Voor jonge Tunesiërs is het werk, Europa of het paradijs

Veel jongeren in de armste regio's van Tunesië vullen hun dagen in het café. Elke dag opnieuw. Beeld Hollandse Hoogte / Panos Pictures
Veel jongeren in de armste regio's van Tunesië vullen hun dagen in het café. Elke dag opnieuw.Beeld Hollandse Hoogte / Panos Pictures

Tunesië is met zesduizend Syriëgangers hofleverancier van de internationale jihad. Trouw bezocht de twee belangrijkste broeinesten van jihadisme, Douar Hicher en Bizerte, en sprak daar met jongeren.

De huizen in Douar Hicher, een stadje ten noorden van hoofdstad Tunis, zijn grijs van het vuil. De rode stenen van de huizen in aanbouw doorbreken de eentonigheid en dan slechts tijdelijk. Sommige wijken kennen amper bestrating. Met slecht weer stroomt er modder door de straten. De stad kent nauwelijks versieringen, met één uitzondering: op de muur van de lagere school staan Disney-tekeningen. Wat meer opvalt is de graffititekst op de witte muur: 'privézone voor vandalen'.

In het hart van het stadje staat een groepje jongens op de hoek van de straat. Het zijn Houssam Mathlouti (20), Amine Gershishi (19) en Najib Hkiri (20). De langste draagt een sjaal die de graffititekst op de muur bij de lagere school verklaart: 'North Vandals'. Het zijn 'Ultras', oftewel, hooligans, en trouwe aanhangers van Club Afrique. Maar ze noemen zichzelf het liefst 'Vandalen'.

Deze jongens uit de deelwijk Hebassi zijn graag bereid om te praten over hun levens. Onderweg naar hun favoriete café klagen ze over de politie: "Ze pakken ons op, slaan ons en ze schieten met traangas." Ze kennen iedereen, ook twee jonge gasten die in een net iets te dure auto voorbij komen rijden. Houssam glimlacht: "Dat zijn de jongens uit de buurt die het gemaakt hebben."

Dat is uitzonderlijk in een wijk waar de werkloosheid hoog is, waar de cafés om één uur vol zitten met mannen en waar in de enige winkel die boeken verkoopt (naast klokken en elektrische horloges), keuze is uit één boek: de Koran. Het sportaanbod is er niet veel gevarieerder: jongeren kunnen kiezen uit gewichtheffen of vechtsport - en daar houdt de mogelijkheid tot dagactiviteit wel zo'n beetje mee op.

De jongens houden van spanning, en ontsnappen uit de monotonie met marihuana en drank. Dat laatste is ook een van de redenen waarom ze met salafisten in de problemen raakten. "Na de revolutie kwamen ze ons aanvallen met messen en zwaarden. Maar wij hebben ze uit de wijk verjaagd. In onze buurt komen ze niet meer. Onze wijk, Hebassi, telt niet één salafist", vertelt Houssam trots.

De grote trek naar Syrië

Opmerkelijk want Tunesië is hofleverancier van de internationale jihad - duizenden inwoners zijn vertrokken naar Syrië, Irak of Libië om te vechten voor IS.

Dat gebeurde niet van de ene op de andere dag. Na de val van dictator Zine El Abidine Ben Ali in 2011 bereikte de vrijheid ook de extremisten. Veel salafisten, onder wie ook een groot aantal jihadisten, kwamen van de een op de andere dag op vrije voeten. Zij begonnen zich meteen te organiseren - in steden als Douar Hicher traden ze binnen de kortste keren op als een soort moraalpolitie.

Douar Hicher kwam na de revolutie in 2011 veelvuldig in het nieuws. De jeugd raakte er slaags met de politie. De salafistische organisatie Ansar al-Sharia - een organisatie die aan Al-Qaida gelieerd is - kreeg in deze wijk al vrij snel voet aan de grond, net als in andere verloederde wijken en steden. Salafisten wisten met name onder de hangjeugd aanhang te verwerven, zeker toen ze zich in de rellen mengden.

De straten van Douar Hicher. Beeld Ghassan Dahhan
De straten van Douar Hicher.Beeld Ghassan Dahhan

Het hele land volgde de ontwikkelingen in het stadje op de voet. Veel Tunesiërs begonnen na verloop van tijd de ernst van de situatie in te zien: deze achtergestelde stad vormde een bedreiging voor de hele samenleving, net als voor de tolerantie. Zij vreesden dat de Syrische gewelddadigheden spoedig een Tunesische realiteit zouden worden.

Jihadistenleiders besloten echter de confrontatie te mijden: in plaats van de oorlog te verklaren aan de Tunesische staat, zonden zij hun aanhangers naar Syrië. Tunesië was geen land van de jihad, maar van prediking (dawa), aldus de salafisten. De jongeren konden beter eerst vechtervaring opdoen in Syrië en de leiders moesten ondertussen van de vrijheid gebruik maken om zoveel mogelijk mensen tot de salafistische zaak te bekeren.

Zwijgcultuur

Begin 2012 begonnen zo honderden jongeren uit Douar Hicher te verdwijnen, vooral jonge mannen tussen de 15 en 35 jaar. Hun motieven varieerden. Sommigen vertrokken in de hoop iets goeds te doen in Syrië - vooral in de begindagen van de Syrische opstand, toen niet alleen in Arabische maar ook in westerse media de rebellen werden bejubeld en verheerlijkt. Andere jongeren sloten zich aan bij de jihadisten voor het geld dat predikers in het vooruitzicht stelden. De jongeren die na 2014 vertrokken, vormden de gevaarlijkste groep, vooral omdat toen de gruweldaden van IS en Al-Qaida algemeen bekend waren. Zij vertrokken om misdaden te plegen.

De jongens die inmiddels aan de koffie in Café Hebassi zitten, kennen allemaal leeftijdsgenoten die naar Syrië zijn vertrokken. "Ik kan er minstens vijftig opnoemen", vertelt Houssam. De jongens vertellen over de ontwikkeling die ze waarnamen bij hun leeftijdsgenoten, onder wie een aantal vrienden van hen. Houssam vertelt wat hij zag, zoals een arts een ziekteverloop beschrijft: "Ze werden opeens stiller en bezochten niet meer het cafe. Het leek alsof ze zich voor ons schaamden. Ze lachten niet meer om onze grappen en hun kleding werd anders. Ze begonnen ons ook te vertellen over het geloof en dat we beter konden ophouden met roken en drinken. Daarna zagen we ze niet meer. Nooit meer. We vernamen pas weer iets over ze toen ze dood waren."

De jongens kennen de namen van de jihadisten, maar willen die niet delen. Er heerst hier een soort anti-verklikkersmentaliteit. Ze zijn open over hun eigen leven, maar over anderen praten ze in algemeenheden. "We kennen ze, en we leven met ze mee. We nemen het hen niet kwalijk. Ze zijn als onze broeders en zusters."

Palestina

Youssef Meshergui komt aanschuiven. De 23-jarige student luchtvaartechniek praat op fluisterende toon en is nauwelijks verstaanbaar. Hij geniet duidelijk respect onder de jongens, want als hij fluistert, dan zwijgt de rest onmiddellijk. Op de vraag waarom ze zelf nooit naar Syrië zijn vertrokken en of ze zelf ooit met de gedachte hebben rondgelopen om zich aan te sluiten bij de salafisten, wijzen de jongens allemaal naar Youssef. "Hij wilde ooit naar Syrië!", roept Houssam, en de jongens beginnen te lachen.

Als ze zien dat Youssefs gezicht ernstig blijft, stoppen ze met lachen. "Nee, ik heb nooit met de gedachte rondgelopen", fluistert Youssef. "Mijn tong is mijn wapen."

"Ik zal het verschil tussen ons en de andere jongens uitleggen", vervolgt Youssef. "Voor ons is Syrië niet belangrijk. Palestina is belangrijk. IS laat Israël met rust en Israël laat IS met rust. Waarom is dat? Syrië leidt af van de echte zaak. Alleen voor Palestina zijn wij, de jongens van Hebassi, bereid te vechten. De anderen kozen voor de makkelijke weg."

Hij wijst op nog een verschil: "De jongens die naar Syrië gingen zijn gezwicht voor het geld van de salafisten."

Dan vertellen de jongens over de armoede in de wijk. Douar Hicher wordt voor een groot deel bewoond door verstedelijkte boeren: mensen die in de laatste decennia van het platteland richting Tunis zijn getrokken voor werk. De kledij van mensen op straat is zwart, bruin en donkerblauw - doffe kleuren die vlekken verhullen. Ondernemingen bestaan vrijwel alleen uit groenteboeren, koffiehuizen en reparatie- en onderdelenwinkels voor elektronica.

Youssef klaagt over de discriminatie en het gebrek aan kansen. "We zijn de kinderen van Manouba", vertelt hij, refererend aan de naam van hun regio. "Onze geboorteplaats staat overal vermeld: op onze identiteitskaarten, op onze studentenpassen. Mensen weten dat we arm zijn. We kunnen er niet aan ontkomen." De jongens wijzen op een Tunesische spreekwoord: Als je vader Knoflook heet en je moeder Ui, dan kun je zelf onmogelijk lekker ruiken.

Nietsdoen

Een zelfde soort gevoel van pessimisme en leegte hangt in de straten van Bizerte.

Deze eeuwenoude en schitterende havenstad, die begon als Fenicische kolonie, is een van de plaatsen met het hoogste aantal Syriëgangers. De jeugdwerkloosheid in Bizerte is de op een na snelst groeiende in Tunesië, vooral na de instorting van de toerisme-industrie in 2010. De stad is verloederd geraakt. Anders dan in de probleemstad Douar Hicher wonen hier geen verstedelijkte boeren, maar geproletariseerde stedelingen. En met name onder de verarmde hangjeugd rekruteren jihadisten actief.

Midden in het centrum zijn op een zaterdagmiddag vier werkloze vrienden op zoek naar afleiding: Ayman (23), Hassan (24), Mohamed (20) en Ali (22) - ze willen niet met hun volledige naam in de krant. Ze zijn opgegroeid in Bizerte en wonen er nog steeds. Bij de kennismaking brengt Mohamed meteen het gesprek op gang: "Ah, een journalist! Wat wil je weten? Ik kan heel kort zijn: we hebben geen geld, geen werk, we slapen, we zuipen. We zijn de kampioenen in het nietsdoen!" De groep begint zwartgallig te lachen.

Voor het gesprek gaan we naar de pittoreske baai van de stad. Mohamed en Ali zijn ondertussen afgehaakt. Ayman, de langste van het stel, en Hassan, de sterkste van de twee, willen praten maar ze hebben, anders dan de jongeren van Douar Hicher, voorwaarden: alleen als de vreemdeling voor hen alle drankjes betaalt en er een 'souvenir' (geld) tegenover staat. Op de vraag hoe de jongeren in deze stad normaal aan hun geld komen, antwoordt Ali: "Mokhadarat (drugs) en moukhabarat (geheime diensten)". Veel jongens werken als informant voor de geheime politie of als drugskoerier.

Deze jongens echter niet, zeggen ze zelf. Ze besluiten toch te praten zonder vergoeding.

Ayman beschrijft hoe zijn doordeweekse dag eruit ziet: "Om tien uur sta ik op. Ik poets mijn tanden en ga meteen naar het café. Daar drink ik koffie met mijn vrienden. Ik praat daar met ze over alles, we fantaseren over Europa. Ik blijf daar tot twee uur, en ga dan naar huis om te eten." Om geld te besparen, eet hij thuis. "Dan ga ik om vier uur weer naar de bar en blijf dan daar tot zeven uur. Dan ga ik naar huis om te eten. Ik blijf dan thuis. Ik ga op Facebook praten met mensen en kijk dan wat televisie. Om elf uur ga ik slapen. Dan begint de dag weer opnieuw. Iedere dag opnieuw en opnieuw."

Hassan vertelt dat zijn ritme weinig verschilt van dat van zijn vriend, behalve dat hij rond twee uur gaat slapen en om elf uur opstaat. "Iedere dag die herhaling. Iedere dag hetzelfde rondje. Iedere dag dezelfde mensen. Je wordt draaierig."

Nihilisme

Ayman vindt het leven zinloos, vandaar dat hij afleiding zoekt in drank en drugs: "Ik drink, ja, wat dan? We hebben geen toekomst. Ons geld gaat naar hasj en drank. Kijk naar ons: dit is de Tunesische jeugd. De staat moet ons helpen. Geef ons geld of we verbranden dit land!" De zwartgallige uitspraken lijken Hassan niet te deren, hij stemt er zelfs mee in. Ayman heeft een soort waas voor zijn ogen. Hij heeft ook last van een tic: als hij praat, dan trekt zijn rechteroog telkens samen, waardoor het lijkt alsof hij niets meent van wat hij zegt.

Ayman klaagt over zijn woonsituatie. Hij woont net als de meesten van zijn leeftijdsgenoten nog thuis. Hij deelt zijn kamer met zijn broertje en zusje. Ayman kan er nooit een meisje mee naartoe nemen, wat hij het liefste zou willen. Soms helpt hij zijn vader met schilderen en in de zomer verdient hij een beetje bij in de toerismesector. Hij krijgt iedere week wat zakgeld van zijn ouders om aan de verveling te ontsnappen.

Hassan werkt ook af en toe met zijn vader aan schilderklusjes. Op zijn Facebook-pagina staat zijn levensmotto: 'La vida Loca'. Hassan woont bij zijn opa en oma. Zijn vrienden benijden hem daarom, want grootouders letten doorgaans minder op hun kleinkinderen dan ouders op hun kinderen.

Ze hebben beiden een vriendinnetje. Ayman sinds twee jaar. Hij heeft haar op school ontmoet. Hij is gek op haar zegt hij. Maar hij vreest dat ze niet samen zullen eindigen. "Ik heb geen geld. Ik kan mezelf niet onderhouden. Moet ik mijn armoede dan met haar delen? En kinderen opvoeden?"

Trouwen

Ayman is niet de enige: dit is een breed maatschappelijk probleem. Trouwen betekent in veel Arabische landen een stap terug op de sociale ladder, want in plaats van alleen zichzelf, moet een man ook zijn vrouw onderhouden. Het krijgen van kinderen betekent nog eens vier stappen terug op ladder. Hij zal dan met zijn gezin moeten vertrekken naar de slechtste wijken, of nog erger: richting het binnenland.

null Beeld Hollandse Hoogte / l' Agence VU
Beeld Hollandse Hoogte / l' Agence VU

Aymans grootste angst? Dat zijn vriendin uiteindelijk voor iemand kiest die het zich wel kan permitteren om te trouwen. Dan stort zijn wereld in elkaar, zegt hij. Hassan heeft meer vertrouwen in zijn vriendin dan in een financieel zekere toekomst. Hij bezit duidelijk meer realiteitszin dan Ayman. Ayman wijst ondertussen op een appartementenblok in aanbouw aan het meer: "De appartementen worden verkocht voor 500.000 per stuk. Euro! Op een dag zal ik er wonen."

Net zoals Europese 'boze burgers' wijten deze jongeren al hun problemen aan de staat en de 'elite'. De staat is er volgens hen alleen om de elite te dienen en luistert niet naar hun problemen. Ze hebben vooral haat jegens de politie. "De politie is corrupt", zegt Ayman. "Wie geld heeft, heeft vrijheid. Straffeloosheid is te koop."

De bendes van Bizerte

Met wie je ook over de revolutie spreekt in Bizerte, de naam van een zekere Abdesslam Sharif valt vroeg of laat. Deze jihadistenveteraan vocht tegen de Russen in Afghanistan en later tegen de Amerikanen in Irak. Hij bracht bij terugkomst in Tunesië jaren in de cel door wegens terrorisme. Na de revolutie kwam hij op vrije voeten en begon in Bizerte een vrouwenkledingwinkeltje, dat daarnaast dienst deed als volksrechtbank. Burgers konden bij hem terecht met problemen. Hij rekruteerde onder criminelen, bekeerde hen tot religieuze boevenvangers. Daarnaast deden zij dienst als zedenpolitie, waarbij zij ongetrouwde stelletjes lastigvielen en dronkenlappen mishandelden in naam van de islam.

Toen de staat in 2013 een einde maakte aan deze activiteiten, verdween Abdesslam naar het buitenland, waarschijnlijk naar Syrië of Mali. Honderden anderen volgden zijn voorbeeld.

Anderen bleven in Bizerte, zoals de 33-jarige Mohamed - hij wil niet met zijn volledige naam in de krant. In zijn eigen buurt staat hij bekend als de radicaalste salafist. Buurtbewoners, onder wie zijn bloedeigen vader, zeggen dat hij openlijk sympathiseert met Al-Qaida. Mohamed deed mee aan de burgerpatrouilles van Abdesslam. Tegenwoordig werkt hij in de groentewinkel van zijn vader in de wijk Corniche, die volstaat met leegstaande woningen. In deze buurt hebben vooral Tunesiërs uit Europa een tweede huis, die komen alleen in de zomer.

Mohamed voldoet niet aan het stereotype radicaal. Hij draagt een sweater met de tekst: "Ik ben moslim, geen paniek". Hij zegt geen fan te zijn van Al-Qaida, maar veroordeelt de beweging evenmin. Wel heeft hij de Al-Qaidavlag nog staan als zijn Facebook-profielfoto, vergezeld van een zwaard. Op een andere profielfoto is de Al-Qaida-vlag te zien met daarop een laadbalkje dat op 75 procent staat van de volledige 'overwinning'. De foto's dateren uit 2013, toen Al-Qaida inderdaad op haar hoogtepunt was.

Mohamed veroordeelt alle seculieren in het land. Die zijn verantwoordelijk voor de ellende in het Midden-Oosten en ook in zijn eigen land. Ook hekelt hij de discriminatie van 'moslims' in zijn land. Hij heeft zijn baard bijgeknipt om zo lastige vragen van de politie te vermijden, vertelt hij.

Hij zegt dat de situatie nu slechter is dan ooit, maar gelooft dat het moment van de religie vroeg of laat zal aanbreken. "We hebben geleerd van de situatie na de revolutie. Vroeger gingen we achter de mannen aan die dronken, maar nu doen we het anders. We sporen alleen onze familieleden en vrienden aan hun leven te beteren, geen vreemden meer. Dat werkt beter. En we proberen ze nu alleen met woorden te overtuigen. Geen geweld."

Vernederde politie

Ook Ayman en Hassan denken soms met heimwee terug naar de tijd dat Abdesslam de dienst uitmaakte in hun stadje. Ze zijn vol lof over de jihadist. "Als twee mensen ruzie hadden, dan kwam hij tussenbeide", vertelt Ayman. "Abdesslam was rechtvaardig. Iedereen was ook bang voor hem, zelfs de politie."

Het laatste verklaart gedeeltelijk de populariteit van salafisten onder hangjongeren. De almachtige politieagent die vernederd wordt, Ayman, Hassan en veel andere hangjongeren vonden het een prachtig spektakel. In de jaren na de revolutie bestormden salafisten veelvuldig politiebureaus, en openden zij kraampjes pal naast het bureau om de agenten binnen te laten weten dat ze in de gaten werden gehouden. Abdesslam gaf deze jongeren een gevoel van macht.

Ayman en Hassan twijfelen niet aan de goedheid van Abdesslam: "Hij helpt de Syriërs", verzekert Hassan. Waarom zijn ze dan niet zelf naar Syrië gegaan? Voor Ayman heeft dat eerder een praktische dan een ideologische reden: "De tijd is nog niet rijp. De jihadisten leven in Mohameds tijd, maar wij leven in een andere tijd."

De term 'tijd' krijgt dan een andere betekenis. "De tijd van het ware geloof is nog niet aangebroken voor mij. Misschien komt die als ik vijftig ben. Misschien over twee weken, misschien over twee dagen." Hij kijkt alsof er een bedreiging achter zijn woorden schuilgaat.

De volledige namen van Ayman, Hassan, Ali en beide Mohameds zijn bekend bij de redactie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden