’Vooral inzetten op vrouwensporten’

De hockeyvrouwen, in Peking goed voor goud, profiteren van de grote ¿competitiedichtheid¿. (FOTO ROBERT VOS, ANP) Beeld
De hockeyvrouwen, in Peking goed voor goud, profiteren van de grote ¿competitiedichtheid¿. (FOTO ROBERT VOS, ANP)

Nederlandse sportvrouwen profiteren bovengemiddeld van financiële steun, goede faciliteiten en een grote ’competitiedichtheid’.

Slechts eenmaal stond Nederland op Olympische Spelen in de toptien, in 2000 in Sydney. Dat was te danken aan drie uitmuntenden sporters in twee disciplines.

Inge de Bruijn, Pieter van den Hoogenband en Leontien van Moorsel waren verantwoordelijk voor de halve medailleoogst. Zij wonnen in de traditioneel succesvolste Nederlandse zomersporten: zwemmen en wielrennen.

Die smalle basis is zowel de kracht als de zwakte van het Nederlandse topsportmodel, dat afhankelijk is van een klein aantal sporten. Tegelijkertijd wordt het beschikbare geld over meer sporten verdeeld dan in concurrerende landen.

Dat concludeert professor Maarten van Bottenburg, bijzonder hoogleraar sportontwikkeling, in ’Op jacht naar goud. Het topsportklimaat in Nederland, 1998-2008’. Het onderzoek verschijnt in februari.

In Zomer- en Winterspelen bij elkaar wint Nederland vanaf 1948 96 procent van de medailles in negen sporten: schaatsen, zwemmen, wielrennen, roeien, judo, paardensport, hockey, atletiek en zeilen.

Voor goud zijn dezelfde sporten verantwoordelijk, zij het in licht afwijkende volgorde. De prominente rol van atletiek is toe te schrijven aan het legendarische kwartet van Fanny Blankers-Koen in 1948.

Ook stelt Van Bottenburg vast dat Nederland goed is in nieuwe sporten, „waarin we na verloop van tijd weer worden ingehaald. In echt ver ontwikkelde sporten kunnen wij bijna de top niet meer halen, daar moet je een traditie voor opbouwen. Wat dat betreft zijn de zwemprestaties heel bijzonder. Daar liggen misschien zelfs kansen voor de mannen, nu er een goede structuur wordt opgebouwd.”

De prestatieverschillen tussen mannen en vrouwen zijn grotendeels toe te schrijven aan twee takken van sport: zwemmen (vrouwen dik in de plus) en schaatsen (mannen dik in de plus). „Dat maakt het lastig om de verschillen aan bredere maatschappelijke ontwikkelingen toe te schrijven. Dan zou je verwachten dat die zich over de gehele linie of in elk geval systematischer zouden voordoen.”

Van Bottenburg vergeleek het topsportklimaat in Nederland met dat van Engeland, België, Italië, Noorwegen en Canada. „Daarin had Nederland relatief gezien de beste prestaties onder vrouwen. Maar het zijn geen dusdanig grote verschillen, dat ze de vraag rechtvaardigen of Nederland een cultuur heeft waarin vrouwen op topsportgebied beter gedijen. Maar als de huidige ontwikkeling doorzet, wordt het wél een interessante vraag.”

Van Bottenburg denkt niet dat de verklaring voor de verschillen liggen in trainingsarbeid. Vrouwen blijken in alle onderzoeksgroepen (A- en B-status, valide, invalide) meer te trainen. Bij de valide sporters met een A-status is het verschil 22 versus 23 uur per week. „Dat is te gering om als serieuze verklaring voor de verschillen in olympische successen aan te voeren.”

Ook moeten we het niet zoeken in de weg naar de top. Dr. Jacques van Rossum, bewegingswetenschapper aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, volgde van 1995 tot 2004 jeugdige sporters. Hij signaleerde geen verschil in uitval van talent bij jongens en meisjes. Die is in beide groepen zeer hoog.

Ook ligt het niet aan de motivatie waarmee talenten hun sport bedrijven. Die is in beide groepen vooral gericht op het ontwikkelen van de eigen prestaties. Het motief om tegenstanders te verslaan is daaraan ondergeschikt.

De goede faciliteiten om in Nederland topsport te bedrijven, de hoge ’competitiedichtheid’ en de financiële bijdragen van NOC-NSF lijken de verklaring voor het prestatieverschil. Vrouwen profiteren daar in Nederland bovengemiddeld van, en meer dan mannen.

Het percentage mannen en vrouwen dat in Nederland sport beoefent is gelijk. In de competitiesport hebben vrouwen een aandeel van eenderde.

Van Bottenburg: „In vergelijking met andere landen zit Nederland daarmee aan de top, met de Scandinavische landen. Naarmate je zuidelijker komt in Europa neemt het percentage vrouwen dat aan sport doet sterk af. Dat geldt ook voor Azië en Afrika.”

„We hebben een grote competitiedichtheid. Dat geldt ook voor mannen, maar bij vrouwen speelt het een grotere rol omdat in het buitenland die verhouding schever ligt.”

Daar doet de geringere internationale concurrentie dus dubbel zijn werk. Minder tegenstand, betere faciliteiten. Voorbeelden bij uitstek zijn de Nederlandse vrouwencompetities hockey en waterpolo, die tot de oudste, grootste en sterkste van de wereld behoren. En nergens zijn zoveel kunstgrasvelden en zwembaden als in Nederland.

Gericht investeren in vrouwensport is lonend, zeker als de budgetten voor Londen 2012 onder druk staan. „Er is een duidelijke relatie tussen geïnvesteerde gelden en gewonnen medailles”, aldus Van Bottenburg. „Het is niet mijn keuze. Maar wil je zo hoog mogelijk scoren in het medailleklassement dan moet je niet in teamsporten investeren en vooral inzetten op vrouwensporten.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden