Voor Hitler de macht greep

Na één jubelrecensie in de New York Times werd de 101-jarige Bussumer Hans Keilson alsnog een ster. Een geluk voor de Nederlandse lezer.

Dat had de literaire wereld nog niet eerder meegemaakt: een 101-jarige schrijver die zijn eerste signeersessies geeft, de voorpagina's van de kranten haalt, en zijn opwachting maakt in de televisiestudio's. Hans Keilson (1909), de Bussumse schrijver-psychiater, zal er fijntjes om hebben geglimlacht, want we kennen hem als een bescheiden man met veel relativeringsvermogen en een flinke dosis zelfspot.

"Roem is de som van misverstanden die zich rond iemands naam groepeert", zei Rainer Maria Rilke een eeuw geleden. Op Hans Keilson lijkt deze spreuk volledig van toepassing. Lange tijd was zijn kleine oeuvre van amper duizend bladzijden vrijwel onbekend, in Duitsland en daarbuiten. De grote ommekeer kwam afgelopen zomer, toen de Amerikaanse schrijfster en Anne Frank-biografe Francine Prose in de New York Times Book Review een euforisch artikel aan hem wijdde. Inmiddels verkoopt Keilsons Duitse uitgever de vertaalrechten aan landen als Brazilië, Zuid-Korea, Australië en Hongarije.

Natuurlijk is er alle reden verheugd te zijn over dit late succes. Maar de commotie zegt ook veel over de toevalligheid van literaire roem en het opportunisme van de media. Bovendien: de hyperbolische lof van bovengenoemde Francine Prose ('Voeg Hans Keilson net als ik toe aan de lijst van 's werelds allerbeste schrijvers') past niet bij deze auteur en laat een gebrek aan onderscheidingsvermogen zien.

Ondertussen heeft de Nederlandse lezer alle reden om zijn handen dicht te knijpen. Twee schitterende boeken van Hans Keilson zijn gelijktijdig in vertaling verschenen.

'Daar staat mijn huis' is een kort autobiografisch fragment, blijkbaar zo'n twintig jaar geleden geschreven, waarin Keilson op even charmante als toegankelijke wijze vertelt over zijn jeugd in het Duitse provinciestadje Freienwalde aan de Oder, zijn studie medicijnen en sport in Berlijn, het opkomende antisemitisme en ten slotte zijn vlucht in 1936 naar Nederland - waar Keilson ('Liever Holland dan heimwee') altijd is blijven wonen. Het tweede, in literair opzicht interessantere boek is de autobiografische roman 'Het leven gaat verder'. Beide boeken vullen elkaar trouwens wonderwel aan, ze kunnen heel goed samen gelezen worden; wat verzwegen wordt in de roman wordt aangevuld door het autobiografische fragment.

De roman 'Het leven gaat verder' was Keilsons debuut. Het kwam uit in 1933, als laatste boek van een Joodse auteur dat nog bij Fischer in Berlijn kon verschijnen; enkele maanden later werd het verboden. Het boek bestrijkt de economische crisisjaren tussen 1925-1933, centraal staat de neergang van een kleinburgerlijke familie in een plaatsje nabij Berlijn.

Meneer Seldersen drijft samen met zijn vrouw een textielzaak, het echtpaar heeft twee kinderen. Vanaf het begin is duidelijk dat het bergafwaarts gaat met hun nering: klanten kopen op de pof, de werkloosheid neemt toe. Het is deze sociale nood, de armoede (misschien meer nog de schaamte voor de armoede) en ook de honger die Keilson knap voelbaar weet te maken. Gevraagd naar het middagmaal, antwoordt iemand: "Aardappelsalade met haring vandaag." Waarop zijn kennis moet toegeven: "Dat krijgen wij alleen op zondag."

Twee figuren springen eruit. Dat is allereerst Albrecht, de zoon van Seldersen, als het boek begint zestien jaar oud, onmiskenbaar het alter ego van de schrijver. Albrecht is een gevoelige, ietwat dromerige jongen, tevens trots en ambitieus. Hij leest graag en speelt viool. De hele roman zal hij eenzaam blijven, aan de kant staan; geen wonder dat hij zich ergens vergelijkt met de muzische antiheld uit Thomas Manns novelle 'Tonio Kröger'. Hij heeft een vriend, met wie het later slecht afloopt, en een ietwat raadselachtige mentor, Dr. Köster, van wie hij boeken leent - dit is deels ook een ontwikkelingsroman. Later trekt Albrecht naar Berlijn om er te gaan studeren, hij speelt in een orkestje om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Pas op een van de laatste bladzijden kruipt hij voorzichtig uit zijn schulp en wordt hij politiek actief.

De tweede hoofdfiguur is vader Seldersen, een bescheiden, zachtmoedige en uiterst voorkomende man. Aanvankelijk is hij door de malaise alleen maar een beetje humeurig en gedesillusioneerd, maar later (hij moet bedelen bij zijn broer en bij de leveranciers) wordt hij steeds prikkelbaarder en uiteindelijk, na het faillissement van zijn zaak, moet zijn vrouw hem weerhouden van een wanhoopsdaad. De fragmenten gewijd aan vader Seldersen en aan de neergang van diens textielwinkel behoren tot de aangrijpendste delen van de roman.

Het boek speelt in een tijd toen Hitler en zijn trawanten al duidelijk in opkomst waren. Dat er iets staat te gebeuren, wordt ook wel duidelijk; ergens is sprake van 'schreeuwlelijken en mannelijke hysterici', stakingen en demonstraties zijn aan de orde van de dag. Maar waaruit de dreiging bestaat wordt nergens benoemd. Ook niet dat we hier met een Joods gezin te maken hebben; sporen van antisemitisme vind je in dit boek vrijwel nergens.

In de memoires 'Daar staat mijn huis' is Keilson veel explicieter. Hij schrijft over de synagoge in Freienwalde, over de Joodse gemeente en de Hebreeuwse lessen van de cantor, maar ook over de vernederingen die hij als middelbare scholier moest ondergaan. Toen hij een spreekbeurt over Heinrich Heine's sociaal geëngageerde gedicht 'Die schlesischen Weber' wilde houden, werd dat door de klassevertegenwoordiger verhinderd met de woorden: "De klas weigert om haar mening te geven over het gedicht. Het bevuilt het eigen nest." Keilsons commentaar: "Gedurende twee jaar werd ik compleet genegeerd door de klas."

Dit incident komt regelmatig terug in Keilsons essayistische werk van de laatste vijftig jaar - het is voor hem emblematisch én traumatisch gebleven. Ook veel andere fragmenten uit de memoires zijn niet nieuw. Op de eerste bladzijde staat de opmerking: "Samen met de persoonlijkheid verandert ook de kwaliteit van de herinnering." Het is tevens de openingszin van zijn beroemde autobiografische essay 'In der Fremde zuhause' uit 1992. Toch storen deze reprises nauwelijks. Keilson schrijft zo lichtvoetig, helder en persoonlijk dat je er geen genoeg van kunt krijgen. Was hij maar eerder aan deze memoires begonnen, denk je dan, en had hij er maar een kloek boek van gemaakt.

Dat Keilson ook als 23-jarige debutant al uitstekend schreef, is misschien nog opmerkelijker. Voor een debuut is 'Het leven gaat verder' opvallend vast van stijl, al is het nog tamelijk realistisch en traditioneel.

Anders is dat in Keilsons tweede roman 'In de ban van de tegenstander', die hier in 2009 werd herdrukt. Keilson voltooide dat boek pas in 1952 (hij was er al in 1942 aan begonnen), en met zijn essayistische fragmenten is het experimenteler en veeleisender dan de hierboven besproken boeken.

Net als 'Het leven gaat verder' speelt dit boek zich af tijdens Hitlers opkomst in de jaren dertig, en opnieuw staat een jongeman centraal. Hij probeert zich in de dictator te verplaatsen, hem op een bijna emfatische wijze te doorgronden, waardoor hij zelfs een haat-liefde verhouding tot hem ontwikkelt. Kort samengevat luidt de teneur van de roman: de Jodenhaat van de nationaal-socialisten werd ingegeven door zelfhaat - een schoolvoorbeeld van wat in de psychoanalyse 'projectie' heet. Hier manifesteert zich de Freud-liefhebber die de auteur zijn leven lang is gebleven.

Op zijn interessante essays na is Hans Keilsons proza nu vertaald. Met 'Daar staat mijn huis' loopt Nederland zelfs voorop, het betreft een wereldprimeur zoals de uitgever trots meedeelt. Alleen al voor de schitterende epiloog, tevens een ode aan Nederland, zou je dit boekje moeten lezen.

Hans Keilson: Het leven gaat verder.
Uit het Duits vertaald door Frank Schuitemaker. Van Gennep, Amsterdam. ISBN 9789461640017; 320 blz. € 19,90

Hans Keilson: Daar staat mijn huis.
Uit het Duits vertaald door Piet de Moor. Van Gennep, Amsterdam. ISBN 9789461640123; 103 blz. € 9,90

Hans Keilson: In de ban van de tegenstander.
Uit het Duits vertaald door M.G. Schenk, volledig herzien door Frank Schuitemaker. Van Gennep, Amsterdam. ISBN 9789055159888; 239 blz. € 19,90

Beter bekend als psychiater
Hans Keilson werd in 1909 geboren in Bad Freienwalde aan de Oder, als kind van geassimileerde Joden. In 1933 publiceerde hij zijn zojuist vertaalde romandebuut 'Het leven gaat verder'. Drie jaar later vluchtte hij naar Nederland. Tijdens de oorlog zat hij ondergedoken in onder meer de Rekkense Inrichtingen bij Enschede en bij een familie in Delft. Hij werkte als arts en koerier voor de verzetsgroep 'Vrije Groepen Amsterdam'.

Behalve romans, novellen en poëzie publiceerde Keilson talrijke essays, die vaak een brug slaan tussen de psychiatrie en de literatuur. In 1979 promoveerde hij in Amsterdam op een baanbrekende studie over de traumatisering van Joodse oorlogswezen in Nederland. Keilson beschouwde deze studie als zijn eigenlijke levenswerk. Dat hij ook literair werk schreef, was tot voor kort maar weinigen bekend.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden