te duiden – en in één moeite door af te serveren.

Welke apocalyptische visioenen hebben we allemaal voorbij zien komen? De wederopstanding van het fascisme (Rob Riemen, onder vele anderen), het einde van de beschaving (Freek de Jonge over de bezuinigingen op kunst en cultuur), de verhuftering van de samenleving (Bas van Stokkom en Anil Ramdas). Dit zijn slechtst de meest uitgesproken pejoratieven die de revue zijn gepasseerd; de lijst was nog vele malen langer. Tezamen zorgden ze voor een aardig vijf-voor-twaalfsfeertje.

Eenzelfde beeld ontstaat bij het raadplegen van de krantenbank van LexisNexis, met daarin alle krantenartikelen van het afgelopen jaar in digitale vorm. Tik het woord ’crisis’ in en je krijgt zo’n 1800 treffers – alleen al in Trouw welteverstaan. En die verwezen echt niet allemaal naar de perikelen bij Ajax. Stel je voor: elke dag zes keer bij het ontbijt om de oren geslagen worden met de vermeende crisis.

Met andere woorden: 2010 was het jaar van het naderende onheil, voor zover dat al niet was gearriveerd. Geen gekke conclusie als je afgaat op de vele jobstijdingen. Maar daar ligt meteen ook de moeilijkheid. Die jobstijdingen waren bij nader inzien vaak nogal overtrokken. In één zin: de soep werd lang niet zo heet gegeten als hij werd opgediend. En dat is nog zacht uitgedrukt.

Leerzaam in dit verband was het interview dat deze krant in het najaar had met de Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama. Gold de auteur van ’The End of History’ and ’The Last Man’ tot voor kort als één van de meest hoopvolle denkers van de laatste twee decennia, van deze monterheid was in het vraaggesprek weinig meer over. De teneur: het schort westerse democratieën aan vertrouwen – vertrouwen in instituties, in de overheid en in elkaar. Nederland zou in rap tempo zijn verworden van een high trust society tot een land gedomineerd door wantrouwen.

Hoe vaak hebben we deze en verwante analyses al niet gehoord? De associatie met een grijsgedraaide langspeelplaat dient zich aan. Het is eerder de vraag wie er níet van overtuigd is dat het vertrouwen aan het verkruimelen is.

En toch waren die mensen er, onder meer bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Toevallig verscheen voorafgaand aan het bezoek van Fukuyama een persbericht van het CBS. Onderwerp: het vertrouwen in Nederland. Wat bleek? 64 procent van de bevolking had vertrouwen in de medemens (terwijl dat in 2002 nog 58 procent was).

Wellicht nog opmerkelijker was de uitkomst dat bijna nergens in Europa het vertrouwen in de politiek zo groot was als hier. Natuurlijk kunnen de scores altijd hoger. Maar van een teloorgang van de high trust society, zoals Fukuyama die meent te ontwaren, is echt geen sprake.

Ook bemoedigend was een recente publicatie over de sociale cohesie. Deze laat zien dat Nederlanders Europees kampioen vrijwilligerswerk zijn. Meer dan een derde van de bevolking verricht werkzaamheden zónder daarvoor te worden beloond.

Dat de Nederlander niet de overspannen egomaan is waarvoor hij vaak wordt gehouden, bleek trouwens al aan het begin van het jaar na de aardbeving op Haïti. De nationale inzamelingsactie die er op volgde leverde bijna 115 miljoen euro op. Dan blijkt het vervolgens weer modieus om de motieven om te geven in twijfel te trekken, maar feit is dat die euro’s er toch maar mooi kwamen.

En als het nu bij deze ene casus was gebleven Maar op vergelijkbare manier werden in 2010 andere mythes doorgeprikt, of tenminste fors gerelativeerd.

Zo zou van de politieke invloed van de PVV een polariserend effect uitgaan en de ene bevolkingsgroep tegenover de andere opzetten. Meerdere politici hielden ons dit sombere visioen voor. Opnieuw is er weinig empirisch bewijs voor deze breed aanvaarde stelling. Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft dit onderwerp onderzocht. Conclusie: ’In het algemeen kun je zeggen dat er geen relatie is tussen wat er op kabinetsniveau gebeurt en verhoudingen in de samenleving.’

Nee, voor een morele faillietverklaring van de maatschappij is het echt te vroeg. Ofwel: stelling gefalsifieerd.

Dankzij de filosoof Karl Popper weten we dat we niet op zoek moeten naar almaar meer voorbeelden die onze theorieën onderbouwen, maar juist de tegenvoorbeelden moeten koesteren. Ervan overtuigd dat alle zwanen wit zijn? Richt je juist op die ene zwarte. Dit is ook de functie van de onderzoeken van het CBS en SCP: die van zwarte zwaan. Zo zouden ze althans moeten fungeren.

2010 was dus niet het annus horribilis waarvoor het werd gehouden. Maar wat is dan de moraal van het verhaal? Dat we volgend jaar optimistischer moeten zijn? Niet per se.

De berichten hierboven zijn zonder meer opbeurend, maar als we een goed voornemen voor volgende jaar willen formuleren, dan zou dat anders moeten luiden: iets meer oog voor de feiten. Een dosis zakelijkheid zou het publieke debat goed doen. Dat voorkomt dat we ons in 2011 opnieuw op sleeptouw laten nemen door onheilsprofetieën die zijn losgezongen van de realiteit.

Dit is de eerste aflevering van een korte serie waar auteurs positieve ontwikkelingen voor het komende jaar beschrijven. Vrijdag: schrijfster Maartje Wortel (1982).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden