Review

'Voor Den Haag schijnt hij de juiste rarekiek'

Vanaf 1915 tot niet lang voor zijn dood in 1923 heeft Louis Couperus ruim zestig openbare voordrachten gehouden uit eigen werk, niet alleen in Den Haag, maar door het hele land. De reacties die daar in de pers op verschenen, zijn nu door H. T. M. van Vliet bijeengebracht en tezamen met brieven en andere documenten met betrekking tot deze voordrachten uitgegeven onder de titel 'Met Louis Couperus op tournee'. De titel belooft wat en die belofte wordt ingelost, want door de krantenverslagen van Couperus' optredens lijken we die van nabij mee te maken.

De eerste voordracht vond plaats op 23 maart 1915 in Kunstzaal Kleykamp in Den Haag, voor een reeds lang tevoren uitverkochte zaal. Tegen een decor van Chinese draken, een grote gouden Boeddha, mooie paarse lappen, en naast een marmeren zuiltje waarop een vaas met lelies en aronskelken stond Couperus, in rokkostuum. “En hij leest, hij zingt bijna zijn poëtisch proza voor, het zoo zeer subtiele, zoo zeer klankrijke, zoo breed gerhythmeerde. Zijn stem golft mee en iets ook zijn gestalte, terwijl hij leest. En wij hooren het gedicht in proza nu, alsof wij het hoorden ontstaan.” Frits Lapidoth de volgende dag in De Nieuwe Courant.

Telkens weer zullen de recensenten terugkomen op de entourage, de kleding en het stemgeluid van Couperus. De lezing in Amsterdam in het gebouw De Roos aan het Rokin, een maand later, werd voorafgegaan door een heuse rel. In de zaal waar Couperus zou optreden was juist een expositie ingericht van religieuze schilderijen van Jan Toorop en het katholieke dagblad De Maasbode protesteerde “met nadruk tegen deze ontheiliging van het grootsche werk van den Katholieken kunstenaar Jan Toorop door den weekelijken wuften, verwijfden paganist Louis Couperus.”

De schilder zelf kwam in het geweer en gelastte verwijdering van enkele werken, waaronder 'Het Laatste Avondmaal', indien Couperus werkelijk in de betreffende zaal zou optreden. Aldus geschiedde. De Maasbode recenseerde het optreden met afschuw:

“Couperus, evenals de oude mannen van '80, bedrijft de zinnelijkheid van het woord: l'art pour l'art; de schoonheid om de schoonheid; het woord om de muziek; de periode om de muzikaliteit, om het klankgenot der zinledige woordverbindingen en woordenreeksen.

Dat is juist een van de verschijnselen der decadentie, dat de zinnelijkheid hare natuurlijke wegen verlaat en wordt overgebracht naar een gebied, waar zij volgens hare natuur niet behoort te wezen, waar zij dus tot tegennatuurlijkheid, tot perversiteit ontaardt.'

In Amsterdam was men trouwens in het algemeen weinig te spreken over Couperus' optredens, hetgeen verband kan houden met zijn dandyeske voorkomen, zijn precieuze en geaffecteerde gebaren en, vooral, met zijn merkwaardige uitspraak van het Nederlands, dat als een mengeling van Haags en Frans werd ondergaan. “De man kan niet spreken” vond een recensent en hij vervolgde: “Voor Den Haag schijnt hij de juiste rarekiek.”

Over Couperus' stem en zijn uitspraak valt in deze documentatie heel wat te lezen, ook heel wat tegenstrijdigs, want het oordeel over beide is geheel afhankelijk van de waardering van de recensent. Herhaaldelijk wordt bericht dat Couperus “een hoge kinderstem, een falset” had, “een schelle, hooge stem” en een uitspraak die sommigen zo intrigeerde dat ze alleen nog maar daar oor voor hadden.

“Gij kunt de schitterende woordenpraal van zijn boeken niet tot haar recht laten komen, als gij niet gehoord hebt hoe hij 'genereuze kleùren en geùren' zegt: het deinende beweeg zijner gebaren illustreert zijn zinswendingen, en hoeveel beter dan bij 't lezen zagen wij nu de 'keùrige tatouage der illustre muskulatuur van André'. . . Het is iets waard, Couperus te hooren spreken van 'lol, òp z'n dònder, beroerling'. . .”

Meer nog in detail en met meer uitspraakeigenaardigheden registreerde een recensent het volgende: “Keurig en geurig en fleurig (de eu als een Hègsche uh uitgesproken) was de taal die hij sprak. Men bespeurde (spreek uit: bespùhrde) aanstonds (spreek uit: aênstunds) dat dit de manier (spreek uit: mèhnèhr) was, waarop Couperus' schetsen dienen voorgedragen.

Maar niet alleen de 'mèh-nèhr' waarop de voordracht 'gebùhrde', - ook de kleedij waarin ze 'plèts' had was van belang: zwarte cheviot rok, met - nieuwigheid! - bovenaan links een zakje, waaruit een witzijden zakdoekje hing. dat straks als 'rekwisiet' zou worden gebruikt bij een der 'vurdraêchten' (op het roode mahoniehouten tafeltje lag een veel grootere zakdoek, om het getranspirèrde zwit van 's meesters 'vurheufd' af te vegen).'

Geaffecteerd, geposeerd, fatterig, precieus, gemaakt - het zijn kwalificaties die telkens terugkeren in de krantenverslagen, maar die ook verschillende keren worden gerekend als nu eenmaal behorend tot Couperus' natuur. De pose is niet zijn natuur geworden, de pose is zijn natuur. “En wat hij al niet met zijn stem doet, welke climaxen hij er mede voorbereidt en uitvoert, welk een gamma's hij er mede door loopt”, het is werkelijk buitengewoon, vindt de een. “De 'lezende' Couperus is een der verderfelijkste begeleidende omstandigheden van den oorlog” meent een ander.

Meestal trad Couperus voor zo'n driehonderd mensen op, waaronder “vele dames, zeer vele dames, nooit genoeg dames”. Hij vroeg als honorarium ten minste honderd gulden, een aanzienlijk bedrag voor die tijd (Albert Verwey en Frederik van Eeden namen genoegen met de helft). Eenmaal, in Soerabaja, vroeg en kreeg hij zelfs vijfhonderd gulden. Deze ongehoorde inhaligheid en zijn querulanterig gedrag bij die voordracht kwamen hem in de pers duur te staan.

In de loop van de tijd varieert Couperus zijn programma. Hij begon met het fantasievolle verhaal 'De Zonen der Zon' uit 'God en goden', ging toen over op 'Psyche', verhalen uit de bundel 'Antieke verhalen', ook las hij wel eens fragmenten uit 'Herakles' of 'De komedianten', soms iets uit 'Korte arabesken' of 'Van en over mijzelf en anderen'. Het is opvallend dat hij deze keus uit zijn oeuvre maakte, en niet bij voorbeeld stukken uit 'Eline Vere' of 'Van oude mensen de dingen die voorbijgaan' las. Kennelijk vond hij de mythologische en klassieke verhalen en het luchtiger feuilletonwerk voor openbare voordracht geschikter of opwekkender. Een curieuze, zonder twijfel ironische reactie tot slot. Hij heeft betrekking op de Amsterdamse lezing in het gebouw De Roos en is afkomstig van Honoré de la Baignoire, pseudoniem van H. P. L. Wiessing, in De Nieuwe Amsterdammer: “De heer Couperus ging verder met ideale, hooge, zéér hóóge stem. Zei hij daar oplóeide of opblóeide, ik weet het niet, luister maar, luister maar, het is nog lang niet ten einde, hij zegt nu bloemen, bloemen, hoe zegt hij die woorden, hij zegt 'bloemen' zoo rond, zoo pastelteeder, hij zegt bloemen als pastelleerde hij roze-engelbeentjes en billetjes - ja billetjes - en hij zegt dit alles als een Hagenaar.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden