Voorlopig is het nog wachten op succes van samen trainen

centralisatie | analyse | Dat de bond bepaalt welke route een zwemmer aflegt, kan iets benauwends hebben. Hoe mooi de plannen ook zijn.

Het klinkt zo simpel: laat de besten in hun sport samen trainen, dat moet wel tot vooruitgang en succes leiden. Maar plannen voor een dergelijke centralisatie zorgden in het judo al voor weerstand, en nu zijn ook in het zwemmen twijfels gerezen. De centralisatie in die sport, met eerst drie en nu twee nationale trainingscentra, leverde op de Olympische Spelen in Rio geen enkele medaille op in het zwembad. In een open brief aan de bond stellen tien prominente coaches een terechte vraag: levert het systeem met nationale en regionale trainingscentra het succes op dat bij de invoering is beoogd? Of hadden sterke verenigingen dat ook kunnen doen?

Tegenwoordig is het zo dat getalenteerde zwemmers hun vereniging verlaten als ze goed worden. Clubcoaches worden bedankt voor hun inzet en de zwemmer vervolgt zijn weg naar de top in een nieuwe omgeving met een andere coach die weer nieuwe ideeën heeft. Verenigingen vieren doorgaans geen feest als hun zwemmers de overstap maken naar de plek waar de grote beloften trainen. Als trainer leer je nooit meer dan wat je al kent, omdat je zwemmers niet verder kan begeleiden. Tegelijkertijd verliest de jeugd bij de vereniging een groot voorbeeld en neemt het gemiddelde niveau af omdat er een topper weg is.

Beter overleg

Dat veel coaches door het land het gevoel hebben dat de KNZB een machtsorganisatie is waarbij afwijkende inzichten en keuzes niet worden gewaardeerd of openlijk worden tegengewerkt, maakt de onvrede bij de verenigingen er niet minder op. Een deel van de oplossing zou kunnen liggen in beter overleg in de regio's. Nu is het soms zo dat clubs die in hetzelfde bad trainen als de groep van het regionale trainingscentrum daardoor overvolle banen hebben. Door een betere afstemming in de tijden dat er getraind wordt, kan dat voorkomen worden.

Natuurlijk zitten er ook positieve kanten aan centralisering. Door kennis samen te voegen, worden krachten gebundeld. Eindhoven is met het Innosportlab, waarbij embedded scientists naast de rand van het bad fulltime werken om zwemmers en coaches van video-analyses te voorzien, een internationaal voorbeeld.

Het idee van een professioneler trainingsklimaat ontstond halverwege de jaren negentig. Een aantal bevlogen ouders van getalenteerde zwemmers die bij de Eindhovense club PSV trainen, richtte na de teleurstellende Spelen van Barcelona (1992) de Stichting Topzwemmen Zuid-Nederland op. Via sponsors werd geld opgehaald om onder meer coaches beter te betalen. Na vijf gouden olympische medailles in Sydney kopieerden andere steden dit voorbeeld met semi-professionele ploegen, gesteund door bedrijven.

Toen succestrainer Jacco Verhaeren in 2006 technisch directeur werd bij de KNZB, werden deze teams ondergebracht in nationale trainingscentra onder de vlag van de bond. Een logisch gevolg was de oprichting van opleidingsplekken in het hele land, de regionale trainingscentra. Twee jaar later waren ze een feit.

Magere aanwas

Van vereniging naar regionaal en later nationaal trainingscentrum naar olympisch succes. Het is op papier een ideaalplaatje, maar de aanwas is voorlopig mager. De huidige generatie topzwemmers met als kopvrouw Ranomi Kromowidjojo heeft veelal een ander traject doorlopen, zonder tussenstap bij een regionaal trainingscentrum. De centralisatie heeft in ieder geval niet gezorgd voor een enorme aanwas van jonge talenten, want die zijn er amper. Alle hoop is nu gevestigd op de 16-jarige Marrit Steenbergen, de beoogde opvolgster van Kromowidjojo.

Terug naar de vraag van de trainers. Centralisatie of decentralisatie? In de praktijk ontstaan vaak mengvormen. In Denemarken, een land dat het met slechts 5,6 miljoen inwoners relatief goed doet in het zwembad, is één nationaal trainingscentrum. Van de vijftien zwemmers die in Rio in actie kwamen, trainden er buiten de structuur van de bond vijf in de Verenigde Staten en drie bij lokale clubs.

Dat de bond bepaalt welke route je aflegt, kan iets benauwends hebben. Die ervaring hadden ook veel Nederlandse topzwemmers, die hun toevlucht zochten in het buitenland. Sharon van Rouwendaal wilde meer trainen en koos voor de Fransman Philippe Lucas, met olympisch goud in het open water van de Copacabana als gevolg. Hoe mooi plannen ook zijn en hoe gerenommeerd de opsteller (Jacco Verhaeren) ook is, veel valt of staat in de sport met het van nature gegeven talent. Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn en Ranomi Kromowidjojo waren in elk systeem goed geworden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden